Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:29

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
CUR201700980
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroep

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag winstbelasting met een verzuimboete. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Ten tijde van het beroep is reeds uitspraak op bezwaar gedaan, waardoor dat beroep ongegrond is. Het beroep wordt geacht te zijn gericht tegen deze uitspraak. Het Gerecht acht het aannemelijk dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar nooit heeft ontvangen. Belanghebbende is ontvankelijk in haar beroep tegen de uitspraak op bezwaar.

Inhoudelijk

Belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan, waardoor de bewijslast is omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende is geslaagd in haar bewijslast. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Voorts oordeelt het Gerecht dat de tekst van artikel 18, tweede lid Algemene Landsverordening Landsbelastingen niet belet dat een boete wordt opgelegd indien geen aangifte is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 8 februari 2019

BBZ nr. CUR201700980

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X N.V., gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 27 juni 2014 over het jaar 2012 een naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd voor een bedrag van NAf. 12.351. Daarbij is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van NAf.1.852.

1.2

Belanghebbende heeft op 18 juli 2014 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boete.

1.3

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2015 de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de boete afgewezen.

1.4

Belanghebbende heeft op 15 augustus 2017 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

1.5

De Inspecteur heeft op 13 november 2018 een verweerschrift ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Namens de belanghebbende zijn verschenen A. MSc, B. MSc en mr. C. Namens de Inspecteur is verschenen D. LLM.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende heeft op 27 maart 2013 een voorlopige aangiftebiljet winstbelasting ingediend voor het jaar 2012. Daarbij is het aangegeven bedrag van NAf. 61.755 aan winstbelasting betaald.

2.2

Aan belanghebbende is op 27 juni 2014 een naheffingsaanslag met boete opgelegd. De naheffingsaanslag is als volgt samengesteld:

Verschuldigde belasting: NAf. 74.106

Tijdig betaald/Reeds aangeslagen: NAf. 61.755 -

Naheffingsaanslag: NAf. 12.351

Boete: NAf. 1.852 +

Subtotaal: NAf. 14.203

Te laat betaald: NAf. 0.00 -

Te betalen: NAf. 14.203

Tegen het daartegen gemaakt bezwaar is op 30 januari 2015 uitspraak gedaan.

2.3

Op 2 februari 2016 is de definitieve aangifte winstbelasting ingediend. Volgens deze aangifte is belanghebbende over het jaar 2012, een bedrag van NAf.16.695 aan winstbelasting verschuldigd en is het bedrag aan teruggaaf derhalve NAf. 45.060.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

ontvankelijkheid beroep

4.1

Alvorens tot een eventuele inhoudelijke beoordeling van het geschil te kunnen overgaan, dient het Gerecht de ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep te beoordelen. Belanghebbende heeft ingevolge artikel 31, eerste lid, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaarschrift. Nu ten tijde van het instellen van het beroep reeds uitspraak op bezwaar is gedaan door de Inspecteur, is het beroep ongegrond.

4.2

Het door belanghebbende ingestelde beroep van 15 augustus 2017 wordt geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft betoogd dat zij de uitspraak op bezwaar nimmer heeft ontvangen, hetgeen het Gerecht aannemelijk acht. Redengevend daarvoor is dat belanghebbende op 8 maart en 10 juli 2018 uitstel van betaling in verband met bezwaar aan de Ontvanger heeft verzocht en ook beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Daaruit leidt het Gerecht af dat belanghebbende niet bekend was met de uitspraak op bezwaar. Het Gerecht acht belanghebbende ontvankelijk in haar beroep tegen de uitspraak op bezwaar.

4.3

Op grond van artikel 30, vierde lid van de ALL wordt de belanghebbende in de bezwaarfase gehoord als hij daar in zijn bezwaarschrift om heeft verzocht. In het onderhavige geval heeft belanghebbende in het bezwaarschrift verzocht te worden gehoord. De Inspecteur heeft nagelaten belanghebbende te horen. Reeds om deze reden dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. Het Gerecht ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de Inspecteur voor hernieuwde behandeling van het bezwaar, maar zal de zaak zelf afdoen.

de naheffingsaanslag

4.4

Belanghebbende is ingevolge artikel 15, vierde lid van de ALL gehouden uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar – derhalve uiterlijk eind juni 2013 - over dat jaar definitieve aangifte te doen en de belasting overeenkomstig die aangifte te betalen bij de Ontvanger. Nu dit niet is gebeurd was de Inspecteur bevoegd een naheffingsaanslag (artikel 16 ALL) op te leggen. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag ambtshalve vastgesteld op een bedrag aan verschuldigde belasting van NAf. 74.106. Onderbouwing voor het geschatte bedrag is door de Inspecteur niet gegeven.

