Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:31

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
CUR201600912
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft aangifte ten invoer gedaan voor twee e-bikes. De douanewaarde kan niet met toepassing van de transactiewaarde worden bepaald. Evenmin kan de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen worden gehanteerd. Dan resteert de methode van redelijke middelen. Aan de hand van die methode - waarbij meer soepelheid wordt betracht in de bewijsvoering - acht het Gerecht aannemelijk dat een douanewaarde van NAf 6.000 per stuk niet te hoog is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 februari 2019

BBZ nr. CUR201600912

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende in Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Belanghebbende heeft op 25 maart 2016 aangifte ten invoer gedaan van twee e-bikes, ter zake waarvan een bedrag aan invoerrechten is betaald van NAf 4.437 en een bedrag aan omzetbelasting van NAf 1.479.

1.2

Belanghebbende heeft op 14 april 2016 daartegen bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 29 augustus 2016 het bezwaar afgewezen.

1.4

Belanghebbende heeft op 2 december 2016 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.5

De Inspecteur heeft op 18 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017 te Willemstad ten overstaan van rechter mr. De Werd. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [ A ] en [ B ].

1.7

Door defungeren van rechter mr. De Werd per 1 augustus 2018, kan de uitspraak in deze zaak niet door hem worden gewezen. Partijen hebben ermee ingestemd dat rechter mr. Van Suilen uitspraak wijst in deze zaak, zonder dat een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Van Suilen heeft plaatsgevonden.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende heeft op 25 maart 2016 een mondelinge aangifte ten invoer gedaan voor twee e-bikes van het merk Stromer, type ST1 (hierna: de e-bikes). In dat verband heeft belanghebbende twee facturen van firma [ EE ] te Groningen genummerd 87806 en 87807 overgelegd waarop een prijs is vermeld van Є 850 (incl. btw) per stuk. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij de e-bikes per bank heeft betaald.

2.2

Belanghebbende heeft op 26 maart 2016 ter zake van dezelfde levering twee andere facturen, met beide hetzelfde factuurnummer 51787954, overgelegd aan de Inspecteur. Ook daarop is een prijs vermeld van € 850 (incl. btw) per stuk. Op deze facturen is met de hand geschreven “voldaan per kas”. Op 29 maart 2016 heeft belanghebbende ter zake van dezelfde levering twee andere facturen met de nummers 51787953 en 51787954 overgelegd. Ook daarop is een prijs vermeld van € 850 (incl. btw) per stuk. Daarop is met de hand geschreven “voldaan 25-03-2016”. Op alle facturen is vermeld dat het om demo bikes gaat, maar de facturen vertonen verder verschillen in onder meer het logo op het briefpapier, de opmaak, de handtekening/paraaf, de vermelding van het framenummer, en de vermelding van het slotnummer.

2.3

Op 11 april 2016 heeft [ RB ], market manager Benelux van fietsenfabrikant Stromer, in een e-mailbericht aan de Inspecteur het volgende geschreven:

“Bij deze wil ik vanuit Stromer zijde nog een keer extra melding maken van het feit dat [ EE ] de twee Stromer e-bikes onder bijzondere omstandigheden, wat prijs betreft, levert naar hun relatie [ belanghebbende ]. Dit vanwege het feit dat zowel Stromer als [ E ] de behoefte heeft om het product Stromer te testen op Curaçao en te onderzoeken of er wellicht mogelijkheden zijn voor de toekomst om verdere zakelijke business op te zetten. Tevens is dit voor Stromer de gelegenheid om via [ E ] te weten te komen hoe de Stromer e-bike zich zal gedragen, in kwaliteit, onder de klimatologische omstandigheden op Curaçao. [ E ] heeft daarom voor deze e-bikes, die eerder gebruikt zijn als demonstratie- en testbikes op beurzen e.d. een aangepaste prijs berekend van Є850,- per stuk.

De firma [ E ] ontvangt voor dergelijke projecten een jaarlijkse financiële marketing bijdrage ter promotie van het product.

[ Belanghebbende ] kan zo verder (laten) onderzoeken hoe de e-bikes zich op Curaçao gaan gedragen. Ook kan hij onderzoeken en aftasten in hoeverre de inwoners van Curaçao open staan voor een milieuvriendelijk product wat bovendien ook nog eens de gezondheid ten goede komt.”

2.4

De Inspecteur heeft ter vaststelling van de douanewaarde de prijs van Є 850 (NAf 1.750) niet geaccepteerd. De Inspecteur is daarvoor uitgegaan van een transactiewaarde van identieke goederen van € 3.990 (NAf 8.217) per stuk. De invoerrechten bedragen alsdan 27% van tweemaal NAf 8.217, ofwel NAf 4.437. De omzetbelasting bedraagt 9% van tweemaal NAf 8.217, ofwel NAf 1.479, zodat belanghebbende in totaal NAf 5.916 is verschuldigd ter zake van de invoer.

