Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:146

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
CUR201900097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Inhoudsindicatie

Overdracht directievoering over SPF door het ene trustkantoor aan het andere. SPF heeft daarmee ingestemd is daaraan gebonden, haar principaal niet. Redelijke vergoeding voor nieuwe bestuurder. Bestuurder niet schadeplichtig voor aftreden na uitblijven betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

1 S.P.F. MONTEBELLOSTRAAT1,

en

2. [OPPOSANTE, EISERES IN RECONVENTIE SUB 2],

te Curaçao,

opposanten, eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers,

tegen

TRIPLE TRUST N.V.,

te Curaçao,

geopposeerde, gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. E. Bokkes.

Partijen worden hierna ook aangeduid als ‘de SPF’’, ‘[opposante, eiseres in reconventie sub 2]’ en TT.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Op 7 mei 2018 heeft TT een verzoekschrift met producties ingediend.

1.2.

Bij verstekvonnis van dit Gerecht van 5 juni 2017 zijn de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] veroordeeld tot betaling aan TT van EUR 7.988,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de afzonderlijke facturen, alsmede vermeerderd met NAf 1.500 aan buitengerechtelijke incassokosten, met hun verwijzing in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

1.3.

Op 10 januari 2019 zijn de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. TT heeft vervolgens een conclusie van antwoord in reconventie genomen.

1.4.

Op 5 juni 2019 is een comparitie van partijen gehouden, alwaar partijen zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Mr. Bokkes heeft aantekeningen overgelegd.

1.5.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Ingevolge artikel 84 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de gedaagde die bij verstek is veroordeeld bevoegd om daartegen verzet te doen binnen twee weken na betekening in persoon, na de dag van tenuitvoerlegging of na het plegen door de gedaagde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is. Betekening en tenuitvoerlegging hebben niet plaatsgevonden. De enkele (door [opposante, eiseres in reconventie sub 2] betwiste) ontvangst door [opposante, eiseres in reconventie sub 2] van een e-mailbericht waarbij het verstekvonnis als bijlage was gevoegd, levert geen daad van bekendheid op van de SPF en/of [opposante, eiseres in reconventie sub 2]. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat het verzet niet tijdig is gedaan, zodat de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] daarin kunnen worden ontvangen.

2.2.

Partijen hebben stilgestaan bij de oproeping van de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] die voorafging aan het verstekvonnis. Uit het dossier blijkt dat de deurwaarder het adres waarop [opposante, eiseres in reconventie sub 2] staat ingeschreven niet heeft kunnen vinden en om die reden is overgegaan tot haar oproeping via publicatie. Dit is dus niet op initiatief van TT gebeurd. Ook de SPF is, bij gebreke van een adres waaraan rechtsgeldig kon worden betekend, door de deurwaarder via publicatie opgeroepen.

2.3.

Bij de beoordeling wordt uitgegaan van het volgende:

a. Op 12 november 2010 is tussen [opposante, eiseres in reconventie sub 2] en BarklaysInterTrust N.V. (hierna: BIT) een ‘Principal Party Agreement’ aangegaan, alsmede een managementovereenkomst tussen de SPF als ‘client’ en BIT als directievoerder. BIT was tevens de ‘protector’ van de SPF.

De SPF is rechthebbende met betrekking tot de onroerende zaak Montebellostraat 1 te Curaçao, [opposante, eiseres in reconventie sub 2] is de begunstigde van de SPF en gold en geldt als de ‘principal’, de achterligger, van de SPF.

Op 19 juni 2014 heeft BIT een overeenkomst gesloten met TT om de directievoering over de SPF door TT van BIT te laten overnemen ‘tegen in beginsel dezelfde voorwaarden, condities en tarieven welke BIT thans hanteert’. BIT heeft deze overeenkomst mede ondertekend als bestuurder van de SPF. De overeenkomst bevat onder meer de volgende bepaling:

‘Tenzij de achterligger van Cliënt voor 1 juli 2014 uitdrukkelijk schriftelijk te kennen geeft daarmee niet akkoord te gaan, is de achterligger van Cliënt akkoord met de overgang van de dienstverlening door BIT aan TT per 1 juli 2014 onder de bovenstaande voorwaarden, stemt daarmee in en zal, waar nodig, zijn volledige medewerking verlenen aan deze overgang.’

Met ingang van december 2014 heeft TT een jaarlijkse ‘management fee’ aan de SPF in rekening gebracht. De desbetreffende facturen zijn onbetaald gebleven.

In de periode april 2015 - mei 2018 is tussen TT en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] gesproken en gemaild over de facturen van TT en over een minnelijke regeling.

Op 26 april 2018 heeft TT zich wegens het uitblijven van betaling uitgeschreven als bestuurder van de SPF. De SPF is sindsdien bestuurloos, heeft geen (actieve) ‘protector’. De SPF heeft ook geen ‘supervisory board’.

2.4.

TT maakt aanspraak op betaling door de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] van een vergoeding voor haar diensten als trustbestuurder van EUR 1.250 per jaar (gerekend vanaf december 2014), vermeerderd met 6% kantoorkosten en 6% omzetbelasting. Daarnaast maakt TT aanspraak op een ‘transfer fee’ van EUR 2.500 wegens gewerkte uren in verband met de beëindiging van de overeenkomst en de 10 jaars-bewaarplicht van TT. TT stelt daartoe dat de rechtsverhouding van BIT door middel van de overeenkomst van 19 juli 2014 op haar is overgegaan en dat de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] haar daarom moeten vergoeden voor haar werkzaamheden.

2.5.

De SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] hebben onder meer de stelling betrokken dat niet voldaan is aan de eisen van artikel 6:159 lid 1 Burgerlijk Wetboek en dat van contractsoverneming dan ook geen sprake is. Zij stellen niet gehouden te zijn tot betaling aan TT.

