Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:238

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
CUR201900221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring tenuitvoerlegging vonnis; rente; artikel 3:324 lid 3 BW; voortzetting executie nadat beroep op dwaling is gedaan; verrekening; ontvangst te kwader trouw; verrekening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. E. Kleist,

tegen

de naamloze vennootschap

ISLAND FINANCE (CURAÇAO) N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.F. Luidens.

Partijen worden aangeduid als [eiseres] en Island Finance.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 21 januari 2019, met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de behandeling ter zitting van 27 september 2019;

- de ter zitting door Island Finance overgelegde verklaring van verrekening.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van dit gerecht van 26 februari 2007 is [eiseres] veroordeeld om aan Island Finance te betalen een bedrag van NAf 12.288,39, vermeerderd met de rente van 1,5% per maand en met de proceskosten.

2.2.

Island Finance heeft dit vonnis op 10 maart 2007 aan [eiseres] laten betekenen.

2.3.

Op 24 augustus 2012 heeft Island Finance executoriaal beslag doen leggen op de pensioenuitkering van [eiseres] bij APC.

2.4.

Vanaf oktober 2012 heeft APC maandelijks een bedrag van NAf 510,77 op het pensioen van [eiseres] ingehouden ter uitvoering van het executoriaal beslag.

2.5.

De salarisstroken van [eiseres] vermelden vanaf maart 2015 dat de inhouding betrekking heeft op “interest Island Finance”.

2.6.

Bij brief van 24 augustus 2015 aan Island Finance heeft [eiseres] laten weten een beroep te doen op de verjaring van de rentevordering. In de brief verzoekt [eiseres] ook om het beslag op te heffen en hetgeen sinds februari 2015 is geïncasseerd terug te betalen.

2.7.

Bij brief van 28 maart 2017 heeft de gemachtigde van Island Finance onder andere het volgende aan de toenmalige advocaat van [eiseres] geschreven:

Op 24 augustus 2012 is er executoriaal derdenbeslag gelegd onder Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen ten laste van mevrouw [eiseres] voor hoofdsom, kosten en de rente.

Mevrouw [eiseres] heeft dit geaccepteerd en impliciet erkend.

Eind februari 2015 was de hoofdsom en kosten geheel voldaan en is de APNA per eind maart 2015 begonnen met het afdragen van de rente.

Pas in augustus 2015 nadat er al zo’n 6 maanden ingehouden was van de rente heeft mevrouw [eiseres] gemeend een beroep op verjaring te moeten doen.

Cliente meent dat mevrouw [eiseres] niet terug kan komen op de eerdere erkenning.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert Island Finance te veroordelen tot betaling van

NAf 15.974,90, vermeerderd met rente en met veroordeling in de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

Island Finance voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering heeft betrekking op de rente tot betaling waarvan [eiseres] in het vonnis van 26 februari 2007 is veroordeeld. Volgens [eiseres] was die vordering al verjaard op het moment dat Island Finance tot tenuitvoerlegging van dat deel van het vonnis overging. [eiseres] meent dat zij het hiermee gemoeide bedrag daarom onverschuldigd heeft betaald, zodat Island Finance tot terugbetaling verplicht is.

4.2.

Op grond van artikel 3:324 lid 3 BW is de verjaringstermijn voor tenuitvoerlegging van een vonnis ter zake een vordering als de onderhavige vijf jaar na datum van dat vonnis. Deze verjaring kan worden gestuit. In dit geval heeft de stuiting plaatsgevonden door middel van de betekening van het vonnis op 10 maart 2007. Niet ter discussie staat dat binnen vijf jaar nadien de verjaring niet opnieuw is gestuit. Dat betekent dat de rentevordering is verjaard.

4.3.

Verjaring doet de vordering als zodanig niet vervallen. Slechts de afdwingbaarheid is komen te vervallen. De vordering blijft als natuurlijke verbintenis voortbestaan. Nakoming van een natuurlijke verbintenis geschiedt niet zonder rechtsgrondslag. Hetgeen op grond van een natuurlijke verbintenis is betaald kan dus niet als onverschuldigd worden teruggevorderd.

