Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:285

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
CUR201803021
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lob-verzoek. Advies voor intern beraad. Voldoende gespecificeerd verzoek. Beroep gegrond, vernietiging van de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)

Uitspraak: 28 november 2019

Zaaknr. Lar: CUR201803021

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonend in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: de advocaat mr. A.K.H. Ayubi,

en

de minister van Justitie,

zetelend in Curaçao,

verweerder,

gemachtigden: de advocaten mrs. S.X.T. Hato en A.C. van Hoof.

Procesverloop

Bij brief van 17 juli 2018 heeft eiser verweerder verzocht om openbaarmaking krachtens de Landsverordening openbaarheid van bestuur (de Lob) van:

“A. Een kopie v/h volledig dossier m.b.t. de aanvraag van 29 maart 2018 met kenmerk FMSCRV20151206/4;

B. Het advies van 7 juni 2018 waarnaar wordt verwezen in de beslissing met bovenstaande kenmerk;

C. Een kopie van het volledig dossier van voorgaande aanvragen van verzoeker.”

Op 12 september 2018 heeft eiser tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek beroep ingesteld.

Bij beschikking van 5 december 2018 heeft verweerder alsnog op het verzoek van eiser beslist.

Met toepassing van artikel 9c van de Lar heeft het beroep mede betrekking op voormelde beschikking.

Op 11 december 2018 heeft eiser het beroepschrift aangevuld.

Op 11 januari 2019 heeft verweerder zijn verweerschrift aangevuld.

Het Gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2019, waar eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde mr. Hato, vergezeld door A. Irausquin, werkzaam in dienst van het Land, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Lob wordt onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder verzoeken om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of tot de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame departementen, diensten, bureaus en instellingen.

Ingevolge artikel 6, voor zover thans van belang, beslist het bestuursorgaan op het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie weken na de dag, waarop het verzoek is ontvangen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over tot personen herleidbare beleidsopvattingen. Onder intern beraad wordt verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor die bestuurlijke aangelegenheid. Onder tot personen herleidbare beleidsopvatting wordt verstaan: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten, aldus die bepaling.

2. Het beroep van eiser van 12 september 2018 tegen het uitblijven van een beschikking op zijn verzoek van 17 juli 2018 wordt, gelet op artikel 9c van de Lar, geacht mede betrekking te hebben op de beschikking van 5 december 2018, aangezien bij die beschikking niet geheel aan het verzoek om openbaarmaking van eiser is tegemoetgekomen. Eiser heeft immers om openbaarmaking verzocht en verweerder heeft de verzochte stukken slechts gedeeltelijk openbaar gemaakt. Gelet hierop heeft eiser, anders dan verweerder betoogt, belang bij het beroep.

3. Het Gerecht heeft met toepassing van artikel 24, eerste lid, van de Lar kennisgenomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten.

4. Aan de beschikking van 5 december 2018 heeft verweerder, voor zover thans van belang en voor zover het verzoek daarbij is afgewezen, ten grondslag gelegd dat het onder B. vermeld stuk is opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevat en het onder C. vermeld verzoek onvoldoende gespecificeerd is

5. Eiser betoogt dat verweerder bij de weigering om het advies van 7 juni 2018 openbaar te maken, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het advies is opgesteld ten behoeve van intern beraad en tot personen herleidbare beleidsopvattingen bevat. Zelfs indien er sprake zou zijn van beleidsopvattingen die tot een persoon herleid kunnen worden, had verweerder dat advies desgewenst kunnen anonimiseren, aldus eiser.

5.1

Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Nederlandse Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13 en 38) wordt het interne karakter van een stuk bepaald door het oogmerk waarmee het is opgesteld. Zij die het hebben opgesteld of de inhoud ervan voor hun verantwoording hebben genomen, moeten voor toepasselijkheid van die bepaling de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor henzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. De definitie van de term ‘intern beraad’ in de Lob komt geheel overeen met die van die term in de Wob, waarmee de wetgever hier te lande kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de Nederlandse regeling, zodat de totstandkomingsgeschiedenis van die regeling en de Nederlandse rechtspraak ter zake eveneens betekenis heeft voor de uitleg van de term in de Lob.

5.2

Na kennis te hebben genomen van de stukken onder B., acht het Gerecht aannemelijk dat de opsteller ervan het oogmerk heeft gehad deze slechts op te stellen ten behoeve van personen binnen de overheid, zodat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad.

5.3

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Lob wordt onder tot personen herleidbare beleidsopvattingen verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. Voor de vraag of sprake is van tot personen herleidbare beleidsopvattingen, is de inhoud van het document bepalend, waarbij van belang is, of dat document naar zijn aard een persoonlijk karakter heeft.

5.4

Na kennis te hebben genomen van de stukken onder B., is het Gerecht van oordeel dat het desbetreffende stuk niet naar zijn aard een persoonlijk en/of een overwegend objectief karakter heeft en voorts slechts een weergave van de genomen besluiten en procedurele aspecten bevat en derhalve geen tot personen herleidbare beleidsopvattingen. Desgewenst bestaat voor verweerder de mogelijkheid om bij openbaarmaking van het advies, vermelding van de functionaris, conform wiens advies verweerder het desbetreffende besluit heeft genomen, onleesbaar te maken. Het betoog van eiser slaagt.

6. Eiser betoogt verder dat zijn verzoek onder C. voldoende duidelijk en gespecifieerd is en dat verweerder ten onrechte zijn verzoek in zoverre heeft afgewezen.

6.1

Dit betoog slaagt. Een bestuursorgaan is niet gehouden een niet nader gespecificeerd verzoek, dat betrekking heeft op informatie die moet worden gedestilleerd uit een grote hoeveelheid op diverse plaatsen aanwezige stukken, in te willigen (vergelijk de uitspraak van 31 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6516). In dit geval is daarvan echter geen sprake. Uit het verzoek van eiser kan genoegzaam worden afgeleid dat het ziet op de stukken uit de naar aanleiding van zijn aan de aanvraag met kenmerk FMSCRV20151206/4 voorafgaande aanvragen gevormde dossiers. Aldus is dat verzoek voldoende gespecificeerd.

7. Het beroep is gegrond. De beschikking van 17 juli 2018 dient in zoverre te worden vernietigd. Dat leidt tot na te melden beslissingen.

8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het de documenten onder B. en C. betreft;

- vernietigt de beschikking van verweerder van 5 december 2018, voor zover daarbij geweigerd is de documenten onder B. en C. openbaar te maken;

- bepaalt dat verweerder binnen drie weken na dagtekening van deze uitspraak het onder B. vermelde document openbaar maakt;

- draagt verweerder op om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen drie weken na dagtekening van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het verzoek om openbaarmaking van de stukken onder C.;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van NAf 700,-- aan gemachtigdensalaris;

- gelast teruggave aan eiser van het door hem betaalde bedrag van NAf 150,--.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.