Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:32

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
Cur201900702
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kindercarnaval Curaçao. Bewaarder moet dranghekken afgeven aan het Land ten behoeve van carnavalsoptochten. Goederen bestemd voor openbare dienst. Geen uitoefening retentierecht. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

IN KORT GEDING

in de zaak van:

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

te Curaçao,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigden: mrs. S.S.J. Vierbergen en E. Kleist,

tegen

[GEDAAGDE],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigden: mr. A.K.E. Henriquez en O.E. Kostrzewski.

Partijen worden hierna aangeduid als het Land en gedaagde.

1 Verloop van de procedure

Het Land heeft hedenmorgen een verzoekschrift met stukken ingediend. Namens gedaagde is een eis in reconventie ingediend.

Het kort geding is ter zitting van 13.30 uur behandeld. De gemachtigden hebben gepleit en pleitnotities en nadere stukken overgelegd.

Uitspraak is bepaald om 17.00 uur.

2 De vorderingen en het verweer

2.1

Het Land vordert in conventie:

A. gedaagde te veroordelen om het Land toegang te verschaffen tot het perceel [adres van gedaagde] teneinde het Land in de gelegenheid te stellen om de aan het Land in eigendom toebehorende dranghekkencontainers te verwijderen en deze vervolgens te kunnen gebruiken voor het bevorderen van de veiligheid van de deelnemers aan de carnavalsoptochten;

B. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2

Gedaagde vordert in reconventie:

A. het Land te veroordelen tot betaling van een vergoeding aan gedaagde van NAf 2.100 per maand of een deel van een maand, vermeerderd met 15% incassokosten en de wettelijke rente vanaf het vervallen van iedere termijn tot en met de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat ter bepaling van het aantal maanden waarover de vergoeding verschuldigd zal zijn, zal worden gerekend vanaf 1 januari 2016 tot en met de maand waarin het Land alle containers en dranghekken zal hebben verwijderd van het litigieuze terrein.

B. te bepalen dat het Land eerst tot wegneming van de dranghekken en containers van het litigieuze terrein over kan gaan, nadat zij al hetgeen zij uit hoofde van het in deze te wijzen vonnis aan gedaagde verschuldigd is, ook daadwerkelijk aan gedaagde heeft voldaan.

C. het Land te veroordelen in de reële kosten van dit geding zowel in conventie als in reconventie, begroot op NAf 15.000.

2.3

Partijen hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de tegen hen ingestelde vorderingen. Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling waar nodig worden ingegaan.

3 De beoordeling

het geschil

3.1

Op het bij gedaagde in gebruik zijnde perceel huurgrond te Ronde Klip staan twaalf containers met daarin ongeveer 5.000 dranghekken. Deze dranghekken heeft het Land in februari 2015 gekocht van Girobank N.V. Girobank had voor de opslag van de containers een huurovereenkomst met gedaagde. De overeengekomen huur bedroeg NAf 2.100 per maand. Deze huurovereenkomst is aanvankelijk door het Land voortgezet en nagekomen. In 2017 heeft het Land echter het standpunt ingenomen dat het Land niet gehouden is tot betaling. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat het Land wel degelijk gehouden is tot betaling en inmiddels bijna NAf 80.000 aan haar verschuldigd is aan achterstallige huurtermijnen.

3.2

Namens het Land is deze dagen tevergeefs gepoogd de dranghekken van het terrein van gedaagde weg te halen. Gedaagde heeft aan haar medewerking de voorwaarde verbonden dat het Land tot betaling overgaat.

3.3

Het Land stelt de dranghekken te willen gebruiken, op advies van de politie, voor bij de komende carnavalsoptochten, om te beginnen bij het kindercarnaval dat zondag 24 februari, morgen dus, plaatsvindt. Het Land vordert veroordeling van gedaagde om eraan mee te werken dat het Land de dranghekken bij gedaagde ophaalt.

3.4

Gedaagde vordert veroordeling van he Land tot betaling van de volgens haar achterstallige huur voor het stallen van de containers.

spoedeisend belang

3.5

Aannemelijk is geworden dat het Land met het oog op de openbare orde en de veiligheid een deel van de dranghekken nodig heeft voor een deel van de route (bij het Brionplein) van het kindercarnaval dat morgen plaatsvindt. Het spoedeisend belang van het Land bij het gevorderde is daarmee gegeven.

alternatieve oplossingen

3.6

Ter zitting is aan partijen als voorlopige oplossing voorgesteld dat de dranghekken vandaag door het Land worden opgehaald en na carnaval weer worden teruggezet op het perceel van gedaagde, en dat deze zaak op de voet van artikel 228 Rv wordt verwezen naar de gewone procedure, zodat in een bodemprocedure over de betalingsaanspraken van gedaagde kan worden beslist. Geen van partijen voelde voor een dergelijke tijdelijke oplossing. Het Land heeft elders opslagmogelijkheden, op domeingrond, en gedaagde is de containers (behalve als pressiemiddel), liever kwijt dan rijk en heeft andere plannen met het perceel. Als een alternatief voor een voorlopige oplossing is door gedaagde nog voorgesteld dat het Land zekerheid stelt voor gedaagdes vordering door middel van een bankgarantie of een storting in escrow. De vertegenwoordigers van het Land stelden echter daartoe niet bevoegd te zijn en dat iets dergelijks bovendien zeker niet tijdig zou kunnen worden geregeld.