4.4.

In dit geval is de tenuitvoerlegging van het vonnis feitelijk begonnen door middel van de beslaglegging in 2012 en de daarop volgende maandelijkse inhoudingen. Island Finance meent dat [eiseres], omdat zij niet tegen de beslaglegging en de inhoudingen is opgekomen, de verschuldigdheid van de vordering, inclusief de rente, heeft geaccepteerd en “impliciet” erkend (artikel 3:318 BW). Het gerecht verwerpt dat standpunt. De tenuitvoerlegging van het vonnis ter zake de hoofdsom was nog niet verjaard. [eiseres] had dus geen keus dan deze beslaglegging en de daarop volgende inhoudingen te accepteren. Uit het enkele feit dat [eiseres] ten tijde van de beslaglegging niet heeft geprotesteerd tegen de omstandigheid dat dit beslag mede voor de rentevordering werd gelegd kan Island Finance in redelijkheid niet hebben afgeleid dat [eiseres] de (afdwingbaarheid van de) rentevordering heeft erkend.

4.5.

Uit de brief van Island Finance van 28 maart 2017 en ook uit de omschrijving op de salarisstroken van [eiseres] volgt dat de inhoudingen op het pensioen aanvankelijk betrekking hadden op de hoofdsom en de kosten en daarna op de verschuldigde rente. Hieruit volgt dat Island Finance de toerekening van de maandelijkse betalingen in deze zin heeft aangewezen als bedoeld in artikel 6:43 lid 1 BW. Dit heeft tot gevolg dat de inhoudingen vanaf maart 2015 betrekking hadden op de rentevordering.

4.6.

Vast staat dat [eiseres] bij brief van 24 augustus 2015 tegen de inhoudingen heeft geprotesteerd en daarbij een beroep heeft gedaan op de verjaring van de rentevordering. Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat zij ook al eerder bij het kantoor van de gemachtigde van Island Finance langs is geweest. Zij is echter vaag gebleven over wanneer dit is gebeurd en wat zij toen precies heeft gezegd. Voor zover zij met deze verklaring heeft willen stellen dat zij eerder al een beroep op verjaring heeft gedaan, verwerpt het gerecht dat standpunt als onvoldoende concreet onderbouwd. Als vaststaand moet dus worden aangenomen dat [eiseres] (niet eerder dan) per augustus 2015 een beroep op de verjaring heeft gedaan.

4.7.

Hetgeen voorafgaande aan het beroep op verjaring is betaald ter zake de rentevordering is niet onverschuldigd betaald. Die betalingen moeten immers worden beschouwd als een vrijwillige voldoening van een natuurlijke verbintenis. De vordering is daarom niet toewijsbaar voor zover deze betrekking heeft op de termijnen van maart 2015 tot en met augustus 2015.

4.8.

Voor de na augustus 2015 geïncasseerde termijnen ligt dit anders. Wanneer een schuldenaar expliciet een (terecht) beroep op verjaring doet, kan hetgeen daarna nog is betaald niet worden beschouwd als een vrijwillige voldoening van een natuurlijke verbintenis – althans in elk geval niet in een situatie waarin die betaling als het ware is afgedwongen door middel van een executoriaal beslag. Dat doet zich hier voor. Vanaf dat moment had het op de weg van Island Finance gelegen om de incasso door middel van het beslag te staken. Door het beroep op verjaring te negeren en de incasso onverminderd voort te zetten, heeft Island Finance de betalingen te kwader trouw aangenomen (vergelijk artikel 6:205 BW). Niet van belang is of [eiseres] juridische maatregelen kon nemen tegen de voortgaande incasso (zoals een kort geding tot opheffing van het beslag). De verplichting om de incasso te staken is immers niet afhankelijk van rechterlijk ingrijpen.

4.9.

Hetgeen na augustus 2015 is geïncasseerd is dus onverschuldigd betaald. Island Finance is in beginsel gehouden het daarmee gemoeide bedrag terug te betalen.