2.6.

Wat [opposante, eiseres in reconventie sub 2] betreft, treft dit verweer doel. Zij was geen partij bij de overeenkomst tussen BIT, (BIT namens) de SPF en TT van 19 juni 2014 en er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zij zich nadien (hoofdelijk) jegens TT heeft verbonden.

2.7.

Ten aanzien van de SPF ligt dit anders. De SPF was wel partij bij de overeenkomst van 19 juni 2014. De overeenkomst kent een voorbehoud van instemming van [opposante, eiseres in reconventie sub 2], en was derhalve bij het aangaan daarvan nog niet perfect. Uit de in de periode april 2015 - mei 2018 tussen TT en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] gewisselde e-mails en uit het feit dat TT is aangebleven als bestuurder van de SFF en door [opposante, eiseres in reconventie sub 2] niet is aangedrongen op ontslag, blijkt de instemming van [opposante, eiseres in reconventie sub 2] met het bestuurderschap van TT. Dat [opposante, eiseres in reconventie sub 2] bij TT een verlaging van de ‘management fee’ wilde bedingen en niet akkoord was met het handhaven van de met BIT overeengekomen tarieven, maakt dat de SPF niet zonder meer aan de eerder met BIT overeengekomen tarieven is gebonden - daarover bestaat immers geen overeenstemming - maar niet dat voor de door TT voortgezette dienstverlening geen contractuele grondslag bestaat en dat daarvoor geen vergoeding verschuldigd is.

2.8.

Bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over de hoogte van de vergoeding, dient vastgesteld te worden wat een redelijke vergoeding is voor de door TT geleverde diensten. De stellingen van de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] dat TT nauwelijks activiteiten heeft verricht voor de gefactureerde ‘management fee’, legt daarbij niet veel gewicht in de schaal. In de eerste plaats is niet duidelijk geworden welke werkzaamheden de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] van TT als trustbestuurder verlangden naast haar beschikbaarstelling als bestuurder, het bieden van domicilie en het doorsturen van post. De SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] hebben ook niet uiteengezet in welk opzicht de dienstverlening van TT onderdeed voor de dienstverlening door BIT met wie zij het door TT gevorderde bedrag als ‘management fee’ was overeengekomen. Hierbij komt dat onweersproken is de stelling van TT dat de door haar gefactureerde vergoeding lager is dan wat in Curaçao in deze branche als marktconform kan worden aangemerkt. Het door TT als ‘management fee’ gevorderde bedrag van EUR 1.250 exclusief omzetbelasting per jaar, kan dan ook als redelijke vergoeding worden aangemerkt.

2.9.

Voor de gevorderde ‘transit fee’ heeft TT onvoldoende gesteld om de redelijkheid van het door haar gevorderde bedrag van EUR 2.500, in het bijzonder ook in de hier aan de orde zijnde omstandigheden, aannemelijk te maken. Dat deel van de vordering is niet toewijsbaar.

2.10.

Voor een opslag voor kantoorkosten, waarvan gesteld noch gebleken is dat die ook door BIT werd gehanteerd, bestaat onvoldoende grond.

2.11.

Op grond van het voorgaande komt het Gerecht tot een door de SPF aan TT te betalen vergoeding van (afgerond) 41 maanden x (afgerond) EUR 104 = (afgerond) EUR 4.270 + 6% omzetbelasting ad (afgerond) EUR 256 = EUR 4.526. De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen vanaf de datum van oproeping (2 augustus 2018). Van een voldoende eenduidige eerdere ingangsdatum van verzuim is niet gebleken.

2.12.

Het bij het verstekvonnis toegewezen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal, gelet op de gebleken verrichtingen en het bepaalde in artikel 136 sub III van het Procesreglement Civiele Zaken, worden gehandhaafd.

in reconventie

2.13.

In reconventie stellen de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] dat TT onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door ontslag te nemen als bestuurder zonder te voorzien in een opvolgend bestuurder, waardoor de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] nu zijn aangewezen op en kosten moeten maken voor een gerechtelijke procedure om een bestuurder benoemd te krijgen. Zij vorderen in reconventie veroordeling van TT tot vergoeding van de schade, door hen begroot op NAf 3.500, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.14.

Uit de beoordeling in conventie volgt dat TT aanspraak jegens de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] kon maken op vergoeding van haar diensten. Gelet op het uitblijven van betaling, was TT gerechtigd om, zoals door haar aangekondigd, haar dienstverlening te beëindigen en zich als bestuurder terug te trekken. Afgezien daarvan geldt dat, naar niet is bestreden, TT niet in de positie was een bestuurder te benoemen. De vordering van de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] zal dan ook worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

2.15.

Het verstekvonnis zal worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist. Bij de uitkomst van deze verzetprocedure past een beslissing over de proceskosten als hierna omschreven.

3 De beslissing

Het Gerecht

3.1.

vernietigt het door dit Gerecht op 17 december 2018 onder zaaknummer Cur201801386 gewezen verstekvonnis;

opnieuw rechtdoend:

in conventie

3.2.

veroordeelt de SPF om aan TT te betalen EUR 4.526, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2018 tot de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met NAf 1.500 aan buitengerechtelijke incassokosten;

3.3.

veroordeelt de SPF in de kosten van dit geding aan de zijde van TT gerezen, tot aan het verstekvonnis begroot op NAf 750 aan griffierecht, NAf 688 aan oproepingskosten en NAf 1.000 aan gemachtigdensalaris, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2019, en compenseert de proceskosten voor het overige aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

3.6.

wijst af het gevorderde;

3.7.

veroordeelt de SPF en [opposante, eiseres in reconventie sub 2] in de kosten van het geding, aan de zijde van TT begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier op 8 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.