Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:215

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
810.00003/18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vonnis blauw

formele relatie: ECLI:NL:OGEAC:2019:205

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 810.00003/18 (strafzaak)

Uitspraak: 27 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van dit gerecht in de strafzaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 februari 2018, 14 juni 2018, 15 februari 2019, 24, 25 en 28 juni 2019, 6, 7 en 19 augustus 2019 en 6 september 2019.

Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden mrs. O.A. Martina en S.K. Snel, verder ook gezamenlijk de raadsman te noemen, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting van 14 juni 2018 en 24 juni 2019 op vordering van de officier van justitie toegestane wijzigingen tenlastelegging. Van die dagvaarding en van beide vorderingen wijziging tenlastelegging is een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

De verdenking komt er - kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1

het gewoontewitwassen dan wel schuldwitwassen van USD 158.132.616,- althans USD 142.450.804,- , ANG 105.720,65, USD 40.211,- en EUR 6.535,-;

Feit 2

het valselijk opmaken van een drietal facturen;


Feit 3

het gebruikmaken en voorhanden hebben van die facturen;

Feit 4

het overtreden van een viertal financieel-strafrechtelijke bepalingen.

Met betrekking tot feit 2 stelt het gerecht vast dat aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2015 tot 6 juli 2015 valse facturen heeft opgemaakt. De datum van 1 januari 2015 berust op een kennelijke misslag gelet op het feit dat i) de facturen volgens de tenlastelegging zouden zijn opgemaakt op 22 juli 2014 en ii) het gebruik van die facturen volgens de tenlastelegging zou hebben plaatsgevonden in de periode vanaf 1 januari 2010 tot en met 6 juli 2015. Het gerecht leest de tenlastelegging daarom verbeterd, in die zin dat ook onder feit 2 de periode van 1 januari 2010 tot en met 6 juli 2015 wordt aangehouden. De verdachte wordt door deze lezing niet in zijn verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, op de grond dat in deze zaak sprake is van een aantal onherstelbare vormverzuimen/schendingen, die bij elkaar genomen zo ernstig zijn, dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, zijnde een beginsel van behoorlijke procesorde, is geschonden, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dit moet volgens de raadsman op grond van artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) primair leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair tot strafvermindering. Hetgeen de raadsman heeft gesteld komt er kort gezegd op neer dat sprake is van:

a. schending van de redelijke termijn;

b. schending van het beginsel van equality of arms;

c. schending van het vertrouwensbeginsel;

d. schending van het gelijkheidsbeginsel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor niet-ontvankelijk verklaring.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Ad a. Schending redelijke termijn


Op 6 juli 2015 heeft een huiszoeking plaatsgevonden in het hoofdkantoor van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] aan de [adres bedrijf 1] in Curaçao. De verdachte was op dat moment in het gebouw aanwezig maar is niet aangehouden. Pas op 4 maart 2016 is hij voor het eerst als verdachte gehoord, zijnde het eerste moment dat vanwege de overheid jegens de verdachte een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De verdachte is in totaal zes keer verhoord, de laatste keer op 10 maart 2016. Het politieonderzoek is op 3 mei 2017 afgerond. De inleidende dagvaarding voor de terechtzitting op 23 februari 2018 is op 13 september 2017 uitgebracht. Ter terechtzitting is het onderzoek een aantal keren geschorst in verband met het horen van zestien getuigen bij de rechter-commissaris. Er zijn vervolgens veertien getuigen gehoord in de periode tussen 17 mei 2018 en 24 oktober 2018, waarna de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 24, 25 en 28 juni 2019, alsmede op 6, 7 en 19 augustus 2019. Het onderzoek is gesloten op 6 september 2019 en de uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg vindt plaats op 27 september 2019.

Tussen het eerste verhoor van de verdachte op 4 maart 2016 en de uiteindelijke uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg op 27 september 2019 is een periode van ongeveer drie en een half jaar verstreken. Daarvan wordt de periode tot 3 mei 2017 gerechtvaardigd door de omvang en de complexiteit van het politieonderzoek. Het geding in eerste aanleg is niet afgerond binnen twee jaar daarna, maar pas op 27 september 2019, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM van 5 maanden.

Volgens vaste jurisprudentie moet dit leiden tot eventuele strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is geen plaats. In onderhavige zaak is het bestaan van bijzondere omstandigheden die nopen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet aannemelijk geworden, met name ook niet de schending/opeenstapeling van andere vormverzuimen, zoals hierna zal blijken.

Ad b. Schending van het beginsel van equality of arms


De raadsman heeft betoogd dat de verdediging niet of pas in een laat stadium de beschikking heeft gekregen over de stukken van de zaak Cymbal en de verklaring van de getuige [getuige1] en de door deze gemaakte afspraak met het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft deze stukken achtergehouden, waardoor ten opzichte van de verdediging steeds voorsprong bestond en het beginsel van equality of arms is geschonden.

Het gerecht stelt vast dat zowel het gerecht als de verdediging geruime tijd voor de inhoudelijke behandeling de beschikking hebben gekregen over het dossier in de zaak Cymbal. Niet aannemelijk is geworden dat de verdediging op enigerlei wijze is bemoeilijkt doordat niet eerder over dat dossier werd beschikt. De verklaring van 18 april 2019 van de getuige [getuige1] is ingekomen op 14 juni 2019. Het gerecht begrijpt dat de reden daarvoor was gelegen in het feit dat nog enige tijd is onderhandeld over de tussen het openbaar ministerie en deze getuige te maken afspraken. Ook hier is niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie de verklaring heeft achtergehouden om de verdediging op achterstand te zetten. De verdediging is ook nog in de gelegenheid geweest om de getuige ter terechtzitting vragen te stellen. Het enkele feit dat het openbaar ministerie met de hoofdverdachten afspraken heeft gemaakt over de afdoening van hun zaken, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van een eerlijk proces.

Ad c. en d. Schending vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel

De raadsman heeft voorts betoogd dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe kort samengevat het volgende gesteld:

- er is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, nu het openbaar ministerie ten aanzien van de verdachte en andere medewerkers van de [bedrijfsnaam 1] ([ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]) tot vervolging is overgegaan, terwijl het al sinds 2011 (onderzoek Bientu) op de hoogte was van het verschijnsel swipen en ook wist dat [getuige1], de hoofdverdachte in het onderhavige feitencomplex, zich daarmee bezighield. Het heeft niettemin tot 2015 geduurd voordat men tot vervolging is overgegaan. Al die tijd was het swipen een algemeen bekend en geaccepteerd verschijnsel in Curaçao, waaraan iedereen meedeed zonder dat iemand daarvoor werd vervolgd, zodat er bij de verdachte een gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat het swipen in Curaçao niet verboden was;

- daarnaast is er sprake van willekeur, nu het openbaar ministerie slechts ten aanzien van de werknemers van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] tot vervolging is overgaan, terwijl alle anderen niet zijn vervolgd ofwel met hen een schikking, transactie of andere overeenkomst is gesloten. De verdachte heeft daardoor het gevoel dat hij niet gelijk is behandeld en is uitgekozen uit een grote groep swipers, terwijl anderen hun gewone leven konden voortzetten.

Het gerecht overweegt als volgt.

Het opportuniteitsbeginsel brengt mee dat het openbaar ministerie op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het justitieel beleid ten aanzien van het al dan niet vervolgen van verdachten van strafbare feiten, belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat - in geval van vervolging - in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter, althans de toetsing door de rechter is marginaal. Slechts indien, gelet op de beginselen van een behoorlijke procesorde, het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, kan er sprake zijn van het vervallen van het recht tot strafvervolging en een door de rechter uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

In deze zaak levert het enkele feit dat anderen, waaronder banken en bedrijven die op een of andere manier ook betrokken zouden zijn geweest bij het swipen, een transactie is aangeboden of niet worden vervolgd, daartoe onvoldoende grond. Ook overigens is geen omstandigheid gebleken waaruit zou moeten worden afgeleid dat het openbaar ministerie bij zijn belangenafweging niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen de verdachte wel te vervolgen en anderen mogelijk niet.

De omstandigheid dat het openbaar ministerie niet direct of kort nadat het in 2011 ervan op de hoogte kwam dat [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] zich bezighield met swipen, tot vervolging is overgegaan, terwijl dat mogelijk toen al wel had gekund, maakt niet dat de verdachte daaraan redelijkerwijs een door het openbaar ministerie opgewekte verwachting heeft kunnen ontlenen dat het swipen (strafrechtelijk) gedoogd werd. Het feit dat de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] ter zitting in eerste aanleg hebben verklaard dat swipen, overigens in verschillende varianten, op grote schaal in Curaçao voorkwam en dat dit om verschillende redenen werd toegelaten, maakt evenmin dat door het openbaar ministerie het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat niet strafrechtelijk zou worden opgetreden.

