Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:37

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
CUR201900131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Exploitatie onderneming voor vaartochten vanuit woonwijk; hinder voor buren; geluidsoverlast; parkeeroverlast; verbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISER 1],

[EISER 2],

[EISER 3],

[EISER 4],

[EISER 5],

[EISER 6],

[EISER 7],

[EISER 8],

[EISER 9],

allen wonende in Curaçao,

eisers,

gemachtigde: mr. J.A.M. Burgers,

tegen

[GEDAAGDE 1],

[GEDAAGDE 2],

de naamloze vennootschappen

MISS ANN BOAT-TRIPS AND RENTALS N.V.

SECOND CHANCE WATERSPORTS N.V.,

CURACAO SAILBOAT CHARTERS N.V.,

wonende respectievelijk gevestigd in Curaçao,

gedaagden,

gemachtigden: mr. H.M. Weijand en mr. M. Woudstra,

de vennootschap naar vreemd recht

AMERICANS LOVE LIVING INC,

gevestigd in Florida, Verenigde Staten,

gedaagde,

niet verschenen.

De genoemde natuurlijke personen zullen hierna ook bij hun achternaam worden genoemd. Genoemde vennootschappen worden hierna ook aangeduid als MABT, SCW, CSC en ALL.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift 11 januari 2019, met producties;

- de oproepingsexploten met betrekking tot alle gedaagden;

- de aanvullende producties van eisers;

- de akte aanvulling gronden van eisers;

- de producties van gedaagden (voor zover verschenen);

- de mondelinge behandeling van 12 februari 2019;

- de pleitnotities van mr. Burgers en van mr. Weijand.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

gedaagde 1] is sinds 1978 eigenaar van kavel 232A in verkavelingsplan Jan Sofat.

2.2.

Eisers zijn eveneens eigenaren van kavels in Jan Sofat. Zij hebben deze kavels in eigendom verkregen na 1978. De kavels zijn als volgt verdeeld:

- [ eiser 1] kavel 106

- [ eiser 2] kavel 108

- [ eiser 3] kavel 110

- [ eiser 4] kavel 232

- [ eiser 5] kavel 230

- [ eiser 6] kavel 231

- [ eiser 7] kavel 229

- [ eiser 8] kavel 228

- [ eiser 9] kavel 227

2.3. [

gedaagde 2] is eigenaar van kavel 109.

2.4.

De ligging van de kavels is zichtbaar op onderstaande tekening (overgelegd als productie 6 bij verzoekschrift). Daarnaast is afgedrukt een luchtfoto van het onderhavige gebied, zoals thans wordt vertoond op Google Maps (een minder goed leesbare kopie is door gedaagden overgelegd als productie 12). De foto’s zijn afgedrukt met de noordzijde aan de onderkant.

2.5.

Op het verkavelingsplan Jan Sofat zijn voorschriften van toepassing, die voor zover hier van belang het volgende beding bevatten:

De percelen moeten worden bestemd voor het daarop [hebben] van stenen woningen met een minimum oppervlakte van 100 m2.

2.6.

Onderdeel van de koopovereenkomst die heeft geleid tot de eigendom van kavel 232A is een kettingbeding (hierna: het kettingbeding) dat inhoudt dat het gekochte voor geen ander doel mag worden bestemd dan voor het daarop hebben van een stenen weekend- of woonhuis.

2.7.

MABT is eigenaar van de garnalentrawler Miss Ann.

2.8.

SCW is eigenaar van de sportvisboot Second Chance.

2.9.

ALL is eigenaar van de motorboot Serendipity.

2.10.

CSC was eigenaar van de boot Miss Justine, totdat deze op 7 oktober 2017 door brand werd verwoest.

2.11. [

gedaagde 1] voert onder de naam “Miss Ann Boat-trips” een bedrijf uit, in het kader waarvan gebruik wordt gemaakt van de eerste drie genoemde schepen, en tot oktober 2017 tevens van de Miss Justine (hierna: het bedrijf).

2.12.

De bedrijfsvoering van het bedrijf bestaat (grotendeels) uit het organiseren en verzorgen van dagtrips per boot naar Klein Curaçao en andere boottochten. Het bedrijf wordt uitgeoefend vanaf de kavel van [gedaagde 1], die daartoe is ingericht voor kantoorbezigheden en de ontvangst van gasten en ook voorzien is van een steiger waarvandaan de Miss Ann en de Second Chance vertrekken. De Second Chance pendelt in dit verband heen en weer naar de elders gelegen Serendipity om bemanning en gasten over te zetten. De vaste ligplaats van de Serendipity is bij Santa Barbara.

2.13.

Voor de reguliere dagtochten naar Klein Curaçao geldt het volgende normale verloop. De tochten vinden vier keer per week plaats. Op de desbetreffende dagen worden om ongeveer 6:30 uur de twee dieselmotoren van de Second Chance gestart. Rond 6:40 uur vaart de Second Chance naar de Serendipity om de bemanning over te zetten. Na terugkeer aan de steiger vaart de Second Chance enkele keren heen en weer om alle gasten naar de Serendipity te brengen. Dit duurt tot ongeveer 7:30 uur. De gasten zijn per eigen auto of per bus (van onder andere TUI) gearriveerd. Parkeervoorziening voor de auto’s ontbreekt. Met toestemming van [gedaagde 2] worden enkele auto’s (ongeveer acht) geparkeerd op diens (onbebouwde) perceel, kavel 109. Vanaf ongeveer 17:00 uur keren de gasten terug, waarna zij door de Second Chance in kleine groepen naar de steiger van kavel 232A worden gebracht. De laatste scheepsbeweging is om ongeveer 20:00 uur.

2.14.

Geen van gedaagden beschikt over een hindervergunning als bedoeld in de Hinderverordening 1994. Een complete aanvraag is ingediend op 7 februari 2019.

2.15.

In het verleden zijn verschillende procedures gevoerd tussen [gedaagde 1] en Spaanse Water Resort N.V. (hierna: SWR). In zijn vonnis van 20 april 1990 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie als feit vastgesteld dat [gedaagde 1] vanaf zijn kavel “een plezierboot, de Miss Ann,” exploiteert. Verder heeft het Hof onder andere het volgende overwogen en beslist:

5.1

De vordering [van SWR; toevoeging gerecht] strekt tot het verkrijgen van een (met een dwangsom versterkt) verbod aan [gedaagde 1] om:

- de Miss Ann te exploiteren vanuit zijn kavel 232 A;

- met de Miss Ann te varen over de aan SWR toebehorende wateren van Jan Zoutvat.

5.2

[…]

SWR baseert haar vordering onder meer op de akte van 13 sept. 1971 waarbij zij de kavel heeft verkocht aan de rechtsvoorganger van [gedaagde 1], genaamd Wassenaar. De akte bevat een kettingbeding, zeggende dat Wassenaar en de opvolgende verkrijgers behoudens schriftelijke toestemming van SWR het gekochte voor geen ander doel mogen bestemmen dan voor het daarop optrekken of hebben van een stenen weekend- of woonhuis. De koopakte Wassenaar-[gedaagde 1] is niet omgelegd. Even aangenomen dat die akte een identiek beding bevat - dat wordt overigens niet gesteld - dan rechtvaardigt dat de actie toch niet. De eerste rechter heeft terecht overwogen dat uit het overgelegde koopcontract niet valt te lezen dat het zonder toestemming exploiteren van een boot is verboden. De eerste grief is dus ongegrond. Voorzover de vordering steunt op een kettingbeding is zij niet-toewijsbaar.

Een andere grondslag is: onduldbare overlast. Ook die grondslag is ondeugdelijk. Aan de hand van door SWR niet betwiste getuigenverklaringen heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat geen sprake is van zodanige overlast dat een verbod gerechtvaardigd zou zijn. Ook de tweede grief wordt dus verworpen.

Voor de goede orde wijst het hof er op, dat hier een oordeel is uitgesproken over de overlast die bestond eind 1989. Het oordeel geldt niet voor de periode daarna.

Het vonnis van het Hof is door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juni 1992 bekrachtigd (NJ 1992/539).

2.16.

In 2015 heeft SWR een nieuwe bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij vordert dat [gedaagde 1] en MABT hun bedrijfsactiviteiten staken. In deze procedure (met zaaknummer CUR201601408/CUR201602059) is vandaag vonnis gewezen.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het volgende:

I. [gedaagde 1] en gedaagden sub B te bevelen om met ingang van de betekening van het in deze te wijzen vonnis alle commerciële activiteit op en vanaf de kavel, en vanaf daar alle af- en aanvaarten, direct te staken althans te doen staken en gestaakt te houden;

II. [gedaagde 1] en gedaagden Sub B te verbieden op of vanaf de kavel in de wateren voor en bij de kavel schepen commercieel te exploiteren;

III. [gedaagde 1] en gedaagden sub B te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het in

deze te wijzen vonnis de Miss Ann en de Second Chance naar elders te verhalen;

IV. [gedaagde 1] en gedaagden sub B te verbieden om anders dan in huiselijke kring en privé op de kavel nog feesten te organiseren, te houden of toe te staan, met dien verstande dat in huiselijke kring en privé gegeven feesten de door de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur gehanteerde geluidsnorm […] niet te boven gaat:

V. [gedaagde 1] en gedaagden sub B hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van NAF 10.000 per overtreding van de sub I tot en met IV gevorderde ge- en verboden dan wel de niet naleving daarvan, en per dag dat de overtreding daarna voortduurt;

VI. vanaf het moment van betekening van het in deze te wijzen vonnis gedaagde sub C te verbieden zijn kavel nog langer te (doen) gebruiken / voor het parkeren van voertuigen, meer met name voertuigen van (gasten van) het bedrijf, zulks op straffe van een door

gedaagde sub C te verbeuren dwangsom van NAF 10.000 per dag of dagdeel dat hij daarvan in overtreding is;

VII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Gedaagden (voor zover verschenen) voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eisers in de proceskosten.

4 De beoordeling

De vordering jegens [gedaagde 1], MABT, SCW, CSC en ALL

4.1.

Bij de processtukken bevindt zich met betrekking tot ALL een exploot waaruit blijkt dat zij rechtsgeldig is opgeroepen. Desondanks is ALL niet verschenen. De aard van de rechtsverhouding vergt dat jegens alle hier bedoelde gedaagden (met uitzondering van CSC, zie hierna) een eensluidend vonnis wordt gewezen. Hetgeen hierna wordt overwogen en beslist geldt dus ook met betrekking tot ALL.

4.2.

Gedaagden hebben aangevoerd dat CSC een niet-actieve vennootschap is sinds de verwoesting van de Miss Justine, zodat zij niet bijdraagt aan (beweerdelijk) overlastgevende activiteiten. Eisers hebben dit niet weersproken. Dit betekent dat de vorderingen jegens CSC niet toewijsbaar zijn. Waar in het navolgende wordt gesproken van “gedaagden” worden [gedaagde 1], MABT, SCW en ALL bedoeld.

4.3.

Eisers stellen dat zij voortdurend hinder ondervinden van de bedrijfsactiviteiten van gedaagden. Het gaat hier dus volgens eisers om een voortdurend onrechtmatig handelen. Gelet hierop hebben eisers voldoende onderbouwd dat zij spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Het enkele feit dat zij geruime tijd hebben laten verstrijken voordat zij het onderhavige kort geding zijn begonnen, doet daar niet aan af.

4.4.

Evenmin doet aan dat spoedeisende belang af dat ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift nog een bodemprocedure tussen SWR en [gedaagde 1] en MABT aanhangig was. Dat betreft immers een andere procedure tussen deels andere partijen. Het toetsingskader is mogelijk deels hetzelfde (onrechtmatige hinder), maar de concrete beoordeling is anders omdat hinder jegens de een niet per se en ook niet in beginsel betekent dat ook jegens de ander sprake is van hinder.

4.5.