3.7

Er zal dan ook moeten worden beslist op de vorderingen zoals die door partijen zijn geformuleerd.

retentierecht en goederen bestemd voor openbare dienst

3.8

Vaststaat dat het Land eigenaar is van de containers en dranghekken die zich op het terrein van gedaagde bevinden. Gedaagde stelt haar medewerking aan het weghalen van de goederen door het Land afhankelijk van de betaling van haar vordering op het Land terzake huur/opslagkosten, en beroept zich daarmee op een recht van retentie. Niet betwist is dat het hier gaat om goederen bestemd voor de openbare dienst. Dergelijke goederen zijn ingevolge artikel 436 Rv niet vatbaar voor beslag. Dit brengt mee dat gedaagde, in geval haar vordering in rechte zou worden toegewezen, zich niet op deze goederen zal kunnen verhalen.

3.9

De regel van artikel 436 Rv vormt een uitzondering op het uitgangspunt dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn verplichtingen. De ratio daarvan is dat het onwenselijk is dat de uitvoering van publieke taken wordt doorkruist door beslag op goederen die bij die uitvoering worden aangewend. Gelet op die ratio moet worden geoordeeld dat gedaagde geen recht van retentie toekomt op de dranghekken, omdat deze bij handhaving van de retentie niet kunnen worden gebruikt ten behoeve van de veiligheid van deelnemers en publiek bij de komende carnavalsoptochten. De tegenwerping van gedaagde dat het Land slechts hoeft te betalen om over de dranghekken te kunnen beschikken, gaat niet op. Deze tegenwerping gaat voorbij aan de ratio van de immuniteit van goederen bestemd voor openbare dienst: de uitvoering van publieke taken met die goederen mag niet worden belemmerd. Een aspirant-beslaglegger kan evenmin de betaling van zijn vordering als voorwaarde stellen voor het afzien van beslaglegging op goederen bestemd voor de openbare dienst.

3.10

Van belang bij het voorgaande is voorts dat het in het onderhavige geval niet om een erkende of evidente vordering gaat. Het Land heeft met verwijzing naar interne adviezen gemotiveerd bestreden dat gedaagde een vordering op het Land heeft uit hoofde van huur of opslag. Het Land heeft daartoe onder meer aangevoerd een in februari 2017 gesloten vaststellingsovereenkomst niet bevoegdelijk is aangegaan, dat het voor het Land bij het aangaan van die overeenkomst nog niet duidelijk was dat het om huurgrond ging, dat gedaagde niet bevoegd was tot onderverhuur van de huurgrond en dat het huurrecht met betrekking tot het betreffende perceel is vervallen. Gedaagde heeft deze stellingen van het Land gemotiveerd bestreden. Binnen het bestek van dit kort geding kan over de gegrondheid van de stellingen van partijen op deze punten niet worden beslist. Daartoe is nader (feiten)onderzoek nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is.

3.11

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat gedaagde niet de bevoegdheid toekomt het Land ervan te weerhouden de dranghekken van haar perceel te verwijderen of om aan die medewerking de voorwaarde van betaling te verbinden.

belangenafweging

3.12

Ook een afweging van belangen dient in het voordeel van het Land uit te vallen. Het door het Land met de dranghekken te dienen belang van openbare orde en veiligheid rond het aanstaande carnaval dient zwaarder te wegen dan het gebruik door gedaagde van het terughouden van de dranghekken als pressiemiddel. Daarbij komt dat, hoewel het Land ter zitting heeft erkend dat het Land ook na veroordelende vonnissen niet altijd vlot van betalen is, aangenomen moet worden dat gedaagde, indien haar vordering in of buiten rechte wordt erkend of toegewezen, ook zonder het pressiemiddel van retentie betaling zal kunnen verkrijgen.

slotsom

3.13

Op grond van het voorgaande is de vordering van het Land toewijsbaar en zal de tegenvordering van gedaagde worden afgewezen. Gedaagde zal ingevolge artikel 60 Rv als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3.14

Omdat het vandaag zaterdag is en er niet onmiddellijk een grosse beschikbaar zal zijn, zal dit vonnis uitvoerbaar op de minuut worden verklaard.

4 De beslissing

Het Gerecht,

rechtdoende in kort geding

in conventie:

4.1

veroordeelt gedaagde om het Land met onmiddellijke ingang toegang te verschaffen tot het perceel [adres van gedaagde] teneinde het Land in de gelegenheid te stellen om de aan het Land in eigendom toebehorende containers en dranghekken te verwijderen;

in reconventie:

4.2

wijst af het gevorderde;

in conventie en in reconventie:

4.3

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van het Land begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 596,96 aan oproepingskosten en NAf 2.250 voor gemachtigdensalaris;

4.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2019.