4.10.

Ter zitting heeft Island Finance verklaard een eventuele vordering van [eiseres] tot terugbetaling te verrekenen met de (inmiddels verjaarde) rentevordering van Island Finance op [eiseres]. [eiseres] heeft in reactie hierop betoogd dat deze verrekening onredelijk is. Het gerecht verwerpt het beroep van Island Finance op verrekening op grond van het navolgende.

4.11.

Op zichzelf is het uitgangspunt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de vordering (artikel 6:131 BW). Het gerecht begrijpt het verweer van [eiseres] aldus dat zij meent dat Island Finance van deze verrekeningsbevoegdheid in de gegeven omstandigheden misbruik maakt. Dat standpunt is juist. De onderhavige situatie wordt hierdoor gekenmerkt dat Island Finance te lang is voortgegaan met het gebruik van een dwangmiddel om betaling door [eiseres] te verkrijgen. Island Finance was op zichzelf gerechtigd om dat dwangmiddel in te zetten: zij was bevoegd om haar vordering te incasseren door middel van een executoriaal beslag op het pensioen van [eiseres]. Van die bevoegdheid mocht zij echter geen gebruik meer maken op het moment dat [eiseres] een terecht beroep op verjaring deed. Door in weerwil van haar verplichting om de incasso te staken toch met die incasso voort te gaan, heeft Island Finance zichzelf in de positie gebracht dat er iets te verrekenen valt. Honoreren van het beroep op verrekening zou in die omstandigheden betekenen dat Island Finance profiteert van haar eigen onzorgvuldig handelen. Dat behoort in rechte niet te worden aanvaard.

4.12.

Island Finance heeft nog aangevoerd dat [eiseres] met haar vordering over het hoofd ziet dat zij in het vonnis van 26 februari 2007 tot betaling is veroordeeld en dat zij vanaf dat moment verplicht was aan die veroordeling te voldoen. Dat is op zichzelf juist, maar doet aan het voorgaande niet af. Inherent aan het fenomeen van de verjaring is nu eenmaal dat de schuldeiser op enig moment betaling van hetgeen hem op zichzelf toekomt niet meer kan afdwingen. Island Finance had dit zelf eenvoudig kunnen voorkomen door de verjaring tijdig te stuiten. Niet gebleken is van omstandigheden die meebrengen dat dit in dit specifieke geval niet van Island Finance kon worden gevergd.

4.13.

De vordering tot terugbetaling van hetgeen na augustus 2015 is geïncasseerd is dus toewijsbaar. Blijkens het overzicht dat als productie 7 bij verzoekschrift is gevoegd, waarvan de juistheid niet ter discussie staat, is hiermee een bedrag gemoeid van NAf 11.236,94 (22 termijnen van NAf 510,77).

4.14. [

eiseres] vordert de wettelijke rente met ingang van 24 augustus 2015. Hoewel op grond van artikel 6:205 BW kan worden aangenomen dat Island Finance zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt, is de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf die datum niet toewijsbaar. De termijnen die [eiseres] onverschuldigd heeft betaald en die Island Finance moet terugbetalen, waren op dat moment nog niet geïncasseerd. De wettelijke rente kan op dat moment dus nog niet zijn gaan lopen. Bij het verzoekschrift is een ingebrekestelling van 26 november 2018 overgelegd. Op die datum waren alle termijnen inmiddels voldaan. Die datum zal het gerecht daarom als ingangsdatum voor de wettelijke rente aanhouden.

4.15.

Island Finance zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 750 griffierecht,

NAf 234,05 explootkosten en NAf 2.000 salaris.

4.16.

Het verzoek om kosteloos te mogen procederen is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.

5 De beslissing

5.1.

veroordeelt Island Finance tot betaling aan [eiseres] van NAf 11.236,94, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 26 november 2018 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt Island Finance in de proceskosten van [eiseres], begroot op

NAf 2.984,05;

5.3.

verleent [eiseres] toestemming om kosteloos te procederen;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.