Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:39

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
CUR201900120
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uitleg beëindigingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E. Kleist,

tegen

de besloten vennootschap

BLACKSTONE B.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mr. J.C. Meulen en mr. D. Mishre.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Blackstone genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedures is als volgt:

  • -

    het verzoekschrift van 11 januari 2019, met producties;

  • -

    de producties van Blackstone;

  • -

    de behandeling ter zitting van 7 februari 2019;

  • -

    de pleitaantekeningen zijdens beide partijen.

1.2.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

eiseres] is in het verleden werkzaam geweest voor Blackstone, deels op basis van een arbeidsovereenkomst, deels op basis van een opdrachtovereenkomst.

2.2.

Blackstone heeft [eiseres] op 8 februari 2018 op staande voet ontslagen en tevens de opdrachtovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd.

2.3.

Vervolgens zijn partijen in overleg getreden over een minnelijke oplossing van het ontstane geschil. Beide partijen werden in dat overleg bijgestaan door advocaten.

2.4.

In het kader van die onderhandelingen heeft mr. Kleist namens [eiseres] bij mail van 23 februari 2018 een voorstel gedaan, voor zover hier van belang inhoudende betaling van een vergoeding overeenkomend met vier maanden salaris uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en vier maanden consultancy fee uit hoofde van de opdrachtovereenkomst. Op dit voorstel heeft mr. Meulen namens Blackstone bij mail van 27 februari 2018 als volgt gereageerd, weergegeven voor zover van belang:

Cliënte kan zich niet vinden in het voorstel van mevrouw [eiseres] en doet het volgende tegenvoorstel.

  • -

    Betaling salaris februari 2018 (NAf 4.000,00 bruto) [reeds voldaan].

  • -

    2 maanden salaris als beëindigingsvergoeding (NAf 8.000,00 bruto).

2.5.

In reactie op dit tegenvoorstel heeft mr. Kleist bij mail van 27 februari 2018 laten weten dat [eiseres] niet akkoord gaat “voor wat betreft de berekening van de salarissen,” omdat Blackstone in zijn ogen een fout in die berekening heeft gemaakt. De mail vervolgt:

Dus zowel voor de maand februari als voor de 2 maanden beëindigingsvergoeding (in totaal drie maanden) wenst mijn cliënte als volgt worden uitbetaald

  • -

    Betaling van 3 maanden […] = 4.760,66 uit hoofde van de arbeidsovereenkomst

  • -

    Betaling van 3 maanden […] = Naf 6.042,00 uit hoofde van de consultancyovereenkomst

In totaal dus Naf 10.802,66 welk bedrag mijn cliënte wenst te ontvangen. In tegenstelling tot hetgeen u in uw onderstaande mail aangeeft, heeft mijn cliënte geen bedrag voor de maand februari 2018 ontvangen.

2.6.

Bij mail van 28 februari 2018 heeft mr. Meulen aan mr. Kleist laten weten zich in het voorstel van mr. Kleist te kunnen vinden en een concept voor de beëindigingsovereenkomst te zullen aanleveren.

2.7.

Over dit concept heeft vervolgens enig overleg plaatsgevonden. Bij mail van 7 maart 2018 heeft mr. Meulen het volgende aan mr. Kleist bericht:

Cliënte, Blackstone, kan zich vinden in het aangepaste concept van de beëindigingsovereenkomst. Cliënte vergt duidelijkheidshalve wel dat in artikel 2 vastgelegd wordt dat zij reeds de betaling van de maand februari 2018 heeft verricht (vide track changes). De betalingsopdrachten zijn als bijlage bij deze e-mail gevoegd. Het verschil (de overige 2 maanden NAf 7.208,44 netto) wordt zodra de overeenkomst is ondertekend door cliënte voldaan aan mevrouw [eiseres] dan wel indien gewenst overgemaakt op de rekening van uw stichting derdengelden.

2.8.

De door beide partijen getekende beëindigingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

2. Werkgeefster betaalt aan werkneemster een bruto beëindigingsvergoeding, inclusief cessantia en overige eventuele vergoedingen gelijk aan drie (3) netto maandsalarissen vermeerderd met drie (3) maanden consultancy fee zulks voor een totaalbedrag van NAf 10.802,66 waarvan een bedrag van NAf 3.594,22 reeds op 28 februari 2018 door werkgeefster is voldaan.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van Blackstone tot betaling van NAf 3.594,22, vermeerderd met rente en met veroordeling in de proceskosten.

3.2.

Blackstone voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek is gebaseerd op het standpunt dat [eiseres] tot aan de afgesproken beëindigingsdatum recht heeft op salaris en consultancy fee en per die afgesproken beëindigingsdatum aanspraak heeft op de overeengekomen beëindigingsvergoeding van drie maanden. Omdat blijkens de beëindigingsovereenkomst de einddatum is vastgesteld op 28 februari 2018, betekent dit dat zij tot dat moment nog recht had op haar salaris en de consultancy fee en dat zij vervolgens recht heeft op de drie maanden beëindigingsvergoeding. Het gerecht verwerpt dit standpunt en zal het verzoek daarom afwijzen. Ter toelichting hierop overweegt het gerecht als volgt.