De beslissing tot strafvervolging van de verdachte is dus noch in strijd met het vertrouwensbeginsel, noch met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur.

Op grond van al het voorgaande concludeert het gerecht dat beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling wordt tekort gedaan, niet zijn geschonden. Voor niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op deze grond is dan ook geen plaats. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 4

Verjaring

Aan de verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 6 juli 2015 al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in een aantal financieel-strafrechtelijke landsverordeningen en een regeling. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Voor zover onder 4 de niet opzettelijke overtreding van de landsverordeningen en regeling is ten laste gelegd, vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in drie jaren.

Het recht tot strafvordering is in dit geval daarom komen te vervallen door verjaring, indien en voor zover deze overtredingen zijn begaan voor 7 juli 2012, zijnde drie jaren voorafgaande aan de datum van de vordering tot huiszoeking, zijnde die vordering een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit. Het openbaar ministerie is daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte voor wat betreft de onder 4 ten laste gelegde niet opzettelijke overtredingen, voor zover deze feiten zijn begaan voor 7 juli 2012.

Bewezenverklaring

Het gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 , 3 en 4 ten eerste is ten laste gelegd, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 6 juli 2015 in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, hierin bestaande dat hij verdachte en zijn mededaders, van geldbedragen tot een totaalbedrag van ongeveer USD 4.985.778,14, telkens de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen of verhuld en telkens die geldbedragen heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij van het plegen daarvan een gewoonte heeft gemaakt;

- ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

hij op 22 juli 2014 in Curaçao tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk facturen:

  • -

    een factuur van [bedrijfsnaam 2]. d.d. 22 juli 2014, factuurnummer 14029378, voor een bedrag van USD 790,00 en

  • -

    een factuur van [bedrijfsnaam 2]. d.d. 22 juli 2014, factuurnummer 14029376, voor een bedrag van USD 137.289,00 en

  • -

    een factuur van [bedrijfsnaam 2]. d.d. 22 juli 2014, factuurnummer 14029377, voor een bedrag van USD 3.845,00

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens opzettelijk valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande die valsheid hierin dat telkens opzettelijk in strijd met de waarheid op die facturen is vermeld – zakelijk weergegeven – dat een of meer op die facturen genoemde goederen waren verkocht;

- ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

hij in de periode van 22 juli 2014 tot en met 6 juli 2015 in Curaçao tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften:

  • -

    een factuur van [bedrijfsnaam 2]. d.d. 22 juli 2014, factuurnummer 14029378, voor een bedrag van USD 790,00 en

  • -

    een factuur van [bedrijfsnaam 2]. d.d. 22 juli 2014, factuurnummer 14029376, voor een bedrag van USD 137.289,00 en

  • -

    een factuur van [bedrijfsnaam 2]. d.d. 22 juli 2014, factuurnummer 14029377, voor een bedrag van USD 3.845,00

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als waren die geschriften echt en onvervalst en voornoemde geschriften telkens voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken en voorhanden hebben hierin dat hij, verdachte en zijn mededaders deze facturen telkens aan klanten hebben overhandigd en/of in hun bedrijfsadministratie hebben opgenomen en/of hebben bewaard ter verantwoording van de geldtransacties en/of ter controle door een externe accountant en/of als grondslag voor de jaarrekeningen, bestaande die valsheid hierin dat telkens opzettelijk in strijd met de waarheid op die facturen is vermeld – zakelijk weergegeven – dat de op die facturen genoemde goederen waren verkocht;

- ten aanzien van het onder 4 ten eerste ten laste gelegde –

hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 6 juli 2015, tezamen en in vereniging met anderen in Curaçao, opzettelijk in strijd heeft gehandeld met het verbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren tot het in of vanuit Curaçao uitoefenen van geldtransactiekantoor zonder voorafgaande vergunning van de Bank, hebbende hij, verdachte en zijn mededaders met dat opzet

  • -

    betalingen uit het buitenland in ontvangst genomen middels credit/debit cards en/of

  • -

    betalingen in contanten verricht en/of

  • -

    girale overboekingen verricht naar diverse bankrekeningen in het buitenland van de houders van die credit/debit cards,

zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededaders niet in het bezit waren van een voorafgaande vergunning van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten.

Het gerecht acht niet bewezen hetgeen onder 1 en 2 en 3 en 4 ten eerste meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1 verklaring verdachte

1.1

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2019. Deze verklaring houdt in – zakelijk weergegeven – :

Ik was een agent voor de [ALPHABETHREEKS bedrijf 1] groep (hierna: [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]). Mijn code was GV. Ik swipete voor [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Onder swipen versta ik dat ik de klant, die via een pinapparaat bij mij op kantoor een betaling deed, dit bedrag contant uitbetaalde of op zijn bankrekening stortte, zonder dat daaraan een verkoop van een product of dienst ten grondslag lag. Ik had een eigen kantoorruimte in het pand aan de [naam straat] met pinapparaten van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. De pinautomaten stonden op naam van de [bedrijfsnaam 2] (hierna: [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]) of [bedrijfsnaam 3].

Ik kreeg mijn swipe omzet, minus de commissie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], via de bank overgemaakt en dat betaalde ik, minus mijn commissie, weer door aan mijn klanten. Ik noteerde dagelijks mijn totale swipe dagomzet. Dit gaf ik door aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Om de klanten direct contant uit te kunnen betalen ontving ik contant geld van [getuige 1]. Het klopt dat er bij de doorzoeking in de kluis op mijn kantoor een aanzienlijk bedrag contant geld is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit geld was van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1].

U zegt mij dat er facturen zijn aangetroffen in de administratie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] met de codenaam GV. Ik wist dat er soms op verzoek van de klant facturen werden opgemaakt. Ik zag weleens facturen liggen op mijn kantoor.

Ik betaalde mijn subagenten ongeveer de helft van wat ik verdiende. Mijn winst bedroeg ongeveer 1,5 tot 2% van de omzet. Met een totale omzet van 142 miljoen USD komt dat neer op 3 miljoen USD winst. Ik heb zelf berekend, rekening houdend met de kosten e.d., dat ik ongeveer 2,3 miljoen USD heb verdiend in de periode van 2011 tot 2015. Ik heb met het geld dat ik heb verdiend een huis gekocht. Daarnaast heb ik, zoals gezegd, veel kosten gehad en verder heb ik gewoon van het geld geleefd. Er is in ieder geval niets meer van het geld over.

2 Verklaringen van anderen

2.1

Een geschrift, zijnde een door [getuige 1] ondertekende verklaring van 18 april 2019. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van [getuige 1]:

De [bedrijfsnaam 1] ([ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]) bestond uit losse bedrijven met eenzelfde eigenaar. Het swipe fenomeen begon doordat Venezuela een vaste wisselkoers had van Bolivar naar USD. Venezolanen die een contigent toegewezen kregen, kregen dit ter beschikking op een debit card.

We gingen met agenten werken. [medeverdachte 1] (RA) was een van de eerste agenten. [medeverdachte 2] (LZ) kwam via zijn broer. Met [verdachte] (GV) maakte ik kennis in 2008. Hij was de grootste agent. Elke agent had zijn eigen provisie afspraak met ons. De meeste omzet ging via de agenten.

De agenten stelden ons op de hoogte van hun activiteiten. Die werden in Exact ingevoerd. De omschrijving was BH. De agenten hadden hun eigen code. Onze directe (eigen) klanten kwamen onder (de code) OG. Afrekening ging per batch minus onze provisie. Wij hielden in Excel bij hoeveel wij hun schuldig waren. In het boekhoudsysteem werd de ticketing (het gerecht begrijpt: de swipe transacties) bijgehouden per agent en daaraan werd als omschrijving BH of textiel gegeven. Dit werd in Exact ingevoerd. We wisten precies wat elke agent had verkocht.

Het eerste pinapparaat dat wij voor swipen gebruikten stond op naam van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]. De code van deze pinautomaat was kleding. Eind 2008 hebben we [bedrijfsnaam 3] (hierna: [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3]) opgericht. De code voor dit bedrijf was farmacie. Vanaf het begin hebben wij een boekhouding bijgehouden. [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] was de onderneming waarin alles met betrekking tot het swipen werd geboekt. Er waren in principe drie ondernemingen die wij daarvoor gebruikten: [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2], [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3] en [bedrijfsnaam 4], maar alle transacties waren gebundeld in [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]. Dit werd jaarlijks gecontroleerd door [BEDRIJFSNAAM 5].

Voor de Venezolaan was het soms nodig om een factuur op te maken. Zij moesten een bewijs hebben van hun aankoop en waar de uitgave was gedaan. Er mocht geen dollar exchange op staan. Wij maakten de facturen op voor onze eigen klanten. De agenten maakten de facturen voor hun eigen klanten op.

