Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:42

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
CUR201600182 t/m CUR201600185
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending hoorplicht leidt tot vernietiging uitspraak op bezwaar met in stand lating rechtsgevolgen. Schending administratieplicht leidt tot omkering van bewijslast. Daaraan heeft belanghebbende niet voldaan. Na sluiting onderzoek heeft belanghebbende verzocht om boetevermindering vanwege overschrijding redelijke termijn. Dit verzoek is afgewezen, omdat belanghebbende vóór sluiting van onderzoek daar om had moeten verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 maart 2019

BBZ nrs. CUR201600182 t/m CUR201600185

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] N.V., gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 23 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting over december 2009 opgelegd van NAf 4.880. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 610 (12,5%).

1.2

Aan belanghebbende is op 30 juni 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting over december 2010 opgelegd van NAf 8.959. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 2.239 (25%).

1.3

Aan belanghebbende is op 30 juni 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting over december 2011 opgelegd van NAf 3.404. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 851 (25%).

1.4

Aan belanghebbende is op 30 juni 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting over december 2012 opgelegd van NAf 10.141. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 2.535 (25%).

1.5

Belanghebbende heeft op respectievelijk 20 februari 2015 (2009) en 28 augustus 2015 (2010 t/m 2012) bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes.

1.6

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 maart 2016 de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes gehandhaafd.

1.7

Belanghebbende heeft op 12 mei 2016 beroepen ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

1.8

Belanghebbende heeft op 5 september 2016 de beroepen gemotiveerd.

1.9

De Inspecteur heeft op 20 juni 2017 verweerschriften ingediend.

1.10

De zitting heeft op 27 juni 2017 plaatsgevonden ten overstaan van rechter mr. De Werd. De zaken met de nummers CUR201600179 t/m CUR201600185, CUR201600191 t/m CUR201600197 en CUR201600232 t/m CUR201600236 zijn gezamenlijk behandeld. Namens belanghebbende is verschenen haar directeur en enig aandeelhouder [ A ], bijgestaan door [ B ] van [ Q ]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [ C ], [ D ] en [ E ]. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.11

Belanghebbende heeft op 4 september 2017 nadere stukken ingediend.

1.12

Een nadere zitting heeft op 13 september 2017 plaatsgevonden ten overstaan van rechter mr. De Werd. De zaken met de nummers CUR201600179 t/m CUR201600185, CUR201600191 t/m CUR201600197 en CUR201600232 t/m CUR201600236 zijn gezamenlijk behandeld. Namens belanghebbende is verschenen

[ A ], bijgestaan door [ B ], voornoemd. Namens de Inspecteur is verschenen [ C ]. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.13

De Inspecteur heeft op 6 november 2017 nadere stukken, waaronder een niet-geaccepteerd schikkingsaanbod, ingebracht.

1.14

Belanghebbende heeft op 21 november 2017 de beroepen inzake de loonbelasting 2009 t/m 2012, premieheffing AOV/AWW 2009 t/m 2012 en premieheffing AVBZ 2009 t/m 2012 ingetrokken. Deze intrekking betreft de zaaknummers CUR201600191 t/m CUR201600197 en CUR201600232 t/m CUR201600236. Bij de intrekking heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het Gerecht heeft bij uitspraak van 12 december 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:184, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van NAf 2.625 en de griffierechten van NAf 300.

1.15

Een nadere zitting heeft op 30 november 2017 plaatsgevonden ten overstaan van rechter mr. De Werd. De zaken met de nummers CUR201600179 t/m CUR201600185 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [ A ], voornoemd. Namens de Inspecteur zijn verschenen [ C ], [ D ] en [ E ]. Het Gerecht heeft het onderzoek gesloten.

1.16

Door defungeren van rechter mr. De Werd per 1 augustus 2018, kan de uitspraak in deze zaak niet door hem worden gewezen. Partijen hebben ermee ingestemd dat rechter mr. Van Suilen uitspraak wijst in deze zaak, zonder dat een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Van Suilen heeft plaatsgevonden.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is opgericht in 2006. Zij exploiteert een schildersbedrijf. De heer

[ A ] is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende (hierna: de digra).

2.2

In opdracht van de Inspecteur heeft in 2014 bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de winstbelasting, omzetbelasting en loonbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 april 2015. Daarin is onder meer het volgende opgemerkt:

3.4

Administratieplicht

Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen onder andere gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren dat ten alle tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens, hieruit duidelijk blijken.

