Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:315

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
500.00163/19
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

invoer hennep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 500.00163/19

Uitspraak: 30 augustus 2019 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2019. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Prevo, advocaat in Curaçao.

De officier van justitie, mr. E.V.A. Bos, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 23 april 2019, althans op een tijdstip in of omstreeks de

maand april 2019 te Curaçao, althans in de territoriale zee rond het eiland

Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de

Opiumlandsverordening 1960 en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 107710 gram, in elk geval en hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/ of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

Feit 2: medeplegen aan mensensmokkel

dat hij in op of omstreeks 23 april 2019 te Curaçao, althans in de territoriale zee

rond het eiland Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans allen, een of meer ander(en), te weten) [medeverdachte 1], en/ [medeverdachte 2], en/of [medeverdachte 3], en/ [medeverdachte 4], en/ [medeverdachte 5], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of

doorreis door Curaçao en/ of een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15

november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, of die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of

inlichtingen heeft verschaft terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de aanwezigheid van

die ander(en) daar wederrechtelijk was, immers, heeft, verdachte en/of een

van zijn mededaders

- een transportmiddel (boot) geregeld voor het vervoer van de personen van

Venezuela naar Curaçao, en/of

- betalingen van een of meerdere personen voor het vervoer ontvangen, en/ of

- de genoemde personen vanuit Venezuela en/ of een ander land in een boot

tot in de territoriale zee van Curacao vervoerd.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

vrijspraak van feit 2 (eerste en tweede gedachtestreepje)

De verdachte wordt verweten dat hij zich op 23 april 2019 schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel door het regelen van een transportmiddel voor het vervoer van de personen vanuit Venezuela naar Curaçao (eerste gedachtestreepje) en het ontvangen van betalingen van een of meerdere personen voor het vervoer (tweede gedachtestreepje). Nu het wettig bewijs voor voornoemde gespecificeerde feitelijke handelingen in het dossier ontbreekt, zal de verdachte van dat gedeelte van het als feit 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 (derde gedachtestreepje) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

Feit 1

dat hij op of omstreeks 23 april 2019, althans op een tijdstip in of omstreeks de

maand april 2019 te Curaçao, althans in de territoriale zee rond het eiland

Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de

Opiumlandsverordening 1960 en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 107710 gram, in elk geval en hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/ of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

Feit 2: medeplegen aan van mensensmokkel

dat hij in op of omstreeks 23 april 2019 te Curaçao, althans in de territoriale zee

rond het eiland Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans allen, een of meer ander(en), te weten) [medeverdachte 1], en/of [medeverdachte 2], en/of [medeverdachte 3], en/of [medeverdachte 4], en/of [medeverdachte 5], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of

doorreis door Curaçao, en/ of een staat die is toegetreden tot het op 15

november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van

migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15

november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale

georganiseerde misdaad, of die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of

inlichtingen heeft verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de aanwezigheid van

die ander(en) daar wederrechtelijk was, immers heeft verdachte en/of een

van zijn mededaders

- een transportmiddel (boot) geregeld voor het vervoer van de personen van

Venezuela naar Curaçao, en/of

- betalingen van een of meerdere personen voor het vervoer ontvangen, en/ of

- de genoemde personen vanuit Venezuela en/ of een ander land in een boot

tot in de territoriale zee van Curaçao vervoerd.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Met betrekking tot feit 1

1 Op 22 april 2019 omstreeks 23:05 uur, vertrokken de verbalisanten

[verbalisant 7], [verbalisant 8], [verbalisant 9] en [verbalisant 10] met het patrouillevaartuig van de Kustwacht richting een verdacht radarcontact. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Op 22 april 2019, omstreeks 22:52 uur meldde RCC (Rescue Coordination Centre) ons dat er een verdacht radarcontact op 11 mijlen vanuit [reisroute 1] met een vaart van 7 knopen richting de kust, vermoedelijk richting [reisroute 2] aan het varen was. Wij vertrokken omstreeks 23:05 uur met het patrouillevaartuig richting het radarcontact. Omstreeks 00:09 uur hadden wij visueel contact en wij zagen dat het ging om een onverlicht vaartuig, type Yola. Op 23 april 2019 gingen wij over tot het intercepteren van het vaartuig. Wij troffen het onverlicht vaartuig zonder naam en registratieletters en –nummers stilliggend aan in het water. Wij gaven luidkeels te kennen dat wij, verbalisanten, van de Kustwacht waren en wij vorderden iedereen om hun handen omhoog te houden. De verdere handelingen gingen conform procedures.