2.2

De verklaring van de getuige [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 augustus 2019. Deze verklaring houdt het volgende in – zakelijk weergegeven – :

[ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] was verantwoordelijk voor de boekhoudkundige afwikkeling van het swipen en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen aan onze agenten. Dagelijks stuurden onze agenten overzichten naar [office manager bedrijf 1]/[ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] waarin stond voor welke bedragen zij die dag hadden geswipet. Alle swipe transacties die de agenten aan ons doorgaven, werden door ons gecontroleerd, berekend en ingevoerd in het boekhoudsysteem Exact van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]. Door het invoeren van deze swipe gegevens in de bedrijfsadministratie hielden wij niet alleen de omzet bij, maar rolde er ook automatisch een factuur van de desbetreffende swipe transactie uit. Het software pakket waarin de swipe transactie werd uitgevoerd, genereerde automatisch deze factuur. [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]/[office manager bedrijf 1] hield de omzetten bij in een Excelsheet om zo zicht te houden op welke agent hoeveel verdiende en op onze betalingen aan hen en/of aan de klanten. Hij groeide in zijn taak mee met de complexiteit aan taken van het geheel.

Omdat de gegevens werden ingevoerd in het boekhoudsysteem van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2], een bedrijf dat in 2004 was gestart met de verkoop van lingerie in het Caribisch gebied, stond er automatisch op de verkoopfactuur dat dit ten behoeve van de verkoop van lingerie was. Uiteraard werd er geen lingerie verkocht, maar geld. De facturen waren bestemd voor de accountant.

Er was ook nog een andere soort facturen. Die waren bestemd voor de Venezolanen die bij ons kwamen swipen. Alleen als zij daarom vroegen werd er een factuur vanuit een Excel bestand opgemaakt en aan hen meegegeven. Deze factuur werd dus handmatig opgemaakt en ter plekke ter hand gesteld of naar hen gemaild. Ik heb de eerste Excel factuur opgemaakt en daarna werd deze gekopieerd voor alle andere facturen.

[ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] bracht aan de agenten een commissie in rekening van 10% en de agenten zelf rekenden 12% aan hun klanten, zodat hun commissie 2% bedroeg.

2.3

Een proces-verbaal van getuigenverhoor, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 14 juni 2019. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang als verklaring van [getuige 1]:

Ik heb de structuur en financiële kant voor het opereren met de swipemachines bedacht. De agenten maakten gebruik van onze swipemachines. Het overzetten van de swipegegevens uit het boekhoudprogramma naar Excel sheets werd door mijn werknemers gedaan. Dat waren [medewerker bedrijf 1] en [office manager bedrijf 1] samen met twee dames die voor hem werkten.

[office manager bedrijf 1] was onze office manager in [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Hij had de taak om de hele flow van klanten te managen, de swipe procedure en soms de betalingen. Hij moest de kleine kas bijhouden en de dagomzet afsluiten, berekenen en doorgeven. Toen we begonnen met swipen kwam hij in het kantoor van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werken en viel hij onder mij. [office manager bedrijf 1] kreeg daarvoor een salaris en een vergoeding voor de inzet, die niet gerelateerd was aan de swipe omzet.

Ik ken RFD, [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1]. De agenten hadden inkomsten uit provisie. [verdachte] had de hoogste provisie, dat was tussen de 3% en 4% van het geswipete bedrag. De anderen kregen netto 2%. Iedereen wist precies waarover het ging.

2.4

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt in de wettelijke vorm op 10 juli 2015 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (zelf genummerde ordner 11, bijlage 06A). Dit proces-verbaal houdt in, als de op 10 juli 2015 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 6]:

Ik ben de assistent van [office manager bedrijf 1]. Ik voer de geswipete bedragen en de naam die op de credit card staat in Exact Globe en daarna stuur ik het bestand naar [medewerker bedrijf 1]. Zij vermeldt het percentage dat van deze bedragen afgaat (het gerecht begrijpt: de commissie die [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] berekende aan de agenten). [office manager bedrijf 1] krijgt vervolgens het overzicht en die maakt de bedragen dan over aan de klant.
U toont mij een aantal kasoverzichten die op de kamer van [office manager bedrijf 1] zijn gevonden. Dat zijn de overzichten die ik invul. [office manager bedrijf 1] controleert de betalingen aan de hand van de geswipete transacties. [office manager bedrijf 1] vult de kolom standing cash in. Iedere agent/groep heeft een code.

U toont mij een stapel documenten die gebundeld zijn aangetroffen in het kantoor van [office manager bedrijf 1]. Op de bundel staat geschreven: “Done inv” (door het gerecht vertaald als: facturen afgehandeld). De bundel bestaat uit:

1) een voorblad met handgeschreven namen en bedragen;

2) een machtiging aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2];

3) een A4 met kopie van een credit card en kopie swipe transactie;

4) een print swipe transactie [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3] Amsterdam (het gerecht begrijpt: pinbon);

5) een factuur van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2], in dit geval met een omschrijving Ccell en Bra assortiment;

6) een tabel met daarop bedragen en een datum.

Deze bundel is opgemaakt door [medewerker van medeverdachte 2] (DZ) die voor [medeverdachte 2] werkt. Dit zijn namen en bedragen die voor [medeverdachte 2] zijn geswipet. Het betreft een Venezolaanse credit card en een printje (het gerecht begrijpt: pinbon) van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3]. Zij heeft er OK DZ op gezet. Ik heb een paraaf met “ Done inv.” erop gezet. Dit betekent dat ik de bedragen in Exact heb ingevoerd. Ik heb daarbij de code Ccel ingevoerd, de datum en het totaal bedrag en ook vul ik bij Item het woord Bras in. Vervolgens komt er automatisch Bras assorted te staan en geeft het systeem automatisch een nummer aan de factuur. Dan print ik de factuur uit en stuur ik die naar [medewerker bedrijf 1] voor verdere verwerking (Het gerecht begrijpt: voor betaling aan de agenten).

Op de facturen staan de volgende codes:

Pro staat voor [naam bank 1], dat is een bank in Venezuela.

Provinter staat voor internetaankoop.

Proveuro staat voor swipe aankoop in Europa via de bank [naam bank 1]

Povcur staat voor swipe aankoop in Curaçao via de bank [naam bank 1]

Achter deze code zetten wij de code van de agent die de kaarten heeft geswipet.

U toont mij een mapje met de lijsten van Grupo GV[bedrijfsnaam 1]. Deze documenten zijn van [verdachte]. [verdachte] zet op het voorblad het totaal (de totale swipe dagomzet) in dollars. Ik voer dat in Exact Globe en dan maak ik onder de code GV diverse facturen op van ProvinterGV, ProveuroGV, PovcurGV.

De pinapparaten met daarop de naam [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3] Amsterdam stonden bij [verdachte] en [medeverdachte 2] op de kamer. Op alle pinapparaten werd geswipet onder het mom van lingerie aankoop.

Als de klant om een factuur vraagt maak ik die op met daarop lingerie. De facturen die ik afgeef zijn van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] met daarop een bedrag. De klant heeft die factuur nodig om aan te tonen dat ze lingerie hebben gekocht anders mogen ze het tegoed in dollars niet opnemen. Ik printte de facturen vanuit Exact. Ik vulde de datum, naam en bedrag en Bras assorted in en het systeem gaf de factuur automatisch een nummer. Ik deed dit in opdracht van [office manager bedrijf 1]. Ik heb [office manager bedrijf 1] gevraagd of het allemaal wel kon wat wij deden. [office manager bedrijf 1] vertelde dat het geen probleem was.

2.5

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt in de wettelijke vorm op 7 juli 2015 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (zelf genummerde ordner 11, bijlage 04). Dit proces-verbaal houdt in, als de op 6 juli 2015 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [medewerker bedrijf 1]:

Ik doe de administratie van [bedrijfsnaam 1]. Onder [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] vallen verschillende bedrijven waaronder [bedrijfsnaam 2] (hierna: [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]). De swipe transacties worden onder de naam van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] geboekt.

Dagelijks krijg ik Excel sheets gemaild van [office manager bedrijf 1]. Zij behelzen een kolom met een datum, een nummer, een naam, een bedrag, een totaalbedrag. De sheets zijn voorzien van een codering. De codering behoort toe aan de persoon (het gerecht begrijpt: een agent) die de credit cards heeft verzameld. [office manager bedrijf 1] geeft mij de percentages door die de agenten moeten betalen. Ik doe de berekening van de kosten en voer dat in op de Excel sheet. Daarnaast krijg ik de opdracht van [office manager bedrijf 1] om transfers (het gerecht begrijpt dit als: overboekingen/betalingen) te doen. Dit heeft te maken met het swipen van credit cards.