Gezien de aard en omvang van belastingplichtige wordt tenminste verwacht dat belastingplichtige een projectadministratie voert waaruit de volgende vastleggingen blijken:

- voorcalculaties die als basis dienen voor de op te maken offertes;

- registratie van de inkopen van materialen voor een specifiek project;

- registratie van alle gebruikte materialen per individueel project;

- registratie van manuren per individueel project;

- voortgangsverslagen;

- registraties van meer- en minderwerk;

- nacalculaties;

- gedetailleerde verschillenanalyses (nacalculaties).

Tijdens het onderzoek is gebleken dat belastingplichtige niet voldaan heeft aan de hiervoor omschreven verplichtingen. Belastingplichtige beschikt namelijk niet over een projectadministratie van de uitgevoerde projecten. Van de voorgaande vastleggingen heeft belastingplichtige enkel de urenregistratie bijgehouden.

Van belastingplichtige wordt verwacht dat zij een zodanig administratie voert dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens, hieruit duidelijk blijken. Het ontbreken van een projectadministratie heeft tot gevolg dat de gevoerde administratie door belastingplichtige, niet aan de eisen van een adequate administratie voldoet.

Naast het ontbreken van een projectadministratie zijn de volgende omissies betreffende de administratie van belastingplichtige geconstateerd:

- Hoewel sprake is van een contante geldstroom voert belastingplichtige geen kasadministratie. Hierdoor is een kascontrole niet mogelijk.

- Er wordt geen rekening gehouden met een restwaarde bij de afschrijving van de kantoorinventarissen en machines.

- Belastingplichtige heeft activa vervreemd zonder rekening te houden met eventuele boekwinst en OB.

- Belastingplichtige heeft een deel van haar ontvangsten niet geregistreerd waarbij het saldo van de debiteuren te hoog is opgenomen.

- Er zijn een aantal ontvangsten op de zakelijke bankrekening geconstateerd die niet als omzet zijn aangegeven.

- Er is geen aansluiting tussen de omzet volgens de jaarrekening en de omzet volgens de aangifte OB.

Gezien de voorgaande gebreken kom ik tot de conclusie dat de door belastingplichtige gevoerde administratie niet voldoende is om haar onderneming te beheersen en/of verantwoording of te leggen. Belastingplichtige heeft hierdoor niet voldaan aan de administratieplicht.

3.11

Oordeel administratie

Naast de in het onderdeel 3.4 "Administratieplicht" genoemde bevindingen heb ik het volgende geconstateerd.

- In de controlejaren ontstaat een laag/negatief netto prive van de digra, (…).

- Op de spaarrekening van de digra zijn een aantal stortingen geconstateerd waarvan de herkomst niet bekend is. Gezien de inkomsten van de digra is het niet aannemelijk dat deze stortingen van het genoten salaris afkomstig zijn.

4.1.1.1 Verkoop van vervoermiddelen

Zoals hiervoor vermeld, heeft belastingplichtige in het jaar 2010 een vervoermiddel verkocht. Van deze transactie is niets geboekt. Dit vervoermiddel staat nog steeds op de balans ultimo 2012.

Belastingplichtige gaf aan dat het vervoermiddel in november 2010 voor een bedrag van 2.500 is verkocht. Echter heeft belastingplichtige dit bedrag niet aannemelijk kunnen maken, er zijn namelijk geen bewijsstukken overgelegd.

Belastingplichtige heeft het vervoermiddel, [ automerk ] — model 2000, in het jaar 2007 voor een bedrag van 15.000 aangeschaft. Het is niet aannemelijk dat belastingplichtige na 3 jaar hetzelfde vervoermiddel voor een waarde van 2.500 verkoopt. Volgens de autodealer, '[ autodealer ]', had deze auto een marktwaarde van 7.500 in het jaar 2010. Op grond hiervan stel ik u voor om de verkoopwaarde op 7.500, • inclusief OB, vast te stellen.