Aangehouden verdachten:

[medeverdachte 1];

[medeverdachte 2];

[medeverdachte 3];

[medeverdachte 4];

[verdachte];

[medeverdachte 6];

[medeverdachte 7];

[medeverdachte 5].

De bestuurder (het Gerecht begrijpt: de kapitein) [verdachte] te zijn.

Tijdens de controle werden op het vaartuig 7 balen inhoudende vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen.

De verdachte die later bleek te zijn genaamd [medeverdachte 6], gaf aan dat hij de eigenaar was van de zeven balen inhoudende vermoedelijk verdovende middelen.”2

2. Op 23 april 2019 heeft de verbalisant [verbalisant 1], de medeverdachte [medeverdachte 6], in verzekering gesteld. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Na de voorgeleide verdachte te hebben medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is, heeft hij het volgende verklaard:

“Ik ben de eigenaar van de marihuana die hedenochtend in beslag werd genomen in de boot waarin ik zat. Ik heb samen met de kapitein (het Gerecht begrijpt: de verdachte), de marihuana hier (het Gerecht begrijpt: Curaçao) proberen in te voeren.”” 3

3. De op 23 april 2019 aangetroffen en inbeslaggenomen verdovende middelen werden door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] nader onderzocht. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Op 23 april 2019 heb ik, [verbalisant 2], van het personeel van de kustwacht zeven balen inhoudende in totaal honderdzesennegentig pakken, elk inhoudende een hoeveelheid samengeperst op hennep gelijkend kruid, overgenomen. Bij weging daarvan bleken deze een gezamenlijk brutogewicht van 107710 gram te hebben. Wij, verbalisanten, testten met de daartoe bestemde Narcotest vervolgens afzonderlijk vanuit twaalf van de pakken een hoeveelheid samengeperst op hennep gelijkend kruid. Wij zagen dat een positieve kleurreactie optrad, zodat aangenomen mocht worden dat het geteste kruid vermoedelijk hennep betrof, een middel vermeld in de Opiumlandsverordening 1960, zoals gewijzigd. Hierna werd door ons, verbalisanten, vanuit veertien van de pakken inhoudende een hoeveelheid samengeperst op hennep gelijkend kruid, een geringe hoeveelheid als monster genomen en deze monsters werden in afzonderlijke plastic potjes voorzien van het opschrift nummer 30/2019 code I-D-1 tot en met I-D-14 gedaan. Bedoelde potjes werden ter beschikking gesteld aan het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. met het verzoek na te gaan of in het materiaal een der verdovende middelen als bedoeld in de Opiumlandsverordening 1960, zoals gewijzigd, kan worden aangetoond.” 4

4. Het aangeboden materiaal werd onderzocht. Drs. F.J.I, Faulborn, afdelingshoofd Toxicologie en Geneesmiddelenonderzoek bij het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V., heeft het volgende gerelateerd:

“Het materiaal bestond uit veertien plastic potjes met dopjes, I-D-1 t/mI-D-14,

elk inhoudende een geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid. Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal hennep bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.” 5

Met betrekking tot feit 2

5. Op 23 april 2019 werd [medeverdachte 1] door de verbalisant [verbalisant 3] verhoord. Zij heeft het volgende verklaard.

“Ik ben gekomen om te blijven. Ik wilde heel erg snel uit Venezuela ontsnappen.” 6

6.Op 23 april 2019 werd [medeverdachte 2] door de verbalisant [verbalisant 4] verhoord. Zij heeft het volgende verklaard.

