Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:187

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
CUR201801468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt misbruik van (proces)recht door het instellen van vorderingen waarop al eerder is beslist. Bovendien slaagt beroep op verjaring. Geen gratis admissie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende te Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,

tegen

1 [GEDAAGDE SUB 1],

wonende in Nederland,

2. wijlen [GEDAAGDE SUB 2],

laatstelijk wonende in Nederland,

3. [GEDAAGDE SUB 3],

wonende in Nederland,

4. [GEDAAGDE SUB 4],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

gedaagden,

gemachtigde: mr. R.P. Koeijers.

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van eiser van 15 mei 2018

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties

- eisers nadere productie 39

- de pleitnotities die de gemachtigden conform partijafspraak op 21 juni 2019 hebben overgelegd.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De vordering

2.1.

Eiser vordert, samengevat, veroordeling van gedaagden tot betaling van NAf 1.308.442,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2002 en vermeerderd met 15% aan kosten.

2.2.

Gedaagden hebben verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1. [

Gedaagde sub 2] is in 2010 overleden. In zoverre is eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

3.2.

De vorderingen ten aanzien van de overige gedaagden kunnen evenmin slagen. Wat die vorderingen betreft is sprake van misbruik van (proces)recht en slaagt bovendien eisers beroep op verjaring. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3.

In de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft eiser zich, al dan niet als (pseudo-)gemachtigde van [gedaagde sub 2], ingelaten met de nalatenschap van [erflater], overleden in 1992, in welke nalatenschap gedaagden gerechtigd waren/zijn. In 2002 zijn de erven een gerechtelijke procedure tegen eiser begonnen om de gevolgen van eisers (onbevoegdelijk) beschikken over de nalatenschap ongedaan te maken. Bij vonnis van 8 mei 2007 heeft het hof op vordering van de erven voor recht verklaard dat de in de transportakte van 23 december 1999 neergelegde overdracht van onroerende zaken aan eiser niet heeft plaatsgehad en is eiser veroordeeld tot betaling van NAf 122.195 in hoofdsom, te vermeerderen met schadevergoeding, op te maken bij staat. Bij vonnis van het GEA van 6 juni 2011 zijn de vorderingen die eiser stelde te hebben op de erven terzake schadevergoeding, voorgeschoten kosten en verstrekte leningen afgewezen. Bij vonnis van het hof van 30 oktober 2012 is die beslissing bevestigd, en is in reconventie beslist dat eiser de erven NAf 137.000 en NAf 137.635 dient te betalen, plus rente en kosten.

3.4.

In de onderhavige zaak vordert eiser betaling door gedaagden van in hoofdsom NAf 1.308.442,21. Dit bedrag is samengesteld uit bedragen waarop eiser stelt aanspraak te kunnen maken terzake in het bijzonder kosten van verbouwingen, voorschotten, ‘fees’ en te verrekenen posten (pagina’s 27 t/m 30 van het verzoekschrift). Zoals ook door eiser in zijn akte uitlating en in zijn pleitnotities is bevestigd, zijn deze (deel)vorderingen in de eerdere procedures al naar voren gebracht, gevorderd, beoordeeld en verrekend (in het rapport van BDO en in de vonnissen) dan wel afgewezen. De betreffende oordelen en beslissingen hebben tussen partijen gezag van gewijsde. Niet gebleken is van nieuwe feiten of andere omstandigheden die het opnieuw aan de rechter voorleggen van dezelfde vorderingen zouden kunnen rechtvaardigen. Het gerecht volgt gedaagden dan ook in hun stelling dat eiser misbruik maakt van (proces)recht met het instellen van zijn vorderingen.

3.5.

Daarnaast geldt dat het beroep van gedaagden op verjaring slaagt. De feiten waarop de vorderingen zijn gebaseerd dateren van meer dan twintig jaar terug. De toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaren is wat alle deelvorderingen betreft verstreken, terwijl gesteld noch gebleken is dat stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.

3.6.

Bij het voorgaande komt dat de vorderingen goeddeels betrekking hebben op bedragen die eiser stelt te vorderen te hebben van wijlen [gedaagde sub 2]. Op welke grond de overige gedaagden daarvoor aansprakelijk zouden zijn, is door eiser niet gesteld.

3.7.

Eiser heeft verzocht kosteloos te mogen procederen. Gedaagden hebben zich daartegen verzet. Artikel 879 Rv bepaalt dat de rechter onderzoekt of genoegzaam blijkt van het onvermogen van de verzoeker om de proceskosten te betalen, “tenzij de rechter reeds bij voorraad bevindt dat de voorgenomen vordering of verdediging klaarblijkelijk van alle grond is ontbloot”. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat in een geval als het onderhavige, waarin de vordering strandt op misbruik van (proces)recht, geen verlof tot kosteloos procederen kan worden verleend.

3.8.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen. Eiser zal op de voet van artikel 60 Rv als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 Beslissing

Het Gerecht

4.1.

verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van gedaagde sub 2;

4.2.

ontzegt eiser zijn vorderingen tegen de overige gedaagden;

4.3.

veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 15.000 voor gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier op 26 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.