De boekwinst heb ik bepaald aan de hand van de voorgenoemde verkoopwaarde en de boekwaarde volgens de administratie. In het overzicht hierna wordt dit nader gespecificeerd:

Omschrijving

2010

Verkoopwaarde inclusief OB

7.500

OB

357

Verkoopwaarde exclusief OB

7.143

Aanschafwaarde

15.000

Cumulatieve afschrijving (aug '07 t/m nov '10)

9.000

Boekwaarde bij verkoop

6.000

Boekwinst bij verkoop

1.143

De voorgenoemde handelswijze van belastingplichtige heeft ook gevolgen voor de OB. (…)

4.2.2

Opbrengstverantwoording

Belastingplichtige heeft in de jaren 2009 tot en met 2012 de volgende opbrengsten aangegeven:

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

Opbrengst

463.041

575.238

368.509

499.084

Tijdens het onderzoek heb ik geconstateerd dat belastingplichtige een aantal bedragen per bank heeft ontvangen welke niet als opbrengsten zijn aangegeven. Deze ontvangsten zijn afkomstig van particuliere opdrachtgevers van belastingplichtige.

Verder heb ik een aantal stortingen op de spaarrekening van de digra geconstateerd, waarvan de herkomst niet bekend is. De digra is 100% werkzaam bij belastingplichtige. Het loon uit dienstbetrekking is de enige inkomstenbron van de digra. Door de structurele gebreken in de administratie van belastingplichtige concludeer ik dat deze stortingen, opbrengsten van belastingplichtige zijn, die op de prive rekening van de digra zijn gestort.

Op grond van het voorgaande concludeer ik dat de ontvangsten van particuliere opdrachtgevers niet volledig aangegeven zijn. Op basis van een verklaring van de digra, vertegenwoordigen de particuliere kanten circa 10 tot 20% van de totale omzet. Uit een analyse van de niet aangegeven opbrengsten (exclusief OB) van belastingplichtige (bankstortingen van zakelijke en prive rekening) concludeer ik dat circa 15% van de totale omzet, bestaande uit particulier opdrachtgevers, niet is aangegeven.

Als gevolg van het voorgaande concludeer ik dat belastingplichtige 15% van haar totale opbrengsten niet heeft aangegeven. De aangegeven opbrengsten zijn dienovereenkomstig 85% van de werkelijke opbrengsten. Ik stel u daarom voor om de niet aangegeven opbrengsten te corrigeren. Dit leidt tot de volgende berekening:

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

Aangegeven opbrengsten (a: 85%)

463.041

575.238

368.509

499.084

Berekende opbrengsten (b: 100%)

544.754

676.750

433.540

587.157

Niet aangegeven opbrengsten (b-a)

81.713

101.512

65.031

88.073

Het voorgaande leidt tot het volgende correctievoorstel:

Correctie

2009

2010

2011

2012

Meer opbrengst (Particuliere klanten)

81.713

101.512

65.031

88.073

De voorgenoemde handelswijze van belastingplichtige heeft ook gevolgen voor de OB. (…)

6.2

Aansluitingsverschil tussen de omzet volgens de jaarrekening en de omzet waarover OB is aangegeven

lk heb vastgesteld dat met betrekking tot de jaren 2009 tot en met 2012 geen aansluiting is tussen de omzet volgens de jaarrekening en de omzet waarover OB is aangegeven. Deze berekening luidt als volgt:

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

Omzet volgens jaarrekening

463.041

575.238

368.509

499.084

Omzet volgens aangifte OB

446.325

501.158

365.281

413.274

Verschil

16.716

74.080

3.228

85.810

Belastingplichtige heeft de berekende verschillen niet verklaard. Ik adviseer u om de verschuldigde OB over de verschillen na to heffen. De naheffing bedraagt (5/105) van de verschillen in de jaren 2009 tot en met 2011 en (6/106) in het jaar 2012.

Het voorgaande leidt tot het volgende correctievoorstel:

Correctie

2009

2010

2011

2012

Na te heffen OB

795

3.527

153

4.857

2.3

Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn de onderhavige naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegd. Bij het vaststellen van deze naheffingsaanslagen heeft de Inspecteur de volgende correcties aangebracht:

Correcties (NAf)

2009

2010

2011

2012

1 Meer opbrengst particulieren klanten

81.713

101.512

65.031

88.073

2 Verkoop vervoermiddel (naheffing 5/105)

7.500

3 Aansluitingsverschil jaarrekening en aangiften OB

(naheffing 5/105)

16.716

74.080

3.228

85.810

Totaal omzetcorrecties

98.429

183.092

68.259

173.883

Naheffing omzetbelasting (5%; in 2012 is tarief 6%)

4.880

8.959

3.404

10.141

Vergrijpboete (25%; in 2009 is boete 12,5%)

610

2.239

851

2.535

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de Inspecteur de naheffingsaanslagen terecht en tot een juist bedrag heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2

Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot handhaving.