“Ik heb geen paspoort. We zijn vanuit Venezuela vertrokken.” 7

7.Op 23 april 2019 werd [medeverdachte 3] door de verbalisant [verbalisant 5] verhoord. Hij heeft het volgende verklaard.

“Ik ben naar Curaçao gekomen om enkele maanden te werken. Mijn paspoort is in Venezuela.” 8

8.Op 23 april 2019 werd [medeverdachte 4] door de verbalisant [verbalisant 6] verhoord. Hij heeft het volgende verklaard.

“We zijn vanuit Venezuela gekomen. Ik ben hier gekomen om werk te zoeken.” 9

9.Op 23 april 2019 werd [medeverdachte 5] door de verbalisant [verbalisant 3] verhoord. Hij heeft het volgende verklaard.

10 “Ik heb geen paspoort. Mijn ding was hier aankomen. De rest kon mij niets schelen.”

10 De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

“U vraagt mij wat er van de beschuldigingen tegen mij klopt. Ik antwoord u dat ik wist dat het om mensensmokkel ging. Ik was op 23 april 2019 de kapitein van de boot.” 11

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij niet op de hoogte was van de drugs aan boord. Hij was slechts de kapitein van de boot en heeft op aanwijzingen van de medeverdachte [medeverdachte 6] de boot vanuit Venezuela richting Curaçao gevaren, aldus de raadsman.

Dit verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeft geen bespreking.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder A van de Opiumlandsverordening 1960, strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:154, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Curaçao, terwijl hij weet dat die toegang wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan de invoer van een grote hoeveelheid hennep. De ingevoerde partij hennep was qua hoeveelheid geschikt (en zonder twijfel ook bestemd) voor verdere verspreiding en handel. Het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel, door vijf personen, met een boot vanuit Venezuela naar Curaçao te vervoeren. Deze personen zouden vervolgens naar alle waarschijnlijkheid in de illegaliteit werk proberen te vinden. Dit is een ernstig feit. Het handelen van verdachte doorkruist niet alleen het overheidsbeleid gericht op de bestrijding van illegale immigratie en illegaal verblijf, maar draagt ook bij aan een illegaal circuit. Dit soort feiten leidt ook gemakkelijk tot allerlei vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de duur daarvan houdt het Gerecht rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het Gerecht houdt voorts in verregaande zin rekening met de rol die de verdachte in deze heeft gehad. Hij was “slechts” de kapitein van de aan een onbekend gebleven derde toebehorende boot en was voor die taak voor een relatief gering bedrag ingehuurd. De verdachte had niets van doen met de organisatie van de mensensmokkel en de drugssmokkel. Om die reden wordt de verdachte eenzelfde straf opgelegd als de medeverdachte die, hoewel in diens zaak tot een vrijspraak van de mensensmokkel wordt gekomen.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de hierna te melden straf passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 (met uitzondering van het eerste en tweede gedachtestreepje) ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de drie (3) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. A.J.M. van Gink, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, (zittingsgriffier), en op 30 augustus 2019 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisanten in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, d.d. 20 mei 2019, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 63/19 NBD/DGC en de onderzoeksnaam “Pollo”.

2 Proces-verbaal van aanhouding op heterdaad van de verdachten en rapport Radaranalyse, d.d. 23 april 2019, p. 1-9.

3 Proces-verbaal van bevinding bij voorgeleiding, d.d. 23 april 2019, p. 18-20.

4 Proces-verbaal van wegen, testen en opsturen van monsters naar het laboratorium, d.d. 23 april 2019, p. 31-32.

5 Schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum van 11 juni 2019.

6 Proces-verbaal van verdachtenverhoor, d.d. 23 april 2019, p. 64-67.

7 Proces-verbaal van verdachtenverhoor, d.d. 23 april 2019, p. 60-63.

8 Proces-verbaal van verdachtenverhoor, d.d. 23 april 2019, p. 48-51.

9 Proces-verbaal van verdachtenverhoor, d.d. 23 april 2019, p. 56-59.

10 Proces-verbaal van verdachtenverhoor, d.d. 23 april 2019, p. 52-55.

11 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 9 augustus 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.