2.5

In de bezwaarfase heeft op 18 mei 2016 een hoorzitting plaatsgevonden. Belanghebbende heeft daar onder meer het volgende verklaard:

“Ik had de fietsen op 5 april 2016 in een zaak in Groningen gekocht. Ik had deze goedkoop kunnen krijgen omdat het betreft demo fietsen die nog getest moet worden bij het gebruik in een warm klimaat. Ik woon in Glimmen, dat is 15 km onder Groningen. Ik heb een eigen huis op Curaçao en kom af en toe op Curaçao. Ik had eerder fietsen meegebracht op Curaçao en zonder enige problemen. De eigenaar van de zaak [ EE ] is geen onbekend voor mij. De fietsen had ik contant op Schiphol betaald. (…) De facturen had ik moeten opvragen op verzoek van de douane.”

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

In beroep is uitsluitend nog in geschil of de door de douaneautoriteiten vastgestelde douanewaarde niet te hoog is. Het toegepaste tarief is niet langer in geschil.

3.2

Belanghebbende stelt dat de e-bikes gebruikte demomodellen zijn die in Curaçao getest moeten worden, en dat deze daarom voor € 850 (NAf 1.750) per stuk aan hem zijn verkocht.

3.3

De Inspecteur twijfelt aan de juist- en echtheid van de door belanghebbende overgelegde facturen. Hij stelt de douanewaarde vast op € 3.990 (NAf (NAf 8.217).

3.4

Belanghebbende concludeert tot een vermindering van de verschuldigde invoerrechten en omzetbelasting naar een bedrag van (27% plus 9%) van tweemaal NAf 1.750, ofwel NAf 1.260. Volgens de Inspecteur is bij de invoer niet teveel aan invoerrechten en omzetbelasting geheven.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Ontvankelijkheid beroep

4.1

In artikel 128b, lid 5, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 is bepaald dat tegen een uitspraak op bezwaar van de douaneautoriteiten binnen zes weken na bekendmaking aan de belanghebbende, beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld.

4.2

De onderhavige uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 29 augustus 2016 en is op 30 augustus 2016 per e-mail aan belanghebbende verzonden. Het beroepschrift is op 2 december 2016 ingediend. Dit beroepschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.

4.3

Belanghebbende heeft echter reeds in een aan de Inspecteur gericht e-mailbericht van 5 september 2016 gereageerd op de uitspraak op bezwaar. Nu de inhoud van dit e-mailbericht geen twijfel erover laat bestaan dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak op bezwaar, moet dit bericht als een (pro forma) beroepschrift worden aangemerkt. Het Gerecht acht het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan – de Inspecteur – beslissend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend (vgl. GEA Curaçao 31 augustus 2017, nr. CUR201600345, ECLI:NL:OGEAC:2017:110). Dit beroepschrift is ingediend binnen zes weken na de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar, zodat het beroep ontvankelijk is.

Wettelijke regeling douanewaarde

4.4

Ter zake van de invoer van goederen zijn invoerrechten verschuldigd. Deze worden geheven naar de douanewaarde van de goederen.

4.5

De douanewaarde van in te voeren goederen wordt ingevolge artikel 17 van de Landsverordening tarief van invoerrechten (hierna: LTI) vastgesteld met toepassing van de volgende zes methoden:

a. de transactiewaardemethode,

b. de transactiewaarde van identieke goederen,

c. de transactiewaarde van soortgelijke goederen,

d. de terugrekenmethode,

e. de methode van de berekende waarde, of

f. de methode van redelijke middelen.

4.6

De rangorde van toepassing van methoden voor het vaststellen van de douanewaarde is dwingend voorgeschreven. Dit betekent dat de methode van de transactiewaarde van identieke goederen wordt toegepast indien de methode van de transactiewaarde niet kan worden gebruikt, en zo verder (Memorie van toelichting bij LTI, 2001-2002, nr. 3, p. 14).

4.7

Op grond van artikel 18, lid 1, LTI zijn de douaneautoriteiten bevoegd om de aangegeven douanewaarde niet te aanvaarden indien naar hun oordeel niet voldoende zekerheid of informatie is verkregen over de echtheid of juistheid van de verklaringen en/of bescheiden die ten behoeve van de vaststelling van de douanewaarde zijn overgelegd. Verder is in artikel 18, lid 2, bepaald dat de douaneautoriteiten de douanewaarde niet met toepassing van de methode van de transactiewaarde behoeven vast te stellen, indien gerede twijfel bestaat of de aangegeven waarde overeenkomt met de werkelijk betaalde prijs.