2.6

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt in de wettelijke vorm op 9 juli 2015 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (zelf genummerde ordner 11, bijlage 05). Dit proces-verbaal houdt in, als de op 8 juli 2015 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 7]:

Ik werk voor [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Als Venezolanen swipen komt hun geld op een bankrekening (het gerecht begrijpt: van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]). Ik krijg van [office manager bedrijf 1] of [getuige 1] opdracht om de overboekingen/betalingen via de bank te verzorgen. Ik maak een overboeking naar waar de klanten uit Venezuela hun bankrekeningnummer hebben. De agent[medeverdachte 2] stuurt mij ook e-mails met de opdracht tot transfers (overboekingen aan Venezolanen). Zijn afkorting is LZ. Ik krijg soortgelijke opdrachten van [verdachte]. Ik zet dan de letters GV erbij.

2.7

Een proces-verbaal van getuige, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2019. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3]:

Ik ben accountant. Ik werkte bij [BEDRIJFSNAAM 5]. Tot aan mijn vertrek in 2009 was ik supervisor manager en senior manager. Daarna ben ik voor mezelf begonnen. Ik ken [getuige1]. [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] en de daaraan gelieerde ondernemingen waren klant bij mij. [getuige 1] was mededirecteur van deze vennootschappen. Ik maakte de jaarrekeningen op voor de vennootschappen van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Er waren twee bedrijfsactiviteiten. Een was de verkoop van lingerie en de andere bedrijfsactiviteit was swipen.

3 Bevindingen van verbalisanten

3.1

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt in de wettelijke vorm op 23 maart 2016 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] (proces-verbaalnummer 26DLR14005-838/zelf genummerd politiedossier ordner 4 bijlage 48). Dit proces-verbaal houdt in, als bevinding van verbalisant voornoemd:

Er is nader onderzoek gedaan naar de bestanden die tot stand zijn gekomen door het gebruik van het boekhoudpakket Exact Globe. In map 249 is de administratie van de boekjaren 2011 tot en met 2015 verwerkt. In het financiële dagboek is de bankrekening van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] ([bedrijfsnaam 2]) opgenomen. Deze boekhouding is er vooral op gericht om de onderlinge vorderingen en verplichtingen tussen [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]/[ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] ten opzichte van de agenten te administreren. Na afloop van het boekjaar wordt het totaal van de in dat jaar in Exact geboekte swipe omzet in de Twinfield administratie geboekt. Deze werd ook gebruikt om de andere bedrijfsactiviteiten (kleding groothandel) van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] te boeken. Accountant [getuige 3] heeft verklaard dat hij op grond van de Twinfield administratie de jaarrekening van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] opstelt. De swipe omzet en de omzet uit de kleding groothandel wordt als een post gepresenteerd namelijk als “sales”.

Iedere swipe transactie die in Exact werd geboekt kreeg een uniek factuurnummer toegekend. In totaal zijn er in de periode 1 januari 2011 tot en met 5 juli 2015 95.995 facturen aangemaakt. Deze verkoopfacturen van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] werden vanuit Exact aangemaakt op basis van de ingevoerde gegevens. Een van die gegevens is het item dat geleverd werd. Op facturen is vermeld Bras assorted. In werkelijkheid ontvingen de klanten dollars. Deze valse facturen vormden onderdeel van de administratie.

Deze facturen hebben als functie:

  • -

    om bedragen in de financiële administratie en uiteindelijke jaarrekening te kunnen onderbouwen;

  • -

    om geldstromen te verklaren die voortvloeien uit swipe transacties;

  • -

    om aan te kunnen tonen dat geen BTW verschuldigd is over de verkopen.

Bij de invoer in Exact wordt voor iedere agent een aparte klantcode gebruikt.


Klant code Exact naam Agent

GV [verdachte]

Ccel [medeverdachte 2]

LZ/[naam medeverdachte 2] [medeverdachte 2]

OG [office manager bedrijf 1]


De totale swipe omzet op basis van de boekingen in Exact bedraagt:
Jaar swipeomzet

2011 $ 53.659.390

2012 $ 66.393.547

2013 $ 34.497.827

2014 $ 64.127.210

2015 $ 14.900.247

Totaal $ 233.588.247

Deze omzet gespecifieerd per agent geeft het navolgende beeld:

Agent 2011 2012 2013 2014 2015 totaal_______

[verdachte] $ 142.450.804

[medeverdachte 2] $ 26.922.226

Eigen klanten $ 52.059.431

[ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] voerde ook swipe transacties uit onder een unieke subagent code. Specificatie van deze subagenten van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] levert het volgende op:

Soort 2011 t/m 2015 totaal

RA $ 13.383.802

In Exact werden de subagenten van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] apart geadministreerd onder een klantcode. De omzet van RFD en Rafael (het gerecht begrijpt: [medeverdachte 3]) betrof:

Subagent 2014 2015 totaal

RFD $ 1.653.229 $ 572.667 $ 2.225.896

Rafael $ 195.493 $ 1.790 $ 197.283

Totaal $ 2.423.179

3.2

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt in de wettelijke vorm op 8 juli 2018 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5] (proces-verbaalnummer 26DLR14005-1056/ Cymbal, map 2/37 p. 139 – 158). Dit proces-verbaal houdt in, als bevinding van verbalisanten voornoemd:

Op 19 augustus 2015 heeft de Bank aangegeven dat een geldtransactiedienst het bedrijfsmatig innemen is van contanten en het elders betaalbaar stellen daarvan. Een geldtransactiedienst mag sinds 1 maart 2015 op grond van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren uitsluitend verricht worden met een vergunning van de bank. De verkoop van contant geld aan Venezolanen is een geldwisseldienst (het gerecht begrijpt: geldtransactiedienst), waarvoor aan de verdachten geen machtiging is verleend.

3.3

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt in de wettelijke vorm op 22

maart 2016 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] (zelf genummerde ordner 4, bijlage 47). Dit proces-verbaal houdt in, als verklaring van verbalisant voornoemd:

Op 6 juli 2015 zijn tijdens de zoeking in het kantoor van [office manager bedrijf 1] in een ordner met daarop Done Inv. de navolgende facturen aangetroffen:

  • -

    de factuur met factuurnummer 14029378. Het logo op deze factuur is van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]. Het emailadres: [e-mail adres bedrijf 2] . De vervaldatum van de factuur is 22 juli 2014 en is gericht aan Eurogv Venezuela(gerecht begrijpt: swipe Europa [verdachte]). Op deze factuur wordt 1 Bras Assorted vermeld voor een bedrag van $ 790,-;

  • -

    de factuur met factuurnummer 14029376. Het logo op deze factuur is van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]. Het emailadres: [e-mail adres bedrijf 2] . De vervaldatum van de factuur is 22 juli 2014 en is gericht aan Eurogv Venezuela (gerecht begrijpt: swipetransactie pinapparaat Europa van [verdachte]). Op deze factuur wordt 1 Bras Assorted vermeld voor een bedrag van $ 137.289,-;

  • -

    de factuur met factuurnummer 14029377. Het logo op deze factuur is van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2]. Het emailadres: [e-mail adres bedrijf 2] . De vervaldatum van de factuur is 22 juli 2014 en is gericht aan Eurogv Venezuela (gerecht begrijpt: Swipe Europa [verdachte]). Op deze factuur wordt 1 Bras Assorted vermeld voor een bedrag van $ 3.845,-.

4 Geschriften

4.1

Een geschrift, te weten een standpuntbepaling van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten d.d. 31 augustus 2017, inhoudende:

De in het proces-verbaal met nummer 26DLR14005-1056 genoemde verdachten voor zover hier van belang – [medeverdachte 4], [getuige 1] en [medeverdachte 5] en de ondernemingen [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] en [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3] hadden in de periode tussen 1 maart 2015 en 6 juli 2015 geen vergunning, vrijstelling of ontheffing om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen.

4.2

Een geschrift, te weten een brief van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten van 18 februari 2016 aan het openbaar ministerie. (politiedossier zelf genummerd ordner 11, bijlage 02 bij bijlage 13). Deze brief houdt in:

De natuurlijke personen:

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 3]

[verdachte]

[office manager bedrijf 1]

beschikken niet over een ontheffing en/of vergunning van de Bank om als geldtransactiekantoor te werk te gaan.

Nadere bewijsoverweging

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1

Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat vaststaat dat het

desbetreffende voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit een daaraan voorafgaand, door de verdachte zelf of door anderen gepleegd, voltooid misdrijf, het zogeheten gronddelict.

Voorwerpen met betrekking tot welke een misdrijf is begaan, zijn niet reeds daardoor afkomstig uit enig misdrijf.

De officier van justitie heeft in het requisitoir inzichtelijk gemaakt welke misdrijven naar zijn oordeel het gronddelict hebben gevormd, de opbrengst waarvan door de verdachte zou zijn witgewassen.

