Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:27

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
CUR201500762 t/m CU201500773
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende drijft een autoverhuurbedrijf. Belanghebbende heeft niet aan zijn administratieplicht voldaan. Daarom wordt de bewijslast omgedraaid. Belanghebbende slaagt niet in het verzwaarde tegenwijs en de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2009 blijven dus in stand. Op basis van de ondeugdelijke administratie heeft belanghebbende aangifte gedaan, hetgeen als grove schuld kan worden beschouwd. Het Gerecht ziet geen aanleiding de boete te matigen. Een verzoek tot vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn slaagt niet, aangezien dit verzoek pas na de zitting heeft plaatsgevonden en de redelijke termijn toen reeds was overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 5 februari 2019

BBZ nrs. CUR201500762 t/m CU201500773

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 29 december 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 272.013. Tevens is een vergrijpboete (25%) opgelegd van NAf 12.340.

1.2

Aan belanghebbende is op 16 januari 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 294.532. Tevens is een vergrijpboete (25%) opgelegd van NAf 14.038.

1.3

Aan belanghebbende is op 16 januari 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 233.452. Tevens is een vergrijpboete (25%) opgelegd van NAf 7.375.

1.4

Aan belanghebbende is op 16 januari 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 219.627. Tevens is een vergrijpboete (25%) opgelegd van NAf 13.157.

1.5

Aan belanghebbende zijn op 29 december 2014 en 16 januari 2015 navorderingsaanslagen premie AVBZ over de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegd naar een premie-inkomen van respectievelijk NAf 272.013, NAf 294.532, NAf 233.452 en NAf 219.627.

1.6

Belanghebbende heeft op 20 februari 2015 (pro forma) bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2009, alsmede tegen de boete 2009.

1.7

Belanghebbende heeft op 23 april 2015 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over de jaren 2010 tot en met 2012, alsmede tegen de boetes 2010 tot en met 2012.

1.8

Belanghebbende heeft op 1 december 2015 beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren.

1.9

De Inspecteur heeft op 2 december 2016 een verweerschrift ingediend.

1.10

Een comparitiezitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2016 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door A. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. B, mr. C en controleur D. De zaken met de nummers CUR201500754 t/m CUR201500773 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnotitie ingebracht.

1.11

Een nadere comparitiezitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door E. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. C.M. Rosenda, mr. B en controleur C. De zaken met de nummers CUR201500754 t/m CUR201500773 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en ingebracht.

1.12

Beide partijen hebben op 22 februari 2017 toestemming verleend zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak te doen. Het Gerecht heeft daarop op de voet van artikel 8b van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende drijft onder de naam ‘Y’ een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbende verhuurt auto’s en pick-ups aan derden, voornamelijk aan toeristen. Auto’s die gedurende een langere periode zijn verhuurd, worden verkocht. Het wagenpark bestaat uit gemiddeld 40 auto’s.

2.2

Namens de Inspecteur heeft in 2014 een boekenonderzoek plaatsgevonden bij belanghebbende naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomsten- en omzetbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een definitief rapport dat op 13 juni 2014 aan belanghebbende is aangeboden. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

3.3 Administratieplicht

(…)

Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:

1. Omdat een (groot) deel van de omzet per kas wordt ontvangen dient belastingplichtige een sluitende kasadministratie te voeren. Uit de volgende constateringen blijkt dat dit niet het geval is:

  • -

    privé-stortingen en privé-opnames worden niet geregistreerd in het kladkasboek;

  • -

    in de jaren 2009 tot en met 2012 worden ontvangsten en/of uitgaven niet geboekt in een kasboek.

2. Er is geen autobestand waarin vermeld staat de kentekens van de beschikbare auto’s, de kilometerstand (kilometerregistratie), leegstand van de autoverhuur en –verkoop. Wel wordt er in het witboek aangegeven welke auto verhuurd en verkocht zijn. Echter, dit is niet voldoende.

3. Het banksaldo van de zakelijke bankrekening (verplicht ondernemingsvermogen) wordt niet op de balans gepresenteerd. Belastingplichtige heeft de banktransacties conform de bankafschriften niet verwerkt in de financiële administratie.

4. Belastingplichtige heeft geen specificatie bijgehouden voor de autowassers. Bovendien zijn er geen kwitanties gemaakt met betrekking tot deze kosten.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast. (…)

3.4

Bewaarplicht

(…) Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het volgende deel van de administratie niet zijn bewaard:

- Het grootboek over de jaren 2009 tot en met 2011.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 43, leden 2 en 6 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast. (…)

4.2

Fiscale winstberekening

4.2.1

Algemeen

Op basis van de geconstateerde materiële gebreken in de administratie en het niet volledig voldoen aan de bewaar- , administratie- en factureringsplicht overeenkomstig de ALL concludeer ik dat de gevoerde administratie zodanig ernstige gebreken vertoont dat deze niet kan dienen als betrouwbare basis voor de winstberekening.

Op grond van artikel 30, lid 6 ALL is er sprake van de zogeheten omkering van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 43 ALL. Het gevolg hiervan is dat de op te leggen aanslagen bij een uitspraak op eventuele bezwaarschriften zullen worden gehandhaafd tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn.

Om de winst in het controletijdvak op een zo juist en redelijk mogelijke wijze te bepalen zal ik de winst corrigeren in overeenstemming met wat hierna wordt beschreven.

4.2.2

Omzet verantwoording verhuurauto's

Tijdens het beoordelen van de omzetverantwoording werd het volgende geconstateerd:

  • -

    Er is geen aansluiting tussen de omzet met betrekking de autoverhuur volgens het wit boek (basisregistratie 347.171) met de aangegeven omzet op de jaarrekening (335.743) over het jaar 2009. Het gaat om een verschil van 11.428 (347.171-335.743).

  • -

    Op basis van een cijferanalyse van de aangegeven omzet uitgaande van de aanwezige auto's volgens de afschrijvingsstaat gedurende de controle jaren 2009 tot en met 2012 (40, 42, 40, 41) en het laagste huurtarief van 50, blijkt dat de (herleide) bezettingsperiode bedraagt 6, 5, 5 en 6 maanden. Dit is niet aannemelijk binnen de branche. Bovendien het aanhouden van hetzelfde aantal auto's gedurende de jaren, wijst erop dat de bezettingscapaciteit gedurende het hele jaar door noodzakelijk is. Verder bedraagt het aantal servicebeurten op jaarbasis 72 (elke maand gemiddeld 5 a 6 keer). Dit geeft een indicatie dat de auto's met regelmaat verhuurd worden, namelijk over het hele jaar.

Naar aanleiding van de bovenstaande bevindingen kan worden geconcludeerd dat de omzet niet volledig is verantwoord. Ik stel voor om de omzet te corrigeren, op basis van een minimale theoretische berekening. Voor de berekening van de minimale theoretische omzet ga ik uit de volgende gegevens:

  • -

    Aantal auto's 40, 42, 40, 41.

  • -

    Bezetting per maand van 80%.

  • -

    Huurperiode van 10 maanden uitgaande van 28 dagen per maand (totaal 280 dagen).

  • -

    Minimaal huurtarief van 50 per auto.

Uitgaande van het bovenstaande bedraagt de minimale theoretische omzet als volgt:

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

Aantal dagen

280

280

280

280

Huurtarief

50

50

50

50

Bezetting 80% van 40, 42 40, 41 beschikbare auto's

32

34

32

33

Theoretische omzet inclusief OB

448.44444000

476.000

448.000

462.000

Theoretische omzet exclusief OB

426.667

453.333

426.667

435.849

Rekening houdende met de theoretische omzet dient de aangegeven omzet worden gecorrigeerd. De correctiebedragen luiden als volgt:

Correctie

2009

2010

2011

2012

Theoretische omzet (exclusief OB)

426.667

453.333

426.667

435.849

Aangegeven omzet (exclusief OB)

335.743

339.662

298.129

340.482

Verschil

90.924

113.671

128.538

95.367

(…)

Afspraak:

Belastingplichtige wordt erop gewezen dat een adequaat autobestand moet worden bijgehouden.