4.2.

Het gaat hier om uitleg van de tussen partijen tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst. Volgens vaste rechtspraak kan de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, die steeds moeten worden gewaardeerd naar hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.3.

Het standpunt van [eiseres] impliceert dat beslissende betekenis wordt gehecht aan het feit dat aan de contractuele verhouding tussen partijen pas eind februari 2018 een einde is gekomen en dat in de beëindigingsovereenkomst wordt gesproken van een “beëindigingsvergoeding” van drie maanden. Een beëindigingsvergoeding is in de visie van [eiseres] pas aan de orde bij het einde van de contractuele rechtsverhouding. Tot dat moment heeft de werknemer recht op zijn reguliere salaris (en in dit geval ook de consultancy fee) en de beëindigingsvergoeding is pas daarna aan de orde.

4.4.

Gelet op het zojuist weergeven beoordelingskader, kan dit betoog alleen daarom al niet worden gevolgd, omdat [eiseres] hiermee geen rekening houdt met de gebeurtenissen die aan de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst zijn voorafgegaan.

4.5.

Uit de hierboven weergegeven onderhandelingen blijkt dat de oorsprong van de uiteindelijk afgesproken beëindigingsvergoeding ligt in het voorstel van mr. Meulen om een vergoeding te betalen bestaande uit het salaris over de maand februari en twee “maanden salaris beëindigingsvergoeding.” Op dat voorstel heeft mr. Kleist gereageerd met de opmerking dat [eiseres] niet akkoord is “voor wat betreft de berekening van de salarissen,” waarna hij een nieuwe berekening van drie maanden doet “zowel voor de maand februari als voor de 2 maanden beëindigingsvergoeding (in totaal 3 maanden)”. Hij sluit die berekening af met “in totaal dus” NAf 10.802,66. Het is dit bedrag waarover partijen het uiteindelijk eens zijn geworden. Daarbij heeft mr. Meulen in haar mail van 7 maart 2018 wel “duidelijkheidshalve” opgemerkt dat van dit bedrag “reeds de betaling van de maand februari” is voldaan. Dit laatste is ook verwerkt in de formulering van artikel 2 van de beëindigingsovereenkomst.

4.6.

Naar het oordeel van het gerecht kan uit deze gang van zaken in redelijkheid niet anders worden afgeleid dan dat partijen het eens zijn geworden over een totale vergoeding van NAf 10.802,66, te weten het bedrag aan salaris en consultancy fee dat hoort bij een periode van drie maanden, ongeacht de datum die in onderling overleg is bepaald als einddatum van de contractuele verhouding, dus inclusief salaris en fee voor de maand februari 2018. De door [eiseres] bepleite uitleg miskent deze voorgeschiedenis.

4.7.

In wezen onderkent [eiseres] dit ook, waar zij (in haar pleitnota sub 10) stelt dat zij uitgaande van haar ontslag begin februari 2018 akkoord is gegaan met een vergoeding overeenkomend met drie maanden. Dit alles zou mogelijk in een ander daglicht komen te staan als in de onderhandelingen ook over de (formele) einddatum van de arbeidsovereenkomst gesproken zou zijn. Ter zitting is echter gebleken dat dit niet het geval is geweest. Integendeel, uit de verklaringen van de zijde van [eiseres] ter zitting volgt dat de datum van 28 februari 2018, opgenomen in het door Blackstone opgestelde concept, voor haar een verrassing was. Het ligt in een geval als het onderhavige vanzelfsprekend niet voor de hand dat de werknemer ‘zomaar’ een extra vergoeding in de schoot krijgt geworpen, zeker niet als over die vergoeding uitvoerig is onderhandeld. Ook dit wijst erop dat [eiseres] de afspraken niet heeft kunnen begrijpen in de zin zoals zij nu stelt te hebben gedaan.

4.8.

Al met al heeft [eiseres] in redelijkheid niet kunnen menen dat het de bedoeling van Blackstone was dat zij het bedrag van NAf 10.802,66 zou krijgen bovenop salaris en consultancy fee over de maand februari. Zij heeft redelijkerwijs moeten begrijpen dat die elementen geacht moesten worden in dat bedrag te zijn inbegrepen. De door [eiseres] bepleite uitleg van de beëindigingsovereenkomst kan daarom niet worden gevolgd. Op deze conclusie stuiten de verzoeken af.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten van Blackstone. Deze worden begroot op NAf 1.500 aan salaris.

4.10.

Hoewel dat niet in het petitum van het verzoekschrift is opgenomen, leidt het gerecht uit dat verzoekschrift af dat [eiseres] toestemming vraagt om kosteloos te procederen. Gelet op de onderbouwing van dat verzoek, zal die toestemming worden verleend.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

verleent [eiseres] toestemming om kosteloos te procederen;

5.2.

wijst voor het overige de verzoeken af;

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van Blackstone, begroot op NAf 1.500.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.