Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:216

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
CUR201902949
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de Eilandsverordening personenvervoer wordt geen termijn voor verweerder gesteld om op een aanvraag om een vergunning, dan wel een ontheffing, voor de exploitatie van een of meer toerwagens te beschikken. Verweerder dient dus binnen een redelijke termijn op de aanvraag te beschikken. Op grond van vaste jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX4950) is een termijn van vier maanden een redelijke termijn als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Lar. Nu verweerder niet binnen een termijn van vier maanden op de aanvraag heeft beslist, was de beslistermijn verstreken. Het Gerecht oordeelt voorts dat de door verweerder gestelde onhaalbaarheid van de aanvraag hem niet ontslaat van de verplichting te beslissen op de aanvraag, aangezien de haalbaarheid van een aanvraag geen wettelijk vereiste is. De met een beschikking gelijkgestelde weigering een beschikking te geven kan dan ook kennelijk niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

op grond van artikel 79, eerste lid, van de Lar in het geding tussen:

[naam eiseres],

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes,

en

de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.C. Herrera.

Procesverloop

Op 20 augustus 2019 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om te beschikken op de door haar op 17 april 2019 bij verweerder ingediende aanvraag om een vergunning, dan wel een ontheffing, voor de exploitatie van een of meer toerwagens (de aanvraag).

Verweerder heeft op 16 september 2019 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van de Eilandsverordening inzake het vervoer van personen met motorrijtuigen op de openbare weg tegen vergoeding (A.B. 1969, no. 23, zoals daarna herhaaldijk gewijzigd; de Eilandsverordening personenvervoer) kunnen vergunningen door het bestuurscollege worden verleend voor het exploiteren van onderscheidenlijk een kleine autobus, een huurauto, een of meer grote autobussen of een of meer toerwagens.

Op grond van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, kan de belanghebbende tegen een weigering van een vergunning of van een voortzetting ener vergunning, of een wijziging, niet verlenging, schorsing of intrekking van een vergunning bij de eilandsraad in beroep komen door de indiening van een bezwaarschrift binnen veertien dagen na de uitreiking van een afschrift van het besluit aan de betrokkene of een zijner huisgenoten.

1.2.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Landsverordening algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur verkrijgen de in artikel 1 bedoelde eilandsverordeningen van het eilandgebied Curaçao de staat van landsverordeningen van Curaçao.

Op grond van artikel 6, vijfde lid, treden, waar melding wordt gemaakt van ambten, organen, instellingen, diensten of kantoren van het eilandgebied Curaçao, daarvoor in de plaats de overeenkomstige met inachtneming van de Staatsregeling ingestelde ambten, organen, instellingen, diensten of kantoren van het land Curaçao. Op grond van het negende lid treedt, waar van enige beslissing beroep wordt opengesteld op de eilandsraad, daarvoor in de plaats beroep overeenkomstig de bepalingen van de Lar.

1.3.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lar wordt met een beschikking gelijkgesteld een weigering om een beschikking te geven. Op grond van het derde lid geldt, wanneer de wettelijk gestelde termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven of – bij het ontbreken van zulk een termijn – wanneer niet binnen redelijke tijd een beschikking is gegeven, dat als het weigeren van het geven van een beschikking.

Op grond van artikel 16, eerste lid, wordt het beroepschrift ingediend binnen zes weken na de dag, waarop de beschikking is gegeven of geldt als geweigerd.

Op grond van artikel 79, eerste lid, kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien verdere behandeling van het beroepschrift hem niet nodig voorkomt.

2. Het Gerecht acht verdere behandeling van het beroepschrift niet nodig, omdat de bestreden beschikking kennelijk niet in stand kan blijven. Hij overweegt daartoe het volgende.

2.1.

Eiseres heeft op 17 april 2019 het verzoek op grond van de Eilandsverordening personenvervoer ingediend. In deze landsverordening wordt geen termijn voor verweerder gesteld om op een aanvraag te beschikken. Verweerder dient dus binnen een redelijke termijn op de aanvraag te beschikken. Op grond van vaste jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX4950) is een termijn van vier maanden een redelijke termijn als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Lar. Verweerder heeft thans nog niet op het verzoek beslist. Nu verweerder niet binnen een termijn van vier maanden op de aanvraag heeft beslist, was de beslistermijn verstreken zonder dat hij deze termijn heeft verdaagd. De met een beschikking gelijkgestelde weigering een beschikking te geven kan dan ook kennelijk niet in stand blijven.

2.2.

Het betoog van verweerder dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard wegens de niet haalbaarheid van de aanvraag, wordt door het Gerecht niet gevolgd. Het Gerecht overweegt daartoe dat de haalbaarheid van een aanvraag geen wettelijk vereiste is voor het doen van een aanvraag. De door verweerder gestelde onhaalbaarheid van de aanvraag ontslaat hem dan ook niet van de verplichting te beslissen op de aanvraag.

3. Het Gerecht zal het beroep gegrond verklaren en bepalen dat verweerder binnen één maand alsnog moet beslissen op de aanvraag.

4. Het Gerecht ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Het Gerecht begroot de proceskosten op NAf 175,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt NAf 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak). Voorts zal het Gerecht bepalen dat het Land het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van NAf 150,- aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de weigering om te beschikken op de aanvraag om een vergunning, dan wel een ontheffing, voor de exploitatie van een of meer toerwagens;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen één maand alsnog moet beslissen op de aanvraag;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van NAf 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig Nederlands-Antilliaanse guldens), te betalen aan eiseres;

  • -

    draagt het Land Curaçao op het betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig Nederlands-Antilliaanse guldens) aan eiseres te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, rechter in het Gerecht, en bekend gemaakt op 27 september 2019 te Curaçao, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Loef, griffier.

Tegen deze beslissing staat verzet open binnen twee weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak. Zie artikel 80 van de Lar.