Dat betreft in hoofdzaak vier (categorieën) gronddelicten, te weten:

a. oplichting/valsheid in geschrift, alsmede overtreding van Venezolaanse toezicht- en deviezenbepalingen, gepleegd door de Venezolanen bij de aanvraag van hun (dollar)contingent bij de Venezolaanse overheid;

b. onbekende misdrijven gepleegd door derden, van wie [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] het contante geld aantrok waarmee de Venezolanen (ook door de verdachten) werden betaald;

c. opzettelijke overtredingen van Curaçaose strafbepalingen inzake het financiële- en deviezenverkeer, gepleegd door de verdachten zelf;

d. het opmaken en gebruiken van valse facturen en pinbonnen, gepleegd door de verdachten zelf.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Ad a. Oplichting/valsheid in geschrift, alsmede overtreding van Venezolaanse toezicht- en deviezenbepalingen


Vooropgesteld moet worden dat er geen aanwijzingen zijn dat de op de credit/debit-cards geplaatste dollar-tegoeden of -kredieten in oorsprong afkomstig waren uit enig misdrijf. Het ging om legaal geld, dat door de Venezolaanse overheid tegen een gunstige vaste wisselkoers op de cards was geplaatst.
Voorts biedt het dossier geen bewijs voor de veronderstelling dat de Venezolanen, wier kaarten op Curaçao door de verdachten werden geswipet, reeds bij het aanvragen van hun contingent (cupo) in Venezuela van plan waren die cupo in strijd met de Venezolaanse toezicht- en deviezenbepalingen te besteden, zodat zij deze cupo onder valse voorwendselen van de Venezolaanse overheid zouden hebben verkregen. Op welke wijze en met welke intentie de individuele klanten van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] hun cupo’s hebben verkregen is immers niet onderzocht.
Daarnaast is ook niet gebleken dat de verdachten kennis hadden van de wijze waarop en de intentie waarmee de cupo’s door hun klanten waren aangevraagd of van hetgeen er na uitbetaling aan hun klanten met het geld gebeurde. Nu de cupo’s waren uitgegeven door de Venezolaanse overheid hadden de verdachten ook geen reden om aan de legale herkomst van de cupo’s te twijfelen. Te minder gezien het feit dat ook de banken de tegoeden op kaarten van Venezolanen in contante dollars uitbetaalden via hun ATM pinautomaten.


De slotsom is dat het plegen van oplichting/valsheid in geschrift bij het aanvragen van de cupo’s in Venezuela, al dan niet in combinatie met de overtreding van Venezolaanse toezicht- en deviezenbepalingen, niet kan gelden als gronddelict, waarvan de verdachten de opbrengst zouden hebben witgewassen.

Daarnaast merkt het gerecht ten overvloede op dat het zeer de vraag is of het in de Venezolaanse deviezenbepalingen neergelegde verbod om deviezen aan te wenden voor andere doeleinden dan die de aanleiding vormden voor de aanvraag daarvan, wel voldoet aan het voor het gronddelict van witwassen geldende vereiste van dubbele strafbaarheid, nu het gerecht geen vergelijkbare Curaçaose strafbepaling bekend is die de verstrekking van deviezen aan burgers slechts toelaat voor bepaalde doeleinden en die straf stelt op het doen van daarvan afwijkende bestedingen.

Ad b. Het innemen van contante gelden met criminele herkomst.

Het gerecht acht evenmin bewezen dat de verdachten in de ten laste gelegde periode aanzienlijke hoeveelheden contant geld met een criminele herkomst voorhanden hebben gehad dan wel dat zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat het contante geld dat zij van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] ontvingen om daarmee hun eigen klanten uit te betalen, afkomstig was van criminele derden.

Door verbalisanten is berekend dat in de ten laste gelegde periode een bedrag van 17 tot 38 miljoen USD aan contante uitbetalingen door [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] niet kan worden verklaard als zijnde afkomstig uit het swipe proces zelf (de zogeheten kasrondjes) en/of uit contante opnamen van de bank, zodat het dus wel moet zijn verkregen van derden en naar alle waarschijnlijkheid een criminele herkomst heeft. De officier van justitie vindt hiervoor onder meer aanwijzingen in het zogeheten Bientu onderzoek en wijst erop dat in dat onderzoek is vastgesteld dat [getuige1] via de bankrekeningen van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 2] en [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 3] in de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 januari 2012 afgerond minimaal 2.6 miljoen USD aan contanten in ontvangst heeft genomen van [naam 1] en dat dit “crimineel” geld betrof.


Nog afgezien van het feit dat dit bedrag nog lang niet de herkomst van de totaal berekende som van 17 respectievelijk 38 miljoen USD kan verklaren, blijkt hieruit niet dat de verdachten die voor [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werkten ook wisten of hadden moeten vermoeden dat [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] hen voorzag van geld met een mogelijk criminele herkomst. Daarvoor bevat ook het dossier in de zaken Troja en Cymbal geen bewijs.

Immers, met uitzondering van de verdachte [office manager bedrijf 1](hij heeft contante geldbedragen ingenomen van bevriende ondernemers in Curaçao), is niet komen vast te staan dat de verdachten zelf ooit contant geld hebben aangetrokken van derden. Dat zij, als zelfstandig opererende agenten onder de paraplu van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], het beheer van de geldstromen hebben overgelaten aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], die geen kasadministratie bijhield, maakt dat zij als financiële dienstverlener weliswaar een risico hebben genomen, maar niet dat zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het (eventuele) contante geld dat zij van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] ontvingen, uit misdrijf afkomstig was. Te minder nu dit contante geld, voor zover zij konden waarnemen, werd opgenomen van de bankrekening van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], een voor hen onverdachte bron.

De eventuele misdrijven waarmee derden het contante geld hebben verdiend, dat zij vervolgens aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] ter beschikking stelden, kunnen dan ook evenmin gelden als gronddelict, waarvan de verdachten de opbrengst zouden hebben witgewassen.

Ad c. Opzettelijke overtredingen van Curaçaose strafbepalingen inzake het financiële- en deviezenverkeer

Zoals hierna bij de bespreking van het bewijs van feit 4 zal blijken, kan van de ten laste gelegde overtredingen van de destijds op Curaçao geldende strafbepalingen inzake het financiële- en deviezenverkeer alleen de opzettelijke overtreding van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren in de periode van 1 maart 2015 tot en met 6 juli 2015 bewezen worden.

Dit misdrijf kan gelden als gronddelict, waarvan de verdachten de opbrengst hebben witgewassen.


Ad d. Het opmaken en gebruiken van valse facturen en pinbonnen

Zoals hierna bij de bespreking van het verweer terzake van het medeplegen zal blijken, heeft de verdachte samen met anderen valse pinbonnen opgemaakt en gebruikt.

Zoals uit de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 blijkt, kan bewezen worden dat de verdachte samen met anderen opzettelijk facturen heeft vervalst en deze valse facturen heeft gebruikt.

Deze misdrijven kunnen gelden als misdrijven, waarvan de verdachten de opbrengst hebben witgewassen.

Als opbrengst van de misdrijven onder c. en d. kan dus niet worden beschouwd de gehele omzet, die door de verdachte en zijn mededaders is gegenereerd.

Immers, het feit dat deze omzet - voor [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] in de ten laste gelegde periode in totaal ruim 200 miljoen dollar - (gedurende een korte periode) is behaald in het kader van een verboden wijze van bankieren/swipen zonder vergunning, en (gedurende de hele ten laste gelegde periode) is behaald en afgeschermd met behulp van valse facturen en valse pinbonnen, en dat bedrag dus is aan te merken als voorwerp met betrekking waartoe een misdrijf is begaan, betekent nog niet dat daardoor dit gehele geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. De legale herkomst van die gelden verandert immers niet doordat zij voorwerp worden van “swipen”. Dat is af te leiden uit ECLI:NL:HR:2014:3046 betreffende hawala-bankieren, alsook uit ECLI:NL:HR:2018:327 betreffende de export van goud.

In die zin is er een parallel te trekken met de ontnemingsrechtspraak van de Hoge Raad, met als strekking dat geldbedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde witwassen, niet reeds daardoor ook wederrechtelijk verkregen voordeel vormen (ECLI:NL:HR:2013:BY5217).

Als opbrengst van de onder c. en d. genoemde misdrijven kan daarom slechts worden beschouwd hetgeen de verdachte met die misdrijven heeft verdiend. Dus ook alleen dat bedrag kan zijn witgewassen.

Over de hoogte van het witgewassen bedrag overweegt het gerecht als volgt.


Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode een omzet heeft gehad van USD 142.450.804,-, zijnde het bedrag dat in de administratie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] is opgenomen als swipes van de agent met code GV. De verdachte heeft erkend dat deze code van hem was.

De officier van justitie stelt dat de verdachte daarnaast ongeveer 30 miljoen USD heeft omgezet aan swipe transacties op eigen pinterminals, dus los van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Dit betreft een extra omzet van 20%, blijkend uit een door de verdachte zelf bijgehouden Excel sheet over het jaar 2014. De officier van justitie stelt dat de uit de administratie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] blijkende omzet over de gehele ten laste gelegde periode met dat percentage moet worden verhoogd.