Reactie belastingplichtige tijdens het slotgesprek van 28 februari 2014:

De heer X gaf aan dat er gemiddeld 15 auto's per maand in het wagenpark blijven staan en heeft hierdoor verzocht om de bezetting te verlagen naar 65% in plaats van 80%.

Reactie controlemedewerkster tijdens het slotgesprek van 28 februari 2014:

Bij de berekening van minimale theoretische omzet heb ik al rekening gehouden met een verhuurperiode van 10 maanden in plaats van 12 maanden. Als ik 280 dagen ten opzichte van 360 dagen neem (hele jaar) is dat al 77% van een jaar verhuur. Verder heb ik rekening gehouden met 80% bezetting van de beschikbare auto's. Dit betekent dat ik ben uitgegaan dat 62% (80% over 77%) van de auto's per jaar worden verhuurd. Dat is, qua bezetting, lager dan wat de belastingplichtige voorstelt. Ik zal de voorgestelde correctie handhaven.

4.2.3

Omzet met betrekking tot verkochte auto's

Op de afschrijvingsstaat over het jaar 2011 is aangegeven dat de auto's met de kentekennummers 1 en 2 verkocht zijn. De omzet van deze verkochte auto's werden niet geregistreerd in het wit boek van belastingplichtige. Met als gevolg dat de desbetreffende opbrengsten niet in de jaarrekening zijn verwerkt. In vergelijking met de verkoopwaarde van soortgelijke auto's werd de opbrengst van de auto met kenteken 1 bepaald op 6.000 en 2 op 5.600.

Dit betekent dat de opbrengst (inclusief OB) van deze twee auto's in totaal 11.600 bedraagt.

Ik stel u voor dit verschil te corrigeren. De correctie luidt als volgt:

Correctie

2011

Meer omzet (verkochte auto's) incl. OB 5%

11.600

Meer omzet (verkochte auto's) excl. OB 5%

11.048

(…)

Reactie belastingplichtige tijdens het slotgesprek van 28 februari 2014

De heer X gaf aan dat het niet registreren van de opbrengstverkopen van de auto's 55-20 L en 37-4 G niet met opzet is gedaan. Volgens de heer X is deze hem ontgaan door de werkdruk. Hij gaat akkoord met de gecorrigeerde opbrengstbedragen.

4.2.4

Boekwinst verkochte auto's

Tijdens het onderzoek werd geconstateerd dat in de jaren 2011 en 2012 boekenverliezen zijn aangegeven van respectievelijk -28.089 en -14.818. Gedurende het inleidend gesprek heeft belastingplichtige aangegeven dat hij alle auto's boven de boekwaarde verkoopt. Hij heeft echter geen factuur of kwitanties gemaakt met betrekking tot de auto's verkoop. Naar aanleiding hiervan is het niet aannemelijk dat belastingplichtige boekverliezen lijdt in de jaren 2011 en 2012. Daarom stel ik u voor om de boekverliezen over de jaren 2011 en 2012 tot nihil te corrigeren. Wel rekening houdend met de reeds gecorrigeerde omzet die in onderdeel 4.2.3 is vermeld.

De berekening luidt als volgt:

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

Aangegeven omzet autoverkoop (excl. OB)

40.333

65.476

62.952

43.396

Boekwaarde verkochte auto's per 1/1

27.692

59.197

91.041

58.214

Aangegeven boekresultaat

12.641

6.279

-28.089

-14.818

Reeds gecorrigeerde omzet verkochte auto (4.2.3)

-

-

11.048

-

Gecorrigeerd boekresultaat

12.641

6.279

-17.041

-14.818

De correctie luidt als volgt:

Correctie

2011

2012

Correctie boekverliezen

17.041

14.818

4.3.1

Correctie belastbaar bedrag voor verliesverrekening

Onderdeel

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

4.2.2

Omzetverantwoording verhuurauto's

90.924

113.671

128.538

95,367

4.2.3

Omzet m.b.t. verkochte auto's

-

-

11.048

-

4.2.4

Boekwinst verkochte auto's

-

-

17.041

14.818

4.2.5

Bijzondere baten ("Total loss")