3.3

Verder zijn de vergrijpboetes in geschil.

3.4

Voorts heeft belanghebbende nog betoogd dat in de bezwaarfase de hoorplicht is geschonden.

4 OVERWEGINGEN

Niet horen in bezwaarfase

4.1

Op grond van artikel 30, lid 4, ALL wordt de belanghebbende in de bezwaarfase gehoord als hij daar in zijn bezwaarschrift om heeft verzocht.

4.2

In het onderhavige geval heeft belanghebbende in de aanvulling op het bezwaarschrift, gedagtekend 7 mei 2015, verzocht te worden gehoord. De Inspecteur heeft nagelaten belanghebbende te horen. Anders dan de Inspecteur voorstaat, kunnen de telefonische contacten met belanghebbende niet worden aangemerkt als het (telefonisch) horen van belanghebbende. De Inspecteur heeft geen omstandigheden aangevoerd die noopten tot afwijking van artikel 30, lid 4, ALL. Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbende door de gang van zaken bij het horen benadeeld. Het Gerecht zal de uitspraken op bezwaar reeds daarom vernietigen. Nu belanghebbende het Gerecht heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien, zal het Gerecht de zaak niet terugwijzen naar de Inspecteur (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495).

Omkering bewijslast

4.3

Artikel 31, lid 3, ALL bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep van de belastingplichtige moet worden afgewezen indien niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 43 ALL, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.4

Wat betreft de administratieplicht van artikel 43, lid 2, ALL heeft als uitgangspunt te gelden dat de eisen aan de administratie niet verder mogen reiken dan voor een goede uitvoering van de belastingheffing noodzakelijk is. Belanghebbende is belastingplichtig voor onder meer de omzetbelasting, zodat op grond van artikel 43 ALL van belanghebbende geëist kan worden dat haar administratie inzicht verschaft in de verschuldigde omzetbelasting.

4.5

In een onderneming zoals die van belanghebbende, waarbij sprake is van een contante geldstroom, vormt de kasadministratie een onmisbaar onderdeel van de administratie. Tijdens het boekenonderzoek is geconstateerd dat belanghebbende geen kasadministratie voert, waardoor een kascontrole niet mogelijk is. Verder is onder meer gebleken dat ontvangsten op de zakelijke bankrekening niet als omzet zijn verwerkt. Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende voor de jaren 2009 tot en met 2012 niet voldaan aan de op haar rustende administratieplicht zoals voorgeschreven in artikel 43 ALL. Het Gerecht acht deze schending voldoende ernstig voor toepassing van de bewijsregel van artikel 31, lid 3, ALL (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.6

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De correcties bestaan voor een groot deel uit de omzetcorrectie particuliere klanten. Daarbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat 15% van de totale omzet niet is aangegeven. Deze correctie is gebaseerd op een verklaring van de digra dat de particuliere klanten circa 10 tot 20% van de totale omzet uitmaken, alsmede op de constatering dat bepaalde opbrengsten op de zakelijke rekening niet als omzet zijn verantwoord zijn en dat bepaalde stortingen op de privérekening van de digra niet zijn verklaard. Verder is de omzetcorrectie gebaseerd op het geconstateerde aansluitingsverschil tussen de omzet volgens de jaarrekening en de omzet volgens aangiften omzetbelasting. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat deze correcties onredelijk of willekeurig zijn vastgesteld.

4.7

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 31, lid 3, ALL bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Belanghebbende betoogt dat het uitgangspunt dat 15% van de totale omzet niet is aangegeven, een fictief en willekeurig cijfer betreft. Bovendien kan de economische situatie op Curaçao een dergelijk percentage nimmer rechtvaardigen, aldus belanghebbende. Voor het aansluitingsverschil heeft belanghebbende geen verklaring gegeven.

4.8

Het Gerecht acht het betoog van belanghebbende niet dermate overtuigend dat daarmee elke redelijke twijfel is uitgesloten dat belanghebbende de winstcorrecties niet heeft genoten; verre van dat. Belanghebbende heeft derhalve niet op overtuigende wijze de onjuistheid aangetoond van de schatting van de Inspecteur of de voor de schatting gebruikte gegevens. De naheffingsaanslagen omzetbelasting zullen derhalve niet worden verminderd.