Het gerecht gaat daar niet in mee. Over de aard van verdachtes eigen swipe activiteiten en met name over de vraag of daarbij ook gebruik werd gemaakt van valse facturen, pinbonnen en dergelijke, is niets bekend. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de met die activiteiten verdiende commissie afkomstig is van misdrijf en dus ook niet dat ook in dat geval sprake was van witwassen. Ook is niet bekend hoe lang dit eigen swipen heeft geduurd. Het gerecht gaat daarom uit van een omzet van USD 142.450.804,-.

Zoals hierboven al is overwogen, kan alleen hetgeen de verdachte met het swipen heeft verdiend, dus zijn commissie, worden aangemerkt als witgewassen. Volgens de officier van justitie moet die commissie worden gesteld op 5,28%, zijnde het winstpercentage dat kan worden afgeleid uit bovengenoemd Excel sheet over 2009.

Volgens de verdachte bedroeg zijn commissie ongeveer 1,5 tot 2% en heeft hij, rekening houdend met de kosten, in de periode 2011 tot en met 2015 met het swipen ongeveer 2,3 miljoen USD verdiend.

Het gerecht overweegt daarover als volgt.

[getuige1] heeft ter zitting van 6 augustus 2019, onder de met het openbaar ministerie overeengekomen verplichting om onomwonden openheid van zaken te geven over onder meer de rol van de agenten bij het swipen, onder ede verklaard dat [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] vanaf 2009 aan de agenten een commissie in rekening bracht van 10% en dat de agenten zelf 12% rekenden, zodat de agenten 2% “pakten”. Voor [verdachte] rekende [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] echter een andere commissie, te weten ongeveer 8,5%. Hieruit volgt dat de verdachte maximaal 3,5% aan commissie zou hebben ontvangen.
Nu de door het openbaar ministerie daartegenover gestelde berekening ziet op slechts een gedeelte van de ten laste gelegde periode, en verdachtes betwisting van de 5,28% wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 1] en het in verband met de aanwezige concurrentie ook logisch is dat alle agenten bij [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] ongeveer op dezelfde prijs voor de klant uitkomen (12%), neemt het gerecht niet het percentage van 5,28% als uitgangspunt voor de berekening, maar het door de getuige [getuige 1] genoemde percentage van 3,5%. Dat betekent dat de verdachte met het swipen een bedrag van ongeveer USD 4.985.778,14 heeft verdiend.

Dit bedrag is ook witgewassen, nu de verdachte heeft verklaard dat hij met het verdiende geld een huis heeft gekocht en dat hij er verder van heeft geleefd. De verdachte zegt ook een deel van zijn commissie te hebben uitbetaald aan de subagenten die voor hem werkten. Er is volgens de verdachte niets meer over van het geld dat hij met het swipen heeft verdiend.

Omdat aannemelijk is dat de op basis van de administratie (dus tot en met 6 juli 2015) berekende commissie op die datum nog niet volledig zal zijn uitgegeven en dus ook niet volledig zal zijn witgewassen, acht het gerecht niet het exact berekende bedrag bewezen, maar ongeveer dat bedrag.


Het gerecht beschouwt de in het kantoor van de verdachte in beslag genomen geldbedragen van ANG 105.720,65, USD 40.211,- en EUR 6.535,- niet als

witgewassen, omdat dit kennelijk geen verdiensten van de verdachte betreft, maar handelsgeld.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 4

Aan de verdachte is onder feit 4 cumulatief dan wel alternatief ten laste gelegd dat

hij, in de periode van 1 januari 2010 tot en met 6 juli 2015, als medepleger, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een viertal financieel strafrechtelijke bepalingen, neergelegd in:

a.) de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren en/of

b.) de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 en/of

c.) de Landsverordening Deviezenverkeer en/of

d.) de Regeling deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten.

Het gaat hierbij om misdrijven die elk een andere juridische strekking hebben en met verschillende strafbepalingen worden bedreigd. Het gerecht zal het onder 4 ten laste gelegde daarom opvatten als cumulatief ten laste gelegd en niet, zoals tevens is ten laste gelegd, als alternatieve, elkaar uitsluitende wettelijke bepalingen.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Ad a. De Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren


Deze Landsverordening is op 1 maart 2015 in werking getreden.


Art. 2 lid 1 jo art. 74 van deze Landsverordening stelt strafbaar het in of vanuit Curaçao uitoefenen van het bedrijf van geldtransactiekantoor zonder voorafgaande vergunning van de Centrale Bank. Een geldtransactiekantoor wordt daarin gedefinieerd als:

Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde, geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan.

Een geldtransactie wordt in de wet gedefinieerd als:

Het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden aan een derde elders betaalbaar te stellen, of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden nadat deze gelden of geldswaarden ter beschikking zijn gesteld, waarbij deze geldelijke overmaking een op zich zelf staande dienst is.

Gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende werkwijze van het swipen voldoet het uitvoeren van swipes, zoals door de verdachten verricht, naar het oordeel van het gerecht aan de definitie van een bedrijfsmatige geldtransactie als bedoeld in deze

Landsverordening. Bij het swipen krijgen de verdachten immers in het kader van een geldelijke overmaking, door het door het apparaat halen van de credit/debit card, de beschikking over girale gelden van de Venezolaan, om deze vervolgens giraal of contant, onder inhouding van de commissie voor de verdachten, aan de Venezolaan betaalbaar te stellen. Deze overmaking betreft niet een betaling voor de levering van enig goed of enige dienst, maar is een op zichzelf staande dienst.

Dit onder 4 ten eerste ten laste gelegde feit kan daarom bewezen worden verklaard.

Ad b. De Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994


Het ten laste gelegde art. 45 lid 1 jo art. 50 van deze Landsverordening stelt strafbaar het zich direct of indirect tot het publiek wenden ter zake van het aantrekken van gelden of het verlenen van kredieten door anderen dan geregistreerde kredietinstellingen. Art. 1, lid 1 onder c. definieert een kredietinstelling als:


een onderneming of instelling, die in belangrijke mate haar bedrijf maakt van het ter beschikking krijgen van gelden, direct of op termijn opvorderbaar, al dan niet in de vorm van spaargelden of tegen uitgifte van een of meer soorten schuldbewijzen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen.

Het gerecht is van oordeel dat het swipen niet kan worden aangemerkt als het aantrekken van publieke gelden in de betekenis van deze Landsverordening, nu de verdachten immers de van de Venezolanen verkregen gelden, onder inhouding van een commissie, vrijwel meteen weer aan hen uitbetaalden, zodat dus niet gezegd kan worden dat hun bedrijf gericht was op het ter beschikking krijgen van gelden en het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen.

De verdachte moet daarom van het onder 4 ten tweede ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Ad c. en d. De Landsverordening Deviezenverkeer en de Regeling Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten


In art. 10 lid 1, resp. lid 2, jo art. 28 van de Landsverordening Deviezenverkeer en art. 11 lid 1, resp. lid 2, jo art. 81 van de Regeling Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten is strafbaar gesteld het zonder vergunning van de Centrale Bank verrichten van, resp. meewerken aan betalingsverkeer met het buitenland, behoudens het vrije betalingsverkeer.

Zowel in de Landsverordening als in de Regeling is bepaald dat vrij is het betalingsverkeer met het buitenland bestaande uit betalingen en ontvangsten aan, respectievelijk van niet-ingezetenen, ter zake van het verrichten van diensten. Nu het swipen moet worden aangemerkt als een (geldtransactie)dienst, waarvoor gelden werden ontvangen van, en werden betaald aan, niet ingezetenen, heeft de verdachte niet gehandeld in strijd met de ten laste gelegde bepalingen.
De verdachte moet daarom ook van de onder 4 ten derde en ten vierde ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

Bespreking verweer medeplegen

De raadsman heeft aangevoerd, voor zover nog van belang, dat de verdachte van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken op de grond dat onvoldoende bewijs voorhanden is, dan wel dat verdachtes handelen van te geringe betekenis is geweest in de uiteindelijke verwezenlijking van de delictsomschrijving, om te kunnen spreken van medeplegen van het opmaken, voorhanden hebben en gebruiken van valse facturen. De raadsman heeft daartoe gesteld dat het opmaken van facturen tot de taken van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] behoorde en de verdachte hierin slechts een faciliterende rol had.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, welke samenwerking moet zijn gericht op de bewezen verklaarde strafbare gedraging. Indien het medeplegen in de kern niet heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, is vereist dat de bijdrage van de verdachte voorafgaand en/of tijdens dan wel na het plegen van het strafbare feit van voldoende gewicht is (materieel dan wel intellectueel) om van medeplegen te kunnen spreken.