4.5

Artikel 31, derde lid van de ALL bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep van de belastingplichtige moet worden afgewezen indien ten onrechte geen aangifte is gedaan. Dit is slechts anders als de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre deze belastingaanslag onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast). Belanghebbende heeft pas nadat uitspraak op bezwaar is gedaan de aangifte winstbelasting ingediend. Dit heeft niet te gelden als het doen van de vereiste aangifte (vgl. HR 5 oktober 2018, nr. 17/00374, ECLI:NL:HR:2018:1839, r.o. 2.4.3).

4.6

Belanghebbende betwist de hoogte van de naheffingsaanslag en stelt dat de verschuldigde winstbelasting NAf. 16.695 moet zijn. Zoals hiervoor is overwogen rust op belanghebbende hiervoor de verzwaarde bewijslast. Ter staving van haar stelling heeft belanghebbende gewezen op het door haar overgelegde definitieve aangifte en de jaarstukken die daaraan ten grondslag liggen. Volgens de definitieve aangifte en de jaarstukken bedraagt de verschuldigde belasting NAf.16.695. Het Gerecht acht belanghebbende met hetgeen zij heeft ingebracht geslaagd in het van haar verlangde bewijslast. Hierbij neemt het Gerecht in aanmerking dat het door belanghebbende voorgestane bedrag aan belasting door de Inspecteur niet is betwist. Ter zitting is door de Inspecteur enkel aangevoerd dat hij de ingebrachte stukken eerst nader moet bestuderen alvorens hij kan overgaan tot teruggaaf van belasting. Nu belanghebbende reeds een bedrag van NAf. 61.755 aan winstbelasting heeft aangegeven en betaald dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd. Het voorwerp van dit geschil zijn de naheffingsaanslag en de boete, hetgeen betekent dat het Gerecht niet kan oordelen over belanghebbendes verzoek om teruggaaf van NAf. 45.060 (NAf.61.755-/-NAf.16.695).

4.7

Het voorgaande brengt mee dat de ingevolge artikel 19, eerste lid ALL in samenhang met artikel 4.6, tweede lid onder c van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (hierna: Ministeriële regeling) opgelegde boete van 15% van de naheffingsaanslag (NAf.1.852) wegens het niet/niet tijdig betalen van de belasting niet in stand kan blijven.

4.8

De Inspecteur heeft met betrekking tot de boete als subsidiar standpunt aangevoerd dat aan belanghebbende op basis van artikel 18 ALL in samenhang met artikel 4.4 van de Ministeriële regeling een verzuimboete van Naf. 1.500 dient te worden opgelegd voor het niet of niet tijdig indienen van de aangifte over het jaar 2012. Volgens belanghebbende bestaat geen wettelijke grondslag voor het opleggen van een boete op basis van artikel 18 ALL.

4.9

Artikel 18, tweede lid van de ALL (tekst 2012) luidt – voor zover hier van belang - als volgt:

Indien de belastingplichtige (…) de aangifte voor een belasting die op aangifte moet worden voldaan (…) niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 8, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste Naf. 2.500,- kan opleggen.

4.10

De tekst van artikel 18, tweede lid van de ALL belet niet dat een boete wordt opgelegd indien geen aangifte is gedaan (vgl. Raad van Beroep 27 november 2011, ECLI:NL:ORBBACM:2015:38). Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag voor het jaar 2012 was de aangifte winstbelasting niet gedaan, derhalve was de Inspecteur bevoegd om een verzuimboete op te leggen. De Inspecteur heeft onbetwist gesteld dat belanghebbende voor de vierde keer verzuimd heeft aangifte te doen. De opgelegde boete van NAf 1.500 is overeenkomstig het boetebeleid neergelegd in de Ministeriële regeling. Het Gerecht acht deze boete passend en geboden.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

proceskosten bezwaarfase

5.1

Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling. Belanghebbende heeft verzocht om de Inspecteur op basis van voormelde bepaling te veroordelen in de integrale kosten dan wel forfaitaire kosten van de bezwaarprocedure.

5.2

Voor het toekennen van een kostenvergoeding voor de behandeling van bezwaar bestaat geen aanleiding. Niet kan worden gezegd dat de naheffingsaanslag en de boete - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht zijn genomen.

5.3

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de beroepsfase. Het Gerecht sluit voor de proceskostenvergoeding aan bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB: 2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.4

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, vijfde lid van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken het betaalde griffierecht van

NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar inzake de naheffingsaanslag en de boete gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot nihil;

- vermindert de boete tot NAf. 1.500;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400 en;

- draagt de Inspecteur op de door belanghebbende betaalde griffierechten van in totaal NAf. 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en is uitgesproken op 8 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunn en beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf. 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500

In het beroepschrift kan aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.