Het gerecht begrijpt het standpunt van eisers aldus dat zij zich primair beroepen op nakoming door [gedaagde 1] van het kettingbeding. Eisers stellen daartoe dat het hier gaat om een derdenbeding en dat zij daarom op dit beding een beroep kunnen doen. Naar voorlopig oordeel van het gerecht echter kan, ook als juist zou zijn dat het gaat om een derdenbeding waarop eisers een beroep kunnen doen, dit betoog niet leiden tot toewijzing van enig deel van de vorderingen. Het Hof heeft in zijn vonnis van 20 november 1990 geoordeeld dat het onderhavige beding aldus moet worden uitgelegd dat daarin niet valt te lezen dat het zonder toestemming exploiteren van een boot is verboden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 juni 1992 overwogen dat het voor de hand ligt dat het Hof bij genoemde overweging de exploitatie vanuit het woonhuis van [gedaagde 1] voor ogen heeft gehad. Dit oordeel heeft in de verhouding tussen partijen in dit kort geding geen gezag van gewijsde, nu het een procedure tussen andere partijen betreft. Niettemin komt aan dit oordeel in zoverre betekenis toe, dat van eisers in het kader van deze procedure verwacht had mogen worden feiten te stellen die nopen tot een andere uitleg van het kettingbeding. Dergelijke feiten hebben zij echter niet gesteld. Het gerecht acht daarom niet aannemelijk dat de bodemrechter, in een geschil waarbij eisers partij zijn, tot een andere uitleg van het kettingbeding komt.

4.6.

Gelet hierop moet worden aangenomen dat het [gedaagde 1] niet is verboden om vanuit kavel 232A een boot (commercieel) te exploiteren. De vorderingen I tot en met III strekken echter wel tot een verbod op zodanige exploitatie. Een dergelijk verbod is dus niet toewijsbaar op grond van het kettingbeding.

4.7.

Dat de commerciële exploitatie van een boot vanaf kavel 232A volgens het kettingbeding niet is verboden, laat echter onverlet de mogelijkheid dat gedaagden onrechtmatige hinder aan eisers toebrengen. Het gerecht leest het betoog van eisers zo dat zij zich subsidiair daarop beroepen.

4.8.

In verband met het beroep op onrechtmatige hinder is van belang dat eisers niet allemaal in dezelfde positie verkeren. Zij zijn weliswaar allemaal eigenaar van een kavel in de nabijheid van kavel 232A, maar sommige kavels liggen aan het water ‘boven’ kavel 232A, andere liggen landinwaarts nabij de plek waar de toeristen kavel 232A binnenkomen. Dit betekent dat de door eisers geuite klachten van inkijk in hun tuinen, vervuiling van het water bij hun kavel en golfslag niet kunnen gelden voor de eisers die hun kavel landinwaarts hebben. Dat betreft [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3]. Omdat eisers zelf geen onderscheid maken, zal het gerecht hierna ingaan op de klachten die blijkens de overgelegde verklaringen voor alle kavels gelden, namelijk de geluids- en de parkeeroverlast.

4.9.

Ten aanzien van [eiser 4], [eiser 5], [eiser 8] en [eiser 9] hebben gedaagden aangevoerd dat zij niet (permanent) op hun kavel wonen, zodat zij reeds om die reden geen hinder kunnen ondervinden. Voor wat betreft [eiser 4] staat vast dat hij zijn woning verhuurt. Hij heeft concreet gesteld dat eerder huurders zijn vertrokken vanwege de ervaren hinder. [eiser 5] heeft verklaard dat hij zijn woning wil verkopen, maar dat geïnteresseerden afhaken als zij ontdekken dat de kavel direct naast die van [gedaagde 1] ligt. Voor beiden geldt daarom dat zij wel degelijk hinder ondervinden. Voor wat betreft [eiser 8] en [eiser 9] geldt dat ook sprake kan zijn van (onrechtmatige) hinder als men niet permanent op de desbetreffende kavel aanwezig is. De navolgende beoordeling geldt dus ook ten aanzien van deze eisers.

4.10.

Op grond van artikel 5:37 BW is het de eigenaar van een erf niet toegestaan aan eigenaars van andere erven hinder toe te brengen op een wijze die onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, zoals door het verspreiden van rumoer, stank, rook of gassen. Uit deze omschrijving volgt dat niet iedere overlast onrechtmatig is. Enige hinder zal vaak onvermijdelijk zijn en moet ook rechtens geduld worden. Of sprake is van onrechtmatige hinder hangt volgens vaste rechtspraak af van de aard, de ernst en de duur van de hinder, van de toegebrachte schade en van de overige omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. In dit verband is mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder zich ter plaatse heeft gevestigd vóór of ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden.

4.11.

Uit de vaststaande feiten volgt dat in het kader van de bedrijfsuitoefening van [gedaagde 1] inmiddels sprake is van structurele en grootschalige activiteit. Tenminste vier keer per week ontvangt het bedrijf van [gedaagde 1] tientallen gasten, die vervolgens met de Second Chance in kleine groepjes heen en weer worden gevaren vanaf de steiger van kavel 232A naar de verderop gelegen Serendipity. Dit vindt plaats in de vroege ochtend en de vroege avond en gaat gepaard met het geluid en de uitstoot van dieselmotoren. De gasten arriveren met bussen of parkeren hun auto in de buurt. Al deze activiteit vindt plaats in en rondom een smalle uitloper van het Spaanse Water, waarbij geldt dat kavel 232A aan het uiteinde van die uitloper is gelegen, zodat de boten van [gedaagde 1] noodgedwongen eerst de andere kavels van de buren op korte afstand moet passeren. Infrastructurele voorzieningen voor bedrijfsactiviteit van deze omvang zijn niet aanwezig. Kavel 232A beschikt slechts over een smalle steiger en parkeergelegenheid voor de gasten ontbreekt. Afgezien van de jachthaven aan de overzijde van de uitloper, heeft dit deel van Jan Sofat een residentieel karakter.

4.12.

Eisers hebben ten aanzien van de geluidsoverlast gesteld dat de Second Chance is uitgerust met twee verouderde dieselmotoren die een laagfrequent geluid produceren. Dit geluid is van dien aard dat het ver draagt en ook binnenshuis niet te ontlopen is. Gedaagden hebben dit niet betwist, zodat het gerecht van de juistheid ervan uitgaat.

4.13.

Eisers hebben door een deurwaarder een meting van het geluidsniveau laten uitvoeren. De meting is verricht vanaf de kavel van [eiser 5] (nummer 230) in een tijdvak dat de Second Chance aan het einde van de dag gasten terugbracht naar kavel 232A. Uit de meting van de deurwaarder blijkt een gemiddeld niveau van 63,6 dB bij een stationair draaiende Second Chance, met maxima van 67 dB bij wegvaren. Eisers hebben gesteld dat gedaagden daarmee ruimschoots de norm overschrijden die door het Ministerie van GMN wordt gehanteerd voor stedelijk gebied (namelijk vóór 7:00 uur ’s ochtends 45 dB, overdag 55 dB en na 19:00 uur ’s avonds 50 dB).

4.14.

Gedaagden hebben aangevoerd dat de meting door de deurwaarder niet met officiële meetapparatuur is verricht. Zij hebben een rapport overgelegd van een ambtenaar van het Ministerie van GMN, die, kennelijk op verzoek van gedaagden, een geluidsmeting heeft gedaan. Hij heeft klaarblijkelijk ook gemeten in het tijdvak dat de Second Chance aan het einde van de dag gasten naar kavel 232A terugbracht. Hij heeft een gemiddeld geluidsniveau van 61,4 dB gemeten en 76,3 dB voor laagfrequent geluid. Volgens dit rapport gelden voor het onderhavige gebied de normen die gelden voor de categorie “nabij hoofdweg”, te weten 50 dB vóór 7:00 uur ’s ochtends, 60 dB overdag en 55 dB na 19:00 uur ’s avonds. De rapporteur concludeert dat het door de Second Chance geproduceerde geluid “geen gezondheidsgevaar” voor de omwonenden oplevert, omdat “het risico op gehoorschade” zich pas voordoet bij 80 dB gedurende meer dan acht uur.

4.15.

Het in 4.12 tot en met 4.14 overwogene brengt het gerecht tot het voorlopige oordeel dat gedaagden met de Second Chance meer geluid produceren dan eisers behoeven te dulden.

4.16.

Voorop gesteld wordt dat uit de rapporten van de ambtenaar van GMN en van de deurwaarder moet worden afgeleid dat het geluid afkomstig is van de Second Chance en niet van de nabijgelegen jachthaven. Dit sluit aan bij de onbetwiste stelling van eisers dat op die jachthaven slechts kleinere boten worden toegelaten. Verder geldt dat, als uitgegaan wordt van de resultaten van de meting door de ambtenaar van GMN en de door hem gehanteerde normen (“nabij hoofdweg”), het gemiddelde geluidsniveau nog steeds boven die norm ligt. Belangrijker is dat dit een algeheel gemiddelde betreft, terwijl de ondervonden hinder specifiek betrekking heeft op laagfrequent geluid dat door de dieselmotoren wordt veroorzaakt. Blijkens de bevindingen van de rapporteur is het gemiddelde niveau van laagfrequent geluid aanzienlijk hoger: 76,3 dB.

4.17.

Van belang is verder dat de rapporteur kennelijk slechts één shift van de Second Chance heen en weer naar de Serendipity heeft gemeten, terwijl eisers onbetwist hebben gesteld dat de Second Chance in de regel meerdere keren heen en weer vaart om iedereen over te zetten. Dat is van belang, omdat de geluidsoverlast in het algemeen dus aanmerkelijk langer duurt dan de rapporteur heeft waargenomen. Ook van belang acht het gerecht dat de metingen zijn verricht aan het einde van de middag (tot 17:35 uur), terwijl volgens de onbetwiste stellingen de activiteiten van de Second Chance ruim vóór 7:00 uur ’s ochtends beginnen en ’s avonds na 19:00 uur nog doorgaan, terwijl voor die tijdvakken strengere normen gelden. Het gerecht leidt ten slotte uit het rapport van de ambtenaar af dat hij de noodzaak om maatregelen te treffen heeft bepaald aan de hand van het risico op fysieke schade bij de omwonenden. Daar gaat het echter niet om. Het gaat om hinder veroorzaakt door laagfrequent geluid. Dat daardoor het gehoororgaan niet beschadigd raakt is niet van belang.

4.18.

De kwestie van de parkeeroverlast hangt naar voorlopig oordeel van het gerecht samen met de ligging van het bedrijf, de omvang ervan en het residentiële karakter van de omgeving. Incidentele bezoekers die hun auto langs de weg parkeren leveren geen rechtens relevante hinder op. Het wordt anders als structureel om de andere dag, mogelijk vaker, een groot aantal auto’s langs de weg wordt geparkeerd omdat niet voorzien is in ordentelijke parkeergelegenheid voor een bedrijf als dat van gedaagden. Die situatie doet zich hier voor.

4.19.

Eisers hebben hun kavels pas in eigendom verkregen nadat [gedaagde 1] zich al op kavel 232A had gevestigd en vanaf zijn kavel een boot (de Miss Ann) exploiteerde. Volgens vaste rechtspraak zal daarom minder snel van onrechtmatige hinder sprake zijn. Dat is echter geen vrijbrief voor hinder. In dit geval hebben eisers onbetwist gesteld dat de omvang van het bedrijf de laatste jaren fors is toegenomen. Zij hebben dit onderbouwd met de stelling dat de (grotere) Serendipity thans de reguliere dagtochten naar Klein Curaçao verzorgt, in plaats van de (kleinere) Miss Ann die door [gedaagde 1] al sinds medio jaren ’80 werd gebruikt. Ook hebben zij erop gewezen dat inmiddels twee boten aan de steiger liggen (tot oktober 2017 zelfs drie), terwijl daar voorheen alleen de Miss Ann werd afgemeerd. Hiertegenover hebben gedaagden geen relevante feiten aangevoerd. Het gerecht gaat er daarom vanuit dat het bedrijf thans meer hinder veroorzaakt dan in het verleden.

4.20.

Voor de onrechtmatigheid van de toegebrachte hinder kan van belang zijn in hoeverre door de hinder veroorzakende partij maatregelen zijn genomen om de hinder te verminderen. In dat verband hebben eisers gesteld dat zij op hun klachten nul op het rekest hebben gekregen. Wel hebben gedaagden de plek waar de Serendipity ligt om passagiers aan boord te nemen of af te zetten verplaatst richting het open water van het Spaanse Water, maar dat draagt niet bij aan vermindering van de hinder die van het heen en weer varen van de Second Chance het gevolg is en evenmin van de hinder die verband houdt met de grote aantallen bezoekers. De reactie van [gedaagde 1] op een klacht van een omwonende over geluidsoverlast, door eisers overgelegd, getuigt niet van bereidheid om de overlast zoveel mogelijk te beperken.

4.21.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd, brengt het gerecht tot het voorlopige oordeel dat gedaagden onrechtmatige hinder veroorzaken door het bedrijf op de huidige wijze te exploiteren. Daaraan doet niet af dat er, zoals blijkt uit de door gedaagden overgelegde stukken, kennelijk ook omwonenden zijn die geen hinder zeggen te ervaren.

4.22.

Gedaagden hebben erop gewezen dat het bedrijf financieel “lamgeslagen” zal worden als de vorderingen inzake het verbod op exploitatie wordt toegewezen. Hiertegenover hebben eisers aangevoerd dat er alternatieven zijn, maar dat gedaagden weigeren die te onderzoeken of te benutten. Concreet is ter zitting ter sprake gekomen om welke reden gedaagden het bedrijf niet vanaf de ligplaats van de Serendipity in Santa Barbara exploiteren. Volgens gedaagden moet in dat geval per bezoeker NAf 25 entree betaald worden, waarmee het bedrijf zichzelf uit de markt zou prijzen. Eisers hebben dat echter betwist. Van de zijde van gedaagden is vervolgens opgemerkt dat hierover met de exploitant van Santa Barbara nog overleg plaatsvindt. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat voor gedaagden daadwerkelijk geen economisch verantwoord alternatief voorhanden is. Voor zover hierover nog onzekerheid resteert, had het op de weg van gedaagden gelegen om daarnaar eerder onderzoek te doen.

4.23.

Eisers vorderen een algeheel verbod op commerciële exploitatie door gedaagden vanaf kavel 232A. Deze vordering kan, zo geformuleerd, niet worden toegewezen. Niet van iedere commerciële activiteit kunnen eisers immers een verbod vorderen, alleen van die activiteiten die voornoemde hinder tot gevolg hebben. Die hinder wordt veroorzaakt door de exploitatie van schepen van omvang en type als die van de Serendipity, Second Chance en Miss Ann. Bij gebreke van aanknopingspunten om het verbod anders te formuleren, zal gedaagden daarom worden verboden voort te gaan met de exploitatie van deze met name genoemde schepen. Om gedaagden gelegenheid te geven hun bedrijfsvoering aan te passen en eventueel een andere opstapplaats te vinden, zal een termijn van zes maanden worden gegeven na afloop waarvan het verbod ingaat. De vordering inzake het verwijderen van de Miss Ann en de Second Chance zal worden afgewezen, nu eisers daarbij geen belang hebben. De aanwezigheid van beide boten aan de steiger van [gedaagde 1] levert jegens eisers immers geen onrechtmatige hinder op.

4.24.

Eisers vorderen voorts een verbod voor gedaagden om anders dan in privéverband feesten te organiseren op kavel 232A. Eisers hebben verklaringen van omwonenden in het geding gebracht, waarin gesproken wordt over feesten op commerciële basis en jamsessies waarbij geluidsoverlast wordt veroorzaakt. Gedaagden hebben betwist dat zij op commerciële basis feesten organiseren. In een reactie op een klacht van een omwonende (niet een van eisers) heeft [gedaagde 1] laten weten dat het geluid “niet boven de norm” was en dat de klager zich “aan de lokale bevolking” moet aanpassen.

4.25.