Uit de bewijsmiddelen leidt het gerecht met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het opmaken en gebruiken van de valse facturen en pinbonnen het volgende af.

In de administratie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] is een groot aantal facturen aangetroffen met daarop de codenamen van de agenten te weten: GV, LZ, OG, RA en RFD/Rafael vermeld. De code GV was de codenaam van de verdachte.

De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg van 24 juni 2019 verklaard dat zijn swipe omzet, waaraan geen verkoop van een product ten grondslag lag, onder zijn codes in de administratie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werd opgenomen. In een bedrijfsadministratie worden – kort gezegd - alle financiële en niet financiële gegevens van een bedrijf vastgelegd. Het is een feit van algemene bekendheid dat een noodzakelijk onderdeel daarvan de facturatie is. De verdachte wist dus dat van zijn swipe activiteiten facturen werden opgemaakt. Hij zag, zo verklaart hij zelf, ook wel eens facturen liggen op zijn kantoor. Ook wist hij dat er soms op verzoek van de klant facturen werden opgemaakt. Dat de verdachte aangemerkt kan worden als medepleger van het opmaken, voorhanden hebben en gebruikmaken van de valse facturen blijkt uit het navolgende.

De verklaringen van de administratieve medewerksters [getuige 6], medewerker bedrijf 1] en [getuige 7] in onderling verband en samenhang beschouwd met de verklaring van [getuige 1], houden met betrekking tot het opmaken van de valse facturen het volgende in. Alle agenten: [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], moesten iedere dag hun swipetransacties doorgeven aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] teneinde deze op te laten nemen in de bedrijfsadministratie van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1]. Zij gaven daartoe de naam door van de persoon voor wie zij geswipet hadden, het bedrag dat er geswipet was, een kopie van de debet of creditcard, de voucher (de valse pinbon) van de verrichte pintransactie, alsmede de machtiging van de kaarthouder aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] om het gepinde bedrag van diens rekening te innen. Al deze gegevens werden door de medewerksters van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] gecontroleerd, verwerkt en in de boekhouding en in Excelbestanden opgenomen, met als doel de onderlinge betalingsverplichtingen tussen [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] en haar agenten vast te stellen, alsmede om de financiële stromen tussen [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] en de agenten tegenover derden (lees: de banken en de Belastingdienst) te verklaren. Van al deze werkzaamheden was de verdachte [office manager bedrijf 1] de leidinggevende. Hij legde hierover verantwoording af aan zijn baas en directeur van het bedrijf [getuige1].

Het invoeren van de door de agenten aangeleverde gegevens had als resultaat dat het door [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] gebruikte boekhoudsysteem Exact Globe bij het verwerken van deze gegevens automatisch een factuur opmaakte, met een uniek factuurnummer, waarop stond vermeld dat de factuur was opgemaakt ten behoeve van de verkoop van lingerie, hetgeen overeenkwam met de door de agent meegestuurde valse voucher/pinbon waarop stond dat de verkoop had plaatsgevonden bij een bedrijf dat zich bezighield met kledingverkoop.

Deze facturen, tezamen met de valse pinbonnen gaven dus niet weer wat er in werkelijkheid was gebeurd - omdat er, zoals de verdachte ook ter zitting heeft verklaard, aan de pintransactie niet de verkoop van een product ten grondslag lag, maar alleen een swipe - en waren dus vals. Niettemin bleef de verdachte zijn gegevens steeds aanleveren aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], die alles in de bedrijfsadministratie bijhield en de verdachte vervolgens op basis daarvan uitbetaalde.

Gelet op deze werkwijze en de daarin noodzakelijke aanlevering van gegevens door de verdachte, waaronder de aanlevering van de valse vouchers/pintransactiebonnen, teneinde de valse facturen (automatisch) te kunnen opmaken, met welke facturen betalingsstromen tussen [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] en hemzelf tegenover derden konden worden verklaard, acht het gerecht de materiële bijdrage van de verdachte in de verwezenlijking van de strafbare feiten van voldoende gewicht om tot een bewezenverklaring te komen van het opmaken, voorhanden hebben en gebruiken van valse facturen. Door keer op keer valse gegevens aan te leveren aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], waarvan de verdachte wist dat deze door [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werden geadministreerd, wist de verdachte dat die administratie, waaronder de facturen, niet overeenkwam met de werkelijkheid, maar een valse voorstelling van zaken gaf.

Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

- ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde -

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

- ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde -

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde -

medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift als bedoeld in artikel 2:184, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 2:184, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht als echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van het onder 4 ten eerste ten laste gelegde -

medeplegen van opzettelijk in strijd handelen met het bepaalde onder artikel 2 eerste lid van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover de verdachte ter terechtzitting een beroep heeft gedaan op afwezigheid van alle schuld op de grond dat hij in het recht heeft gedwaald overweegt het gerecht nog als volgt. De verdachte heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat swipen niet strafbaar was omdat het in Curaçao een algemeen aanvaard verschijnsel was, dat in alle openheid gebeurde en waarvan alle bevoegde autoriteiten, waaronder ook de banken, op de hoogte waren. Nu daartegen door de betrokken autoriteiten niet werd opgetreden, meende de verdachte dat het swipen was toegestaan dan wel werd gedoogd.

Het gerecht overweegt als volgt.

Voor het slagen van een beroep op rechtsdwaling is vereist dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een geoorloofde onbewustheid ten aanzien van de wederrechtelijkheid van zijn gedraging.

Hetgeen door de verdachte ter ondersteuning van zijn betoog is aangevoerd levert geen feiten en omstandigheden op die de conclusie kunnen dragen dat hij mocht menen dat swipen niet strafbaar was.

Op de verdachte rustte de zelfstandige verplichting om te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daaromtrent tijdig en goed op de hoogte te stellen. Van die verplichting was hij niet ontslagen doordat hij als agent onder de paraplu van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werkzaam was of doordat ook veel anderen op Curaçao aan het swipen waren. Niet gesteld en niet aannemelijk is geworden dat de verdachte bij enige bevoegde instantie navraag heeft gedaan naar het bestaan van voor het swipen bestaande rechtsregels, terwijl dit wel voor de hand had gelegen, aangezien de verdachte wist dat met betrekking tot dit swipen op grote schaal valse facturen en valse pinbonnen werden opgemaakt.


Het gerecht verwerpt dit verweer.

Wel zal het gerecht in straf verminderende zin rekening houden met de omstandigheid dat in Curaçao op grote schaal openlijk werd geswipet en dat hiertegen lange tijd niet is opgetreden.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht. Tevens heeft hij de verbeurdverklaring gevorderd van de onder de verdachte op kantoor inbeslaggenomen geldbedragen van ANG 105.720,65 en USD 40.211,- en EUR 6.535,-, alsmede de vernietiging van zeven pinterminals.

De raadsman heeft verzocht, indien het gerecht tot een bewezenverklaring komt, hem niet tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door het openbaar ministerie is gevorderd te veroordelen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het is begaan en op de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het gaat om een zeer omvangrijke fraudezaak, waarbij op ingenieuze en goed georganiseerde wijze een vorm van financiële dienstverlening op poten is gezet

– het swipen tegen betaling - waarbij op grote schaal valsheid in geschrift is gepleegd. De opbrengsten van die operatie zijn veiliggesteld en witgewassen. In krap vijf jaar tijd is in totaal ruim 200 miljoen dollar omgezet en is een winst behaald van enkele tientallen miljoenen dollars. Een dergelijke grootschalige fraude schaadt de integriteit van het financiële verkeer en kan een ondermijnende werking hebben op de samenleving.

De verdachte was in deze goed geoliede machine werkzaam als agent op het hoofdkantoor van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], het bedrijf van de hoofdverdachten [getuige 1] en [medeverdachte 6] in Curaçao. Hij was verantwoordelijk voor het swipen op zijn eigen kantoor en heeft op deze manier een omzet behaald van ruim 142 miljoen USD. Het daarmee door hem verdiende bedrag van bijna 5 miljoen dollar heeft hij witgewassen door het uit te geven.

De hoofdverdachten hebben in de parallelle Nederlandse strafzaak Cymbal met het openbaar ministerie een raamwerkovereenkomst en een schikkingsovereenkomst gesloten in ruil voor een milde strafeis. De rechtbank Overijssel heeft in hun zaken op 4 september 2019 uitspraak gedaan. De hoofdverdachten zijn wegens schuldwitwassen van ruim 280 miljoen USD (over een langere periode dan in de onderhavige zaak), valsheid in geschrift en oplichting veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van respectievelijk 5 en 6 jaar. De rechtbank heeft de tussen de hoofdverdachten en het openbaar ministerie overeengekomen milde strafeis niet passend geacht.

