Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:212

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
810.00006/18 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontnemingsbeslissing blauw

formele relatie: ECLI:NL:OGEAC:2019:211

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 810.00006/18 (ontneming)

Uitspraak: 27 september 2019

Tegenspraak

Beslissing van dit gerecht van 27 september 2019, gegeven op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

adres: [adres] in [woonplaats].

Procesverloop

Het openbaar ministerie heeft een ongedateerde vordering ingediend voor de terechtzitting van 23 februari 2018 die inhoudt dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van

ANG 232.320,- en ANG 838.087,29 en USD 17.580,- en EUR 5,- en AWG 100,-.

De veroordeelde is bij vonnis van het gerecht van heden in de strafzaak veroordeeld ter zake van - kort gezegd en voor zover hier van belang – een gewoonte maken van witwassen (feit 1). Deze feiten zijn gepleegd op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 en met 6 juli 2015. Aan de veroordeelde is een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van achttien maanden, met verbeurdverklaring van geldbedragen van ANG 995,-, USD 895,-, AWG 100,-, EUR 5,- en USD 16.685,47.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 februari 2018, 14 juni 2018, 15 februari 2019, 24, 25 en 28 juni 2019, 6 en 7 augustus 2019 en 6 september 2019.

Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan het Land ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals genoemd in de vordering.

Hij heeft voor de precieze berekening verwezen naar het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel in het dossier. Dit proces-verbaal houdt wat die berekening betreft in dat het voordeel is gebaseerd op het salaris dat de veroordeelde in dienst van [ALPHABETHREEKS 1] heeft ontvangen in de ten laste gelegde periode van in totaal ANG 232.320,- (de officier van justitie rekent 66 maanden), alsmede de op de bankrekeningen van de veroordeelde contant gestorte bedragen van USD 16.685,47 en ANG 838.087,27, alsook de onder de veroordeelde aangetroffen contante geldbedragen van EUR 5,- en AWG 100,-.

De veroordeelde heeft geen kosten opgevoerd die in directe relatie staan tot het voltooien van de strafbare feiten waaruit het voordeel afkomstig is zodat er om die reden geen aftrek moet worden toegepast.

Standpunt van de verdediging.

De raadsman van de veroordeelde heeft aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities bepleit dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.

Oordeel van het gerecht

Het gerecht acht aannemelijk geworden dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van het onder 1. bewezenverklaarde feit waarvoor hij is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het gerecht schat, met overneming van de bewijsmiddelen en de overwegingen met betrekking tot het witgewassen bedrag, zoals opgenomen in het vonnis in de strafzaak van heden, het wederrechtelijk verkregen voordeel op ANG 190.080,- aan salaris (over 54 maanden) + ANG 837.092,29 aan contante stortingen = ANG 1.027.172,29 en USD 26.000,-- aan contante stortingen.

Deze bedragen staan, naar de koers van 6 juli 2015 van 1,79 ANG per USD gelijk aan ANG 1.027.172,29 +ANG 46.540 = ANG 1.073.712,29.

De veroordeelde heeft geen kosten genoemd, die van het wederrechtelijk verkregen voordeel zouden moeten worden afgetrokken.

Wel moeten worden afgetrokken de in het strafvonnis van heden verbeurd verklaarde bedragen van ANG 995,-, USD 895,- (omgerekend ANG 1.602,05), AWG 100,- (omgerekend ANG 99,-) en EUR 5,- (omgerekend ANG 9,90), aangezien deze bedragen geacht moeten worden onderdeel uit te maken van het thans te ontnemen bedrag aan genoten salaris.

Ook moet worden afgetrokken het in het strafvonnis van heden verbeurd verklaarde bedrag van USD 16.685,47 (omgerekend ANG 29.866,99), aangezien dit bedrag geacht moet worden onderdeel uit te maken van het thans te ontnemen bedrag van USD 26.000,-.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet geen rekening worden gehouden met de te verwachten fiscale consequenties van de voordeelsontneming door deze in mindering te brengen op het geschatte bedrag, aangezien, voor zover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer ongedaan wordt gemaakt indien en voor zover dat voordeel wordt ontnomen (ECLI:NL:HR:1998:ZD0947).

Gelet op al het bovenstaande schat het gerecht het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op ANG 1.073.712,29 minus ANG 32.572,94 = ANG 1.041.139,35,-.

Verplichting tot betaling aan het Land

Redelijke termijn

Voor zover het gerecht uit de beschikbare stukken heeft kunnen afleiden, heeft de officier van justitie op de terechtzitting van 23 februari 2018 de vordering gedaan als bedoeld in art. 1:77 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerecht beschouwt daarom die datum als aanvang van de voor de ontneming op zijn redelijkheid te beoordelen termijn.

Nu de beslissing op de vordering plaatsvindt binnen twee jaar na aanvang van die termijn, is er ten aanzien van de ontneming geen sprake van overschrijding daarvan, zodat op die grond geen aftrek zal plaatsvinden.

Draagkracht

Het gerecht overweegt dat in een ontnemingsprocedure de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld indien duidelijk is dat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen.

Nog afgezien van het feit dat de veroordeelde als opbrengst van de strafbare feiten de beschikking heeft (gehad) over een netto geldbedrag van ruim 1 miljoen ANG, dat tot nu toe niet is terugbetaald, is er geen sprake van de hierboven bedoelde situatie, zodat er geen aanleiding is voor matiging op die grond.

Matiging

Het gerecht ziet in het feit dat een gedeelte van het, door veroordeelde als werknemer en ondergeschikte van de hoofverdachten, wederrechtelijk verkregen voordeel, veroordeeldes reguliere salaris betreft, dat hij ook reeds genoot gedurende de tijd dat hij (jarenlang) werkzaam was in de reguliere kledinghandel van [ALPHABETHREEKS 1] en waarvan, mede gelet op de beperkte hoogte ervan, moet worden aangenomen dat het volledig is opgegaan aan levensonderhoud, aanleiding om het aan het Land te betalen bedrag te verminderen met een bedrag van ANG 190.080,-.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 1:59 en 1:77 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het gerecht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van ANG 1.041.139,35,-

(een miljoen eenenveertigduizend honderdnegenendertig gulden en vijfendertig cent);

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan het Land ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van ANG 851.059,35,-

(achthonderdeenenvijftigduizend negenenvijftig gulden en vijfendertig cent);

Bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) jaar.

Deze beslissing is gegeven door de rechter mr. drs. S.M. van Lieshout, bijgestaan door mr. F. Kruiswijk, zittingsgriffier en is op 27 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Witteman uitgesproken ter openbare terechtzitting van het gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier