Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:345

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
CUR201903057
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtmatige eigenaar perceel - erfrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. Ir. I.F. Moeniralam,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift van 27 augustus 2019, met producties;

- de behandeling ter zitting van 16 september 2019;

- de pleitnotities van beide partijen.

1.2.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

In de registers van het kadaster te Curacao staat een huis met bijgebouwen en een erf, gelegen in het Stadsdistrict van Curaçao plaatselijk bekend als [het perceel] (hierna: “het perceel”), geregistreerd op naam van (wijlen) [naam wijlen]. Enig erfgenaam van [naam wijlen] was [naam 1], die op 14 november 2005 is overleden.

2.2.

Zowel [eiseres] als [gedaagde] stellen (economisch) eigenaar te zijn van het perceel.

2.3. [

Eiseres] beroept zich op overeenkomst van economische eigendomsoverdracht tussen haar en [naam 2] van 15 november 2012, waarbij de economische eigendom van voornoemd perceel, inclusief het recht op levering daarvan, aan [eiseres] wordt overgedragen.

2.4. [

Gedaagde] baseert zijn stelling dat hij economisch eigenaar is op een overeenkomst van 16 maart 2006 en een “Conveyance of Property” van 6 januari 2010, waarin [naam 3] en [naam 4] verklaren eigenaar te zijn van het perceel, en dat zij die rechten schenken aan hun neef [naam 5].

2.5.

Ingevolge het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van

23 september 2013 (AR 58607/2012) gewezen tussen [gedaagde] en [naam 2], heeft [gedaagde] gevorderd om voor recht te verklaren dat hij economisch eigenaar is van het perceel. Het Gerecht heeft de vordering van [gedaagde]afgewezen; verwezen wordt naar r.o. 3, voor zover van belang:

“(…) Dit betekent dat [naam 3] zijn rechten slechts met medewerking van(der ervan van) [naam 1] kon overdragen. De akte van 6 januari 2010 heeft [gedaagde] dan ook geen partij bij de overeenkomst en derhalve ook geen rechthebbende op het perceel gemaakt.

(…)”

2.6.

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft bij vonnis van

24 december 2014, het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg bevestigd.

2.7.

De Stichting Afwikkeling Nalatenschappen (hierna: SAN), is door het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao belast met de vereffening van de nalatenschap van wijlen heer [naam 1]. De opdracht van het Gerecht hield in dat SAN het perceel in eigendom overdraagt aan degene die daar recht op heeft. SAN is eerst tot het voorlopige oordeel gekomen dat het het meest waarschijnlijk is dat [gedaagde] de rechtmatige eigenaar is. In 2018 heeft SAN geconcludeerd dat ze niet tot een beslissing heeft kunnen komen wie de rechtmatige eigenaar is en dat het Gerecht daarover een beslissing zal moeten nemen.

2.8.

Op 2 april 2015, 7 oktober 2015 en 28 mei 2019 heeft [eiseres] aangifte gedaan tegen [gedaagde] wegens bedreiging.

2.9.

Bij brief van 19 augustus 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres] is [gedaaagde] aansprakelijk gesteld voor het toebrengen van beschadigingen in c.q. aan het bij het perceel behorende opslaghuisje en de weggegooide inboedel ter waarde van NAf 5.7676,98. Voorts heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht om het gestorte diabaas te doen verwijderen.

3 Het geschil

3.1. [

Eiseres] vordert dat het gerecht bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Te verklaren voor recht dat [eiseres] economisch eigenaar is van:

-de rechter en aanspraken, inclusief het recht van levering daarvan op een perceel grond gelegen te [het perceel] in het Stadsdistrict Curacao Kadastraal bekend als Stadsdistrict Sectie A nummer 5479 groot 128 m2;

-alle rechten ten aanzien van op gemeld perceel staande opstallen.

II. Te bepalen dat [gedaagde] het door hem gestortte diabaas binnen 2 maal 24 uur verwijdert en het opslaghuisje in haar oorspronkelijke staat herstelt;

III. [gedaagde] een dwangsom op te leggen van NAf 1.000,00 per dagdeel dat hij [eiseres] de toegang verhinderd tot het opslaghuisje te [het perceel];

IV. Dat [gedaagde] te veroordelen tot NAf 5.767,98 aan materiele schade als gevolg van onrechtmatige handelen geleden door [eiseres], vermeerderd met de wettelijke rente en incassokosten tot de dag van algehele voldoening;

V. Onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen deurwaarderskosten, griffierechten, zegelkosten en het salaris van de gemachtigde.

3.2. [

Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij ingevolge onder meer het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van 23 september 2013 en het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 2 december 2014, de beslissing van de Huurcommissie van 29 augustus 2014 en het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg 30 december 2014, bij uitsluiting van ieder ander de enige rechthebbende is op het perceel.

3.3. [

Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een vordering in kort geding is alleen toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. Het Gerecht dient daarom te beoordelen of de vorderingen van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop de toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Daarbij dient te worden uitgegaan van de gestelde en ter zitting gebleken feiten waarbij toetsing maar beperkt mogelijk is, aangezien een kort geding procedure zich naar haar aard niet goed leent voor nadere bewijslevering.

4.2. [

Eiseres] vordert primair een verklaring voor recht dat zij economisch eigenaar is van het perceel. Deze vordering stuit af op het karakter van de onderhavige procedure. De procedure in kort geding leent zich slechts voor het treffen van een ordemaatregel in een spoedeisende situatie en is niet bedoeld om de rechtspositie van partijen vast te stellen (HR 2 april 1977, NJ 1977, 361). Nu het gevorderde reeds hierop strandt treffen ook de vorderingen onder II. En III., die door [eiseres] zijn ingesteld in hoedanigheid van eigenaar van het perceel, geen doel. Het debat over de vraag wie economisch eigenaar is van het perceel kan derhalve onbesproken blijven. Ten overvloede merkt het Gerecht op dat partijen tijdens de mondelinge behandelingen hebben aangegeven dat het geschil omtrent de vraag wie de rechtmatige eigenaar van het perceel is, gelet op de eerdere uitspraken van het Gerecht en het advies van de SAN, nog onbeslecht is tussen partijen en dat partijen zich hierover zullen wenden naar het Gerecht.

4.3.

Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding van NAf 5.767,98 wegens vernieling en weggegooide eigendommen van [eiseres], oordeelt het Gerecht als volgt. [Eiseres] stelt dat [gedaagde] haar spullen moet hebben vernield, omdat hij haar ook heeft bedreigd. [Eiseres] heeft niet zelf waargenomen dat [gedaagde] haar spullen heet vernield. Evenmin heeft zij daarvan aangifte gedaan bij de politie. De buurvrouw van [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dat [gedaagde] die spullen heeft vernield. Niet duidelijk is geworden, hoe de buurvrouw aan die wetenschap komt. Daar tegenover heeft [gedaagde] ter zitting betwist dat hij degene is die de spullen van [eiseres] in het opslaghuisje heeft vernield. Aldus valt uit de door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden niet zonder meer af te leiden, dat [gedaagde]de eigendommen van [eiseres] in het opslaghuisje heeft vernield en weggegooid. Er bestaat dus onzekerheid over de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres]. Zonder uitgebreide bewijslevering, waarvoor in kort-geding geen plaats is, is de juistheid van deze stelling van [eiseres] dan ook niet vast te stellen, zodat voorshands hieraan moet worden voorbij gegaan. Derhalve zal vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.

4.4.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. [eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], die op nihil worden begroot.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde], begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 september 2019.

AP