Voor de strafoplegging in de onderhavige zaak is van belang dat het gerecht niet bewezen acht dat de verdachte zijn gehele omzet, dus USD 142.450.804,-, heeft witgewassen. Nu de desbetreffende geldbedragen door de Venezolaanse overheid op de credit/debit cards van de klanten van de verdachten waren geplaatst, mochten de verdachten er immers vanuit gaan dat het legaal geld betrof. Het openbaar ministerie heeft het tegendeel niet kunnen aantonen.

Ook kan niet worden bewezen dat de verdachten wisten of moesten vermoeden dat [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] contant geld innam van mogelijk criminele derden, nu, voor zover zij dat konden waarnemen, die contanten door [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werden opgenomen bij de bank.

Verder weegt het gerecht mee dat het financieel-economisch strafrecht op Curaçao tot 1 maart 2015 het handelen van de verdachten niet strafbaar stelde.

Wel hebben de verdachten het swipen administratief verantwoord door het opmaken en gebruiken van valse facturen en valse pinbonnen, waarop stond dat het ging om kledingaankopen, terwijl er in werkelijkheid geldbedragen waren geswipet tegen betaling van een commissie. Daarom zijn de daarmee gegenereerde verdiensten, dus USD 4.985.778,14 aan te merken als van misdrijf afkomstig en moet het uitgeven van die verdiensten als witwassen worden gekwalificeerd.

Hoewel verdachtes rol ondergeschikt was aan die van de bedenkers, organisatoren en eigenaren van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1], heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten waarvoor in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Het gerecht heeft echter ook rekening te houden met het feit dat het swipen in Curaçao een algemeen aanvaard verschijnsel was, dat in alle openheid gebeurde. Zo heeft de getuige [getuige 2], werkzaam als general manager bij de [naam bank 2]Bank ([logo bank 2]), ter zitting verklaard dat veel Venezolanen naar Curaçao kwamen om hier hun debit cards te swipen tegen Amerikaanse dollars. In het begin ging dit gewoon via de ATM automaten maar omdat de rijen steeds langer werden, wendde men zich tot de ondernemers op Curaçao. “We waren er bij de bank mee bekend dat er bij [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] werd geswipet door Venezolanen. We wisten immers dat de Venezolanen in groten getale naar Curaçao kwamen om dollars op te nemen,” aldus deze getuige.

Ook de accountant [getuige 3], die de jaarrekeningen van [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] opmaakte, heeft verklaard dat hij wist dat een van de bedrijfsactiviteiten het swipen was. Hij had geen enkele reden om daarover ongerust te zijn, omdat het merendeel van de betalingen van de swipe transacties verliep via de banken, die onder toezicht stonden van de Centrale Bank, zo stelt hij. [getuige 3] las in de jaarrapporten van de Centrale Bank in 2008 en 2009 dat het mede aan het dollartoerisme uit Venezuela te danken was dat het goed ging met de economie in Curaçao. Ook gaf de Centrale Bank geen waarschuwing af dat swipen tegen contant geld illegaal was, aldus deze getuige.

Ten slotte heeft [getuige 5] als getuige ter zitting verklaard dat swipen destijds een wijd verbreid fenomeen was op Curaçao, waaraan hij als eigenaar van een van de grootste supermarkten ook meedeed. “Business was booming” en de economie draaide op volle toeren dankzij het swipen. De [logo bank 2] ontving van elke transactie 3%. Het was een publiek geheim; de supermarkten, WTC, de restaurants, allemaal deden ze er aan mee, aldus deze getuige.

In een tijdens de zitting door mr. Murray als raadsman van de verdachte [medeverdachte 1] overgelegd artikel uit de New York Times van 13 maart 2008 wordt in alle openheid melding gemaakt van de grote aantallen Venezolanen die naar Curaçao kwamen om hier hun geld in te wisselen tegen dollars om zo aan de strenge deviezenbepalingen van hun eigen land te ontkomen.

Tenslotte heeft het gerecht kennisgenomen van het feit dat de hoofdverdachte [getuige1] al in 2012 door de FIOD is gehoord en toen heeft verklaard over het swipen en heeft aangeboden om zijn administratie aan het openbaar ministerie over te leggen. Het gerecht merkt op dat dit toen niet heeft geleid tot enige kenbare actie aan de kant van het openbaar ministerie en dat het nog tot 2015 heeft geduurd, voordat de vervolging tegen de verdachten aanving.

Hoewel dus niet gezegd kan worden dat sprake was van een bestuurlijk dan wel strafrechtelijk gedoogbeleid, heeft de passieve opstelling van de autoriteiten ten aanzien van het openlijk en op grote schaal plaatsvindende swipen er feitelijk wel toe geleid dat het swipen in Curaçao jarenlang ongemoeid is gelaten en, mede vanwege de voordelen die het voor het eiland opleverde, ongeremd heeft kunnen groeien. In dat klimaat kon voor de verdachten – zij het nog steeds ten onrechte – de indruk ontstaan dat het met de strafbaarheid van hun handelen wel meeviel. Hoewel de verdachten beter hadden moeten weten, vooral omdat zij wisten dat de swipe machinerie draaide op valse facturen en valse pinbonnen, heeft dit wel een sterk matigende invloed op de strafmaat, in die zin dat het gerecht daardoor een straf passend acht, die meebrengt dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt.

Daarbij weegt ook mee dat de verdachte beschikt over een blanco strafblad en, inmiddels ruim vier jaar nadat de strafzaak tegen hem een aanvang nam, zijn leven weer min of meer op orde heeft.

Omdat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, zal geen vermindering worden toegepast wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Al het voorgaande leidt ertoe dat het gerecht zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met een proeftijd van twee jaar, welke straf het gerecht passend en geboden acht.

Verbeurdverklaring

Uit een proces-verbaal van huiszoeking, opgemaakt in de wettelijke vorm op 10 juli 2018 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] (politiedossier zelf genummerd 11 p. 1 t/m 6) blijkt dat op 6 juli 2015 bij een huiszoeking in het pand [adres bedrijf 1], het zogenaamde [bedrijfsnaam 1] gebouw, onder het bureau in de kantoorruimte van [verdachte] een kleine kluis werd aangetroffen.

Uit een proces-verbaal van storting, opgemaakt in de wettelijke vorm op 9 juli 2015 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 8] en [opsporingsambtenaar 6] (politiedossier ordner 2, bijlage 01A) blijkt dat in de kluis bundels geld werden aangetroffen. Bij controle door de bank werden de definitieve bedragen vastgesteld: ANG 105.720,65 en USD 40.211,- en EUR 6.535,-.

Blijkens bovengenoemde processen-verbaal van huiszoeking zijn deze bedragen onder de verdachte in beslag genomen. Deze geldbedragen behoren volgens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting toe aan [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] en waren hem ter beschikking gesteld voor de contante uitbetalingen van Venezolanen in Curaçao. Op grond van het voorgaande dienen deze geldbedragen te worden verbeurdverklaard en zijn zij daarvoor vatbaar aangezien [ALPHABETHREEKS BEDRIJF 1] bekend was met het gebruik van deze gelden bij het onder 1 bewezen geachte feit van gewoonte witwassen.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [opsporingsambtenaar 4] opgemaakt op 2

december 2015 houdt in dat tijdens de huiszoeking op de 1ste en 2de etage van

het pand aan de [naam straat] in het kantoor van de verdachte [verdachte]

zeven pinterminals zijn aangetroffen. Het gerecht verstaat de vordering van de

officier van justitie aldus, dat hij heeft gevorderd dat deze apparaten worden

verbeurdverklaard.

Nu het hier gaat om pinapparaten die nog niet zijn teruggegeven aan de

rechtmatige eigenaar en waarvan kennelijk niet is kunnen worden vastgesteld

aan wie zij toebehoren, dienen deze apparaten te worden verbeurdverklaard,

aangezien met betrekking tot deze apparaten het onder 1 bewezen geachte feit

van gewoontewitwassen is begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:1 lid 2, 1:19, 1:20, 1:21, 1:62, 1:67, 1:68, 1:123, 1:136, 2:184 en 2:405 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 74 van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren.

Beslissing

Het gerecht:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover dit betreft de onder 4 ten eerste, ten tweede, ten derde en ten vierde ten laste gelegde niet opzettelijke overtredingen, begaan in de periode tot en met 6 juli 2012;

spreekt de verdachte vrij van de overige onder 4 ten tweede, ten derde en ten vierde ten laste gelegde feiten;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en

– voor zover nog aan de orde – 4 ten eerste ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten eerste meer of anders ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor omschreven en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren;

verklaart verbeurd de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen: ANG 105.720,65, USD 40.211,- en EUR 6.535,-, alsmede zeven pin-

terminals.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. drs. S.M. van Lieshout, bijgestaan door mr. F. Kruiswijk, zittingsgriffier, en op 27 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Witteman uitgesproken ter openbare terechtzitting van het gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier