Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:120

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
CUR201803902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inzage 843a RV tegen de achtergrond van een conflict binnen een vermogende familie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR 201803902

Vonnis in kort geding d.d. 12 februari 2019

inzake

de buitenlandse rechtspersoon

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd te Bailiwick of Jersey, het Verenigd Koninkrijk,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. W. Princée,

tegen

1 [gedaagde sub 1],
wonende te Le Formentor, Monaco,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. W.P. Wijers,

2[gedaagde sub 2],
wonende te Le Formentor, Monaco,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. R.J. Wybenga,

3 APOLLO TRUST, met als trustee United Trust (Anguilla) Limited,
gevestigd in The Valley, Anguilla,

4. INTERNATIONAL FUTURE VENTURES & INVESTMENTS N.V.,

5. CROCI INTERNATIONAL N.V.,

6. CENTENNIAL MANAGEMENT N.V.,

7. UNITED INTERNATIONAL TRUST N.V.,

8. UNITED TRUST COMPANY N.V.,

9. UNITED INTERNATIONAL BANK N.V.,
gedaagden 4 tot en met 9 allen gevestigd te Willemstad, Curaçao,
gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,
gemachtigde: mr. R.B. van Hees.

Eiseres in conventie, gedaagde in reconventie zal hierna BNP worden genoemd. Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie zullen hierna gezamenlijk als gedaagden worden aangeduid en afzonderlijk respectievelijk als [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], Apollo, IFVI, Croci, Centennial, UIT, UTC, United Bank. Gedaagden 4 tot en met 9 zullen gezamenlijk ook als de United-entiteiten worden aangeduid.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

 het verzoekschrift met producties (1 t/m 20) van BNP d.d. 20 november 2018;

 de akte overlegging producties (21 t/m 28) en eiswijziging van BNP d.d. 18 januari 2019;

 de aanvullende (deels ter correctie) producties van BNP (24 en 29);

 de akte houdende weergave feiten tevens conclusie van eis in reconventie met producties (1 t/m 3) van [gedaagde sub 1] d.d. 14 januari 2019;

 de aanvullende producties van [gedaagde sub 1] (genummerd 1 en 2) d.d. 15 januari 2019;

 de conclusie van eis in reconventie tevens akte overlegging producties in conventie en in reconventie (1 t/m 7) van Apollo, IFVI, Croci, Centennial en de United-entiteiten d.d. 16 januari 2019;

 de aanvullende productie van Apollo, IFVI, Croci, Centennial en de United-entiteiten (8) d.d. 21 januari 2019;

 de conclusie van eis in reconventie met producties (1 t/m 4) van [gedaagde sub 2] d.d. 22 januari 2019;

 de aanvullende producties (1 t/m 3) en inventarislijst van [gedaagde sub 2] d.d. 21 januari 2019;

 de aanvullende productie (6) en geactualiseerde inventarislijst van [gedaagde sub 2] d.d. 21 januari 2019;

 de mondelinge behandeling van 22 januari 2019;

 de afzonderlijke pleitnota’s van respectievelijk BNP, [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en van Apollo, IFVI, Croci, Centennial en de United-entiteiten.

1.2.

Naast de heer Elias (directeur van de United-entiteiten) en mr. B. O’Neil (de Londense advocaat van BNP), zijn de gemachtigden van partijen op de zitting verschenen, waar zij mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota het woord hebben gevoerd.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

Achtergrond

2.1. [

gedaagde sub 1] is een voormalige filmster, die was getrouwd met een (wijlen) zakenman [naam 1]. Uit dit huwelijk zijn twee dochters geboren: [gedaagde sub 2] en [naam 2].

2.2.

De betrokken familie beschikt over vermogen, bestaande onder meer uit aandelen in ondernemingen (de Italiaanse vennootschappen Ciset en Vitrociset), een portefeuille van contanten en beleggingen en kunst (onder meer schilderijen). Dit vermogen is via een vennootschaps- en truststructuur ondergebracht bij verschillende vennootschappen waaronder Croci (zie verder r.o. 2.18).