4.8

Ingevolge artikel 19, lid 1, LTI is de douanewaarde van de in te voeren goederen gelijk aan de transactiewaarde, zijnde de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs. Op grond van artikel 19, lid 2, letter b, LTI wordt de transactiewaarde echter niet als douanewaarde aanvaard indien de verkoop of de prijs is beïnvloed door enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld.

4.9

Indien de douanewaarde niet volgens de transactiewaardemethode kan worden vastgesteld, wordt deze aan de hand van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen bepaald. Op grond van artikel 23 en 24 LTI wordt daarbij uitgegaan van goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het binnenland en die zijn uitgevoerd op nagenoeg hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

4.10

Als de douanewaarde niet met toepassing van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen kan worden bepaald, en evenmin met toepassing van de terugrekenmethode of de methode van de berekende waarde, geschiedt de vaststelling van de douanewaarde met de methode van redelijke middelen. Dat wil zeggen dat de voorgaande methoden nogmaals worden doorgelopen doch met wat meer soepelheid (Memorie van toelichting bij LTI, 2001-2002, nr. 3, p. 16).

Douanewaarde e-bikes

4.11

Zo het Gerecht al aannemelijk zou achten dat belanghebbende daadwerkelijk € 850 per e-bike heeft betaald en dat de transactiewaarde dus € 850 zou bedragen – het Gerecht laat dat in het midden – dan nog zou dat belanghebbende niet baten. Belanghebbende heeft namelijk verklaard dat hij de e-bikes voor een lagere prijs heeft verkregen, omdat hij deze e-bikes zou gaan testen in Curaçao. Dit brengt mee dat deze prijs is beïnvloed door enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld, zodat deze prijs reeds op grond van het bepaalde in artikel 19, lid 2, LTI niet als douanewaarde kan worden aanvaard.

4.12

Als de transactiewaarde niet als douanewaarde kan worden aanvaard, dan wordt de douanewaarde op grond van artikel 17 LTI vastgesteld met toepassing van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen.

4.13

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de Inspecteur feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde douanewaarde niet te hoog is. Ter onderbouwing van de waarde heeft de Inspecteur gewezen op twee advertenties op het internet. In een advertentie van QicQ – een Nederlandse dealer van Stromer e-bikes – wordt de Stromer ST1 aan consumenten aangeboden vanaf € 3.990 (NAf 8.217). In een advertentie van [ J ] – fietswinkels in Nederland voor elektrische fietsen – wordt de Stromer ST1 eveneens aangeboden vanaf € 3.990 (NAf 8.217).

4.14

Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij de douanewaarde van de e-bikes niet te hoog heeft vastgesteld. De Inspecteur heeft ter onderbouwing van de douanewaarde van € 3.990 gewezen op advertenties van nieuwe Stromer ST1 e-bikes die tegen consumentenprijzen worden aangeboden. Belanghebbende heeft echter onder verwijzing naar de verklaring van manager Van [ RB ] van 11 april 2016 (zie 2.3) aannemelijk gemaakt dat de door hem gekochte e-bikes niet nieuw zijn, maar eerder zijn gebruikt als demonstratie- en testfiets op beurzen. Dit brengt mee dat een nieuwprijs niet zonder meer maatgevend is voor de waarde van gebruikte e-bikes. Daarbij komt dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is uitgegaan van e-bikes die zijn verkocht voor uitvoer naar het binnenland en die zijn uitgevoerd op nagenoeg hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de onderhavige e-bikes.

4.15

Gelet op het vorenstaande kan de douanewaarde in dit geval dus niet met toepassing van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen worden bepaald. Nu partijen niet hebben gesteld dat de terugrekenmethode of de methode van de berekende waarde kan worden gehanteerd, gaat het Gerecht ervan uit dat de douanewaarde evenmin aan de hand van deze methoden kan worden bepaald, zodat de methode van redelijke middelen resteert. Aan de hand van die methode - waarbij meer soepelheid wordt betracht in de bewijsvoering - acht het Gerecht aannemelijk, met name gelet op de in Nederland gehanteerde prijs en op de verklaring van de douaneambtenaar dat geen gebruikssporen op de e-bikes zijn aangetroffen, dat een douanewaarde van NAf 6.000 per stuk niet te hoog is. De verschuldigde invoerrechten kunnen dan worden berekend op 27% van tweemaal NAf 6.000, ofwel NAf 3.240. De op grond van artikel 14b en 14c van de Landsverordening omzetbelasting 1999 verschuldigde omzetbelasting kan worden berekend op 9% van tweemaal NAf 6.000, ofwel NAf 1.080.

5 PROCESKOSTEN

5.1

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

5.2

Wel dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5, Landsverordening op het beroep in belastingzaken, het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de verschuldigde invoerrechten tot een bedrag van NAf 3.240; vermindert de verschuldigde omzetbelasting tot een bedrag van NAf 1.080;

  • -

    draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 13 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël – van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op …………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf. 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500