Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:140

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
CUR201702681
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De werkgever van belanghebbende heeft in 2010 NAf 10.712 afgedragen aan premie BVZ (werknemersdeel NAf 3.387 en werkgeversdeel NAf 7.325) terwijl belanghebbende in 2015 niet verzekerd was voor de BVZ, omdat zij in dat jaar reeds bij een verzekeringsmaatschappij verzekerd was voor ziektekosten. Het Gerecht oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van het werkgeversdeel omdat dit deel voor rekening van de werkgever is gekomen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, aangezien noch is aangevoerd, noch aannemelijk is gemaakt dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen dat ook het werkgeversgedeelte van de premie BVZ aan belanghebbende gerestitueerd dient te worden. Dat dat wel in 2013 en 2014 heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 17 juli 2019

BBZ nr. CUR201702681

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 17 maart 2017 een aanslag premie Basisverzekering ziektekosten (BVZ) voor het jaar 2015 opgelegd naar een premie- inkomen van

NAf 78.768.

1.2

Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 september 2017 het premie-inkomen verminderd naar nihil hetgeen heeft geresulteerd in een teruggaaf van een bedrag van NAf. 3.387.

1.4

Belanghebbende is daartegen op 28 november 2017 in beroep gekomen. Belanghebbende heeft daartoe een bedrag aan griffierecht betaald van NAf. 50.

1.5

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen A en B. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. C en D.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is ingezetene van Curaçao en was gedurende het hele jaar 2015 als onderwijzeres in dienstbetrekking werkzaam bij ‘Y’ (hierna: de werkgever). De werkgever heeft over het onderhavige jaar een bedrag aan premie BVZ afgedragen van NAf. 10.712,49. Het deel dat voor rekening van belanghebbende is gekomen (werknemersdeel) bedroeg NAf. 3.387.06. Het deel dat voor rekening van de werkgever is gekomen (werkgeversdeel) bedroeg NAf. 7.325.

2.2

Volgens de verklaring van 28 februari 2015 van de directeur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is belanghebbende voor het jaar 2015 niet verzekerd voor de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (LBVZ) omdat zij reeds bij een verzekeringsbedrijf een verzekering voor ziektekosten heeft.

2.3

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan. Aan belanghebbende is overeenkomstig haar aangifte een aanslag premie BVZ opgelegd naar een premiegrondslag van NAf 78.768. In de bezwaarfase is de aanslag premie BVZ verminderd naar een premie-inkomen van nihil en is het bedrag aan teruggave van premie BVZ vastgesteld op NAf. 3.387. Het bedrag van de teruggave komt overeen met het werknemersdeel van de premie.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van het werkgeversdeel van de premie BVZ ten bedrage van NAf. 7.325.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende concludeert tot vaststelling van de aanslag op een te restitueren bedrag van NAf. 7.325 en de Inspecteur tot handhaving van de aanslag.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde aanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend op 17 maart 2017. Op het door belanghebbende overgelegde afschrift van het bezwaarschrift is een datumstempel van de Inspectie der belastingen geplaatst van 20 april 2017 evenals een datumstempel 24 juli 2017. Volgens belanghebbende zijn er twee stempels geplaatst omdat het bezwaarschrift twee keer is ingediend. Het Gerecht acht aannemelijk dat belanghebbende het bezwaarschrift op 20 april 2017 heeft ingediend. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

Teruggave premie BVZ

4.2.

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 van de LBVZ is verzekerd voor de BVZ degene die ingezetene is van Curaçao. In afwijking van lid 1 van artikel 2.1 van de LBVZ, zijn niet verzekerd personen die tegen ziektekosten bij een verzekeringsbedrijf zijn verzekerd.

4.3

Verzekerden voor de BVZ dienen een inkomensafhankelijke premie te betalen. Ingevolge artikel 6.7, lid 1 van de LBVZ wordt de premie geheven bij wege van aanslag naar de maatstaf van het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten inkomen. Artikel 6.7, lid 2 van de LBVZ bepaalt dat de ingevolge artikel 6.8 van de LBVZ afgedragen inkomensafhankelijke premie als voorheffing wordt verrekend.

4.4

Artikel 6.8 LBVZ luidt – voor zover van belang - als volgt:

1. Indien de verzekerde een werknemer is in de zin van de Landsverordening Loonbelasting 1976, wordt de verschuldigde inkomensafhankelijke premie geheven bij wege van afdracht op aangifte door degene die voor wat betreft die verzekerde onder de werking van artikel 4 van die landsverordening valt.

2. Bij de toepassing van het eerste lid is de Landsverordening op de loonbelasting 1976 van overeenkomstige toepassing voor zover bij deze landsverordening niet anders bepaald is.

(…)

5. De inhoudingsplichtige die onder de werking van artikel 4, eerste lid, onder a van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 valt, betaalt aan elke verzekerde die tot die inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, een toeslag ter compensatie van de door die verzekerde verschuldigde inkomensafhankelijke premie. De hoogte van de toeslag komt ten minste overeen met een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen deel van die verschuldigde inkomensafhankelijke premie.

4.5

Ingevolge voormelde wettelijke bepalingen is de verzekerde de inkomensafhankelijke premie BVZ verschuldigd. De premie wordt bij wijze van inhouding geheven overeenkomstig de voor de loonbelasting geldende regels. De ingehouden premie dient door de inhoudingsplichtige op aangifte te worden afgedragen. De inhoudingsplichtige dient een deel van de verschuldigde premie aan de verzekerde, het werkgeversdeel, te vergoeden. In het onderhavige geval staat vast (zie 2.2) dat belanghebbende niet verzekerd was voor de BVZ. Nu belanghebbende niet verzekerd was voor de BVZ, was zij ook geen premie BVZ verschuldigd. De afgedragen premie is onverschuldigd betaald aan de Belastingdienst. In de wet is niet voorgeschreven aan wie in een geval als het onderhavige - waarin geen sprake is van verschuldigdheid van premie BVZ - de teruggave van de premie BVZ toekomt.

4.6

Aan belanghebbende is door de Inspecteur teruggave verleend van het werknemersdeel van de premie. Nu het werknemersdeel voor haar rekening is gekomen, is de teruggave naar het oordeel van het Gerecht terecht aan haar verleend. Teruggave van het deel van de premie dat door de werkgever is vergoed, dient naar het oordeel van het Gerecht aan de werkgever te worden verleend. Voor deze zienswijze vindt het Gerecht aanknopingspunten bij de regeling van de teruggave van de Nederlandse Zorgverzekeringswet (ZVW) geldend tot 1 januari 2013. Deze wet kent ook de bepaling (artikel 46, lid 1 ZVW) dat de inhoudingsplichtige het bedrag van de ingehouden premie aan de werknemer moet vergoeden. In de gevallen waarin achteraf gezien teveel premies is ingehouden dient de Inspecteur ingevolge artikel 50, lid 5 ZVW teruggave van de teveel betaalde premies aan de inhoudingsplichtige te verlenen. Anders dan belanghebbende stelt, brengt artikel 6.7, lid 1 in samenhang met artikel 6.7 lid 2 LBVZ niet mee dat het volledige bedrag van de onverschuldigd betaalde premie aan belanghebbende dient te worden teruggegeven. Voormelde wettelijke bepalingen regelen immers de heffing van premie in het geval sprake is van verschuldigdheid van BVZ. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Vertrouwensbeginsel

4.7

Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur een weloverwogen standpunt ingenomen door voor de jaren 2013 en 2014 het werknemersdeel en het werkgeversdeel van de premie aan belanghebbende te restitueren. Met betrekking tot deze jaren zijn in de aangiften ook verklaringen van niet verzekerd gevoegd.

4.8

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur de aangifte op een bepaald punt heeft gevolgd. Een vertrouwen kan gerechtvaardigd zijn indien een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd en daarnaast op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat Inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (vgl. 13 december 1989,nr.25.077, BNB 1990/119).

4.9

Nu belanghebbende niet heeft aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de aangelegenheid van de teruggave van het werkgeversdeel van de premie uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd en zij bovendien geen bijkomende omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Slotsom

4.10

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500