Vergrijpboetes

4.9

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2010 t/m 2012 vergrijpboetes van 25% opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de omzetbelasting gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald (artikel 21 ALL in samenhang met artikel 4.8, lid 2, Ministeriële regeling formeel belastingrecht). Voor het jaar 2009 is de vergrijpboete vanwege samenloop gematigd tot 12,5%.

4.10

Alvorens een vergrijpboete wordt opgelegd, dient de Inspecteur op grond van artikel 22, lid 1, ALL de belastingplichtige daarover te informeren. De Inspecteur heeft bij brief van 29 mei 2015 daaraan voldaan. Daarbij is belanghebbende tevens in de gelegenheid gesteld de gronden en de hoogte van de voorgenomen vergrijpboetes te betwisten. De vergrijpboete 2009 was echter al eerder opgelegd, zodat voor die boete artikel 22, lid 1 of lid 2, ALL is geschonden. Een dergelijke schending heeft echter ingevolge artikel 22, lid 3, ALL niet de nietigheid van de boete tot gevolg. Het betreft immers slechts een instructienorm aan de Inspecteur (MvT ALL, blz. 15).

4.11

Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belastingplichtige als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid moet worden gekwalificeerd (vgl. HR 19 december 1990, nr. 25.301, ECLI:NL:HR:1990: ZC4481).

4.12

Belanghebbende betwist dat sprake is van grove schuld. Het uitgangspunt van de onschuldpresumptie brengt dan mee dat de Inspecteur de feiten moet stellen en aannemelijk maken die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van grove schuld.

4.13

Bij het boekenonderzoek is gebleken dat de administratie van belanghebbende ondeugdelijk is, omdat onder meer een kasadministratie ontbreekt. Op basis van deze gebrekkige administratie heeft belanghebbende aangiften gedaan die tot een te lage betaling hebben geleid, hetgeen als een grove onachtzaamheid van belanghebbende kan worden beschouwd. Daarom is sprake van grove schuld zijdens belanghebbende, zodat de boete terecht is vastgesteld op 25% van de nageheven belasting. Deze boete is volgens het Gerecht in overeenstemming met de ernst van het vergrijp. Het Gerecht heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de naheffingsaanslagen met behulp van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn komen vast te staan.

4.14

Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek, in een e-mailbericht van 12 november 2018, nog verzocht om de boetes te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Indien vóór de sluiting van het onderzoek reeds sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dient een verzoek om daarmee rekening te houden als regel uiterlijk op de zitting te worden gedaan (vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799 (https://www.navigator.nl/document/id8c8c32de3675445eb5a29736553f3966?anchor=id-189928a1-3c5c-4fb4-af3c-774097c2c553)). In het onderhavige geval was ten tijde van sluiting van het onderzoek op 30 november 2017 de redelijke termijn reeds overschreden, zodat niet nadien nog een verzoek om vermindering kan worden gedaan.

Voorlichting

4.15

Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Gerecht op dat de uitspraken van de Inspecteur om procedurele redenen worden vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel moet de Inspecteur de proceskosten en het griffierecht vergoeden.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Voor de vergoeding van de proceskosten hangen de zaken met de nummers CUR201600179 t/m CUR201600185 samen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127, worden samenhangende zaken als één zaak beschouwd. Het Gerecht heeft in de uitspraak in de zaken CUR201600179 t/m CUR 201600181 met betrekking tot deze samenhangende zaken reeds een proceskostenvergoeding van NAf 3.150 toegekend. In onderhavige zaken zal derhalve geen proceskostenvergoeding worden toegekend.

5.2

In de samenhangende zaken CUR201600179 t/m CUR201600185 is slechts éénmaal griffierecht betaald. Het Gerecht heeft in de uitspraak in de zaken CUR201600179 t/m CUR 201600181 met betrekking tot deze samenhangende zaken de Inspecteur reeds opgedragen het griffierecht te vergoeden. In onderhavige zaken zal de Inspecteur derhalve niet worden opgedragen het griffierecht te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven van de vernietigde uitspraken op bezwaar.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 6 maart 2019, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël – van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf. 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500