9.000

-

-

4.2.7

Afschrijvingskosten

-

-96.904

Totaal

99.924

113.671

59.723

110.185

8 GEVOLGEN VOOR DE BELASTINGHEFFING

8.1

IB

Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor het vastgestelde belastbaar inkomen te corrigeren. Het gecorrigeerde belastbaar inkomen kan als volgt worden berekend:

2009

2010

2011

2012

Vastgestelde zuiver inkomen

172.089

180.861

175.863

109.687

Winstcorrecties

99.924

113.671

59.723

110.185

Gecorrigeerde zuiver inkomen (voor verliesverrekening)

272.013

294.532

235.586

219.872

Belastbaar inkomen na correctie

272.013

294.532

235.586

219.872

2.3

Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn onderhavige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ opgelegd, alsmede de vergrijpboetes.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2

Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslagen en vergrijpboetes.

4 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid beroepen 2010 t/m 2012

4.1

Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over de jaren 2010 tot en met 2012 en tegen de daarmee samenhangende boetes, is op 23 april 2015 door de Inspecteur ontvangen.

4.2

Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 23 januari 2016 een uitspraak heeft gedaan.

4.3

Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 23 januari 2017 beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

4.4

Belanghebbende heeft op 1 december 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over de jaren 2010 tot en met 2012, alsmede de boetes 2010 tot en met 2012. Deze beroepen zijn voor het begin van de termijn (24 januari 2016) ingediend, zodat deze beroepen niet-ontvankelijk zijn.

Ontvankelijkheid beroep 2009

4.5

Het (pro forma) bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2009 is op 20 februari 2015 door de Inspecteur ontvangen.

4.6

De uitspraak op dit bezwaar is niet tijdig gedaan als de inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 20 november 2015 een uitspraak heeft gedaan. Binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 20 november 2016, kan beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

4.7

Belanghebbende heeft op 1 december 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2009, alsmede de boete 2009. Dit beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.8

De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. De onderhavige procedure duurt immers al bijna vier jaren. Bovendien zal de op het bezwaar te nemen beslissing tot niets anders kunnen leiden dan tot een ongegrondverklaring. Redengevend daarvoor is het volgende.

Navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ 2009

4.9

Artikel 30, lid 6, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) bepaalt, voor zover van belang, dat de belastingaanslag wordt gehandhaafd indien niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 43 ALL, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is.

4.10

In een onderneming zoals die van belanghebbende, waarbij een groot deel van de omzet per kas wordt ontvangen, vormt de kasadministratie een centraal en onmisbaar onderdeel van de administratie. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen controleerbare en sluitende kasadministratie heeft gevoerd. Zo zijn privé-stortingen en privé-opnames niet geregistreerd in het kladkasboek, en zijn in de jaren 2009 tot en met 2012 de ontvangsten en uitgaven niet geboekt in het kasboek. Daardoor is een kascontrole niet mogelijk. Verder zijn de banktransacties niet verwerkt in de financiële administratie. Voorts acht het Gerecht aannemelijk dat belanghebbende niet aan zijn bewaarplicht heeft voldaan, nu het grootboek over de jaren 2009 tot en met 2011 niet is bewaard.

4.11

Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende voor het jaar 2009 niet voldaan aan de op hem rustende administratie- en bewaarplicht zoals voorgeschreven in artikel 43 ALL. Het Gerecht acht deze schending voldoende ernstig voor toepassing van de bewijsregel van artikel 30, lid 6, ALL (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.12

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De navorderingsaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de winstcorrecties hoofdzakelijk gebaseerd op een herberekening van de omzet aan de hand van de aanwezige auto’s, het minimale huurtarief en een bezettingsgraad van de auto’s van 62% per jaar. Verder is voor de omzet met betrekking tot twee in 2011 verkochte auto’s uitgegaan van de verkoopwaarde van vergelijkbare auto’s. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de correcties onredelijk of willekeurig zijn vastgesteld.

4.13

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 30, lid 6, ALL bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184). Belanghebbende betoogt onder meer dat de gemiddelde bezetting van de auto’s geen 80% bedraagt, zoals de Inspecteur voor de schatting heeft aangenomen, maar slechts 65%.

4.14

De Inspecteur heeft echter de correctie in feite gebaseerd op een bezettingsgraad van de auto’s van 62% (80% van 77% (280/365 dagen)). Met zijn betoog heeft belanghebbende dus allesbehalve overtuigend aangetoond dat hij minder omzet heeft genoten dan de Inspecteur in aanmerking heeft genomen. Ook met hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, heeft belanghebbende dit tegenbewijs niet geleverd. Belanghebbende heeft derhalve niet op overtuigende wijze de onjuistheid aangetoond van de schatting van de Inspecteur of de voor de schatting gebruikte gegevens. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ 2009 zullen derhalve niet worden verminderd.

Vergrijpboete 2009

4.15

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een vergrijpboete van NAf 12.340 (25%) opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag inkomstenbelasting te laag is vastgesteld (artikel 20 ALL in samenhang met artikel 4.8, lid 1, Ministeriële regeling formeel belastingrecht).

4.16

Uit de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige onzorgvuldig te werk is gegaan, volgt nog niet dat deze onzorgvuldigheid kan worden aangemerkt als ten minste grove schuld. Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belastingplichtige als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid moet worden gekwalificeerd (vgl. HR 19 december 1990, nr. 25.301, ECLI:NL:HR:1990: ZC4481).

4.17

Hiervoor is overwogen dat belanghebbendes administratie, onder meer vanwege het ontbreken van een sluitende kasadministratie, ondeugdelijk en onbetrouwbaar is. Op basis van deze ondeugdelijke administratie heeft belanghebbende aangifte gedaan, hetgeen als een grove onachtzaamheid zijdens belanghebbende kan worden beschouwd. Het Gerecht acht derhalve aannemelijk dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende, hetgeen in beginsel aanleiding is voor een boete van 25%.

4.18

De boete van 25% is volgens het Gerecht in overeenstemming met de ernst van het vergrijp. Het Gerecht heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 met behulp van omkering en verzwaring van de bewijslast is komen vast te staan. Aan het Gerecht zijn geen persoonlijke en financiële omstandigheden gebleken die reden zijn voor matiging van de boetes.

4.19

Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek nog verzocht om de boetes te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Indien vóór de sluiting van het onderzoek reeds sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dient een verzoek om daarmee rekening te houden als regel uiterlijk op de zitting te worden gedaan (vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799 (https://www.navigator.nl/document/id8c8c32de3675445eb5a29736553f3966?anchor=id-189928a1-3c5c-4fb4-af3c-774097c2c553)). In het onderhavige geval was ten tijde van sluiting van het onderzoek op 22 februari 2017 de redelijke termijn reeds overschreden, zodat niet nadien nog een verzoek om vermindering kan worden gedaan.

Slotsom

4.20

Doende wat de Inspecteur zou behoren te doen, zal het Gerecht de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ 2009, alsmede tegen de vergrijpboete 2009, ongegrond verklaren.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

5.1

Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. De Inspecteur heeft voor het jaar 2009 niet tijdig uitspraak gedaan, waarna belanghebbende daartegen beroep heeft ingesteld. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (vgl. HR 30 november 2012, nr. 12/01076, ECLI:NL:HR:2012:BY4638). Dat het onderhavige geding voor het Gerecht niet tot een vermindering van de navorderingsaanslagen heeft geleid, doet daaraan niet af.

5.2

In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd.

5.3

Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 437,50 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor nadere zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 0,25 (beroep niet tijdig beslissen)).

Griffierecht

5.4

In onderhavige zaken was geen griffierecht verschuldigd, zodat dit niet vergoed hoeft te worden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2009, alsmede de boete 2009, gegrond;

- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over de jaren 2010 tot en met 2012, alsmede de boetes 2010 tot en met 2012, niet-ontvankelijk;

- verklaart het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2009, alsmede de boete 2009, ongegrond; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 437,50.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. S. Verheijen en mr. D.J. Jansen, rechters, en uitgesproken op 5 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf. 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500