Gelet op de verschillende overgelegde verklaringen acht het gerecht voldoende aannemelijk dat op de kavel van [gedaagde 1] bij gelegenheid feesten worden georganiseerd die tot geluidsoverlast leiden. Uit de weergegeven reactie van [gedaagde 1] leidt het gerecht af dat hij net als eisers van mening is daarbij aan een norm gebonden te zijn. Anderzijds wijst zijn reactie er niet op dat hij bereid is rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van omwonenden. Dit maakt dat aanleiding bestaat een voorziening te treffen zoals door eisers gevorderd. Eisers hebben gesteld dat de te hanteren norm moet worden gesteld op hetgeen het Ministerie van GMN hanteert voor een stadsgebied, te weten 55 dB tussen 7:00 uur en 19:00 uur, 50 dB tussen 19:00 uur en 23:00 uur en 45 dB tussen 23:00 uur en 7:00 uur. Deze norm zal worden gehanteerd. De voorziening zal direct ingaan. De vordering zal alleen jegens [gedaagde 1], als eigenaar van de kavel, worden toegewezen.

4.26.

De in 4.23 en 4.25 bedoelde voorzieningen zullen worden versterkt met een dwangsom zoals in het dictum omschreven.

De vordering jegens [gedaagde 2]

4.27.

De vordering jegens [gedaagde 2] strekt ertoe dat hem wordt verboden zijn (onbebouwde) kavel ter beschikking te stellen van [gedaagde 1] om auto’s van toeristen te parkeren. Eisers menen dat hij hiermee onrechtmatige hinder veroorzaakt. [gedaagde 2] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.28.

Het gerecht is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is. In de eerste plaats is van belang dat [eiser 2], wiens kavel direct grenst aan die van [gedaagde 2], volgens [gedaagde 2] uitdrukkelijk heeft ingestemd met het gebruik van de kavel voor het parkeren van enkele auto’s. [eiser 2] heeft dit weliswaar betwist, maar wie van partijen op dit punt gelijk heeft kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. Daarbij komt dat naar voorlopig oordeel in onvoldoende mate is gebleken van dusdanige hinder dat deze onrechtmatig is vanwege het enkele feit dat op de kavel van [gedaagde 2] (die volgens zijn onbetwiste stelling ongeveer 1.000 m2 groot is) enkele auto’s worden geparkeerd. Het betreft hier kennelijk auto’s van gasten van [gedaagde 1], die anders langs de weg zouden worden geparkeerd en daarmee juist zouden bijdragen aan de hinder die daardoor wordt veroorzaakt. Dat maakt nog niet dat ook het parkeren op de kavel van [gedaagde 2] als zodanig als onrechtmatige hinder moet worden beschouwd.

De proceskosten

4.29.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaagde 1], MABT en SCW worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. Deze worden begroot op NAf 1.783,99 aan explootkosten (voor zover deze niet betrekking hebben op CSC), NAf 450 aan griffierecht en NAf 1.500 aan salaris.

4.30.

Eisers zullen worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 2], begroot op NAf 1.500 aan salaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

wijst af de vorderingen jegens CSC;

5.2.

verbiedt [gedaagde 1], MABT, SCW en ALL uiterlijk vanaf zes maanden na betekening van dit vonnis het bedrijf te exploiteren met gebruikmaking van de Serendipity, de Miss Ann en de Second Chance vanaf (de steiger van) kavel 232A, onder verbeurte van een dwangsom van NAf 5.000 per overtreding van dit verbod met een maximum van NAf 500.000;

5.3.

verbiedt [gedaagde 1] om anders dan in privéverband op kavel 232A feesten te houden of toe te staan en bij feesten in privéverband meer geluid te produceren dan overeenkomstig de in 4.25 bedoelde norm, onder verbeurte van een dwangsom van NAf 500 per overtreding van dit verbod met een maximum van NAf 50.000;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1], MABT, SCW en ALL hoofdelijk in de proceskosten van eisers, begroot op NAf 3.733,99;

5.5.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 2], begroot op NAf 1.500;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar

uitgesproken op 25 februari 2019.