2.3.

In 1987 is de zogenoemde Grand Trust opgericht, waarin een promissory note is ondergebracht, die aan [gedaagde sub 1] is uitgegeven door Croci International B.V., waarin aandelen worden gehouden in Ciset.

2.4.

De waarde van de Grand Trust in 2010 wordt geschat op USD 132 miljoen. De begunstigden van de Grand Trust waren [gedaagde sub 2] en [naam 2]. De Grand Trust is door verschillende trustees bestuurd, vanaf 2007 tot februari 2012 onder meer door BNP als co-trustee.

2.5.

In februari 2010 is de meerderheid van de bezittingen in de Grand Trust overgedragen aan een andere trust, de Fortunate Trust met [gedaagde sub 1] als enige begunstigde (verder: ‘de 2010 overdracht’).

2.6.

In 2010/2011 verslechterde de verhouding tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] enerzijds en [naam 2] anderzijds.

2.7.

In de loop van 2011 heeft [gedaagde sub 1] de Fortunate Trust herroepen en verzocht zij dat alle bezittingen in die trust aan haar zelf werden overgedragen.

Jersey vonnissen

2.8. [

naam 2] heeft in januari 2013 voor de Royal Court of Jersey een procedure aanhangig gemaakt tegen onder meer [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en BNP.

2.9.

BNP heeft in juli 2015 een vrijwaringsvordering tegen [gedaagde sub 1] ingesteld.

2.10.

De Royal Court of Jersey heeft op verzoek van BNP op 4 augustus 2016 een Prejudgement World Wide Freezing and Disclosure Order (verder: WWFDO) jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uitgesproken, waarbij aan [gedaagde sub 1] onder meer is opgelegd dat zij verplicht is om informatie over haar bezittingen aan BNP te verstrekken. Tevens wordt het [gedaagde sub 1] verboden om bezittingen te vervreemden of de waarde er van te laten verminderen. In de WWFDO wordt expliciet een aantal bezittingen genoemd zoals aandelenkapitaal van Croci International B.V. en 29 met naam aangeduide schilderijen. [gedaagde sub 1] is in hoger beroep gegaan tegen deze Order en dit beroep is door de Jersey Court of Appeal afgewezen in een vonnis van 25 november 2016.

2.11.

Op 11 september 2017 heeft de Royal Court of Jersey een vonnis (JRC 146) gewezen, waarbij twee Orders horen; first act of Court en Post Judgement World Wide Freezing and Disclosure Order. In deze laatste WWFDO zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bevolen om BNP te informeren over de bezittingen die zij in eigendom en/of onder controle hebben en wat de waarde, locatie en details daarvan zijn.

2.12.

Aan de bevelen genoemd in de WWFDO is tot op heden noch door [gedaagde sub 1], noch door [gedaagde sub 2] voldaan.

2.13.

Op 25 juli 2018 heeft de Jersey Court of Appeal vonnis (JCA136A) gewezen in hoger beroep. In de kern is door het Gerecht en het hof te Jersey overwogen dat [gedaagde sub 1] met medewerking van [gedaagde sub 2] heeft gepoogd om het familievermogen uit handen van [naam 2] te houden. Deze handelingen worden gekarakteriseerd als breach of trust. In rechtsoverweging 47 van het Appeal vonnis staat: [gedaagde sub 2] was not a trustee, but [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] were acting together dishonestly in setting up breaches of trust. De 2010 overdracht is nietig en heeft geen werking en BNP en [gedaagde sub 1] zijn hoofdelijk veroordeeld tot vrijwaring van de nieuwe trustee voor een bedrag gelijk aan de overdracht van bezittingen uit de Grand Trust met betrekking tot [naam 2] Crociani’s trust. [gedaagde sub 1] dient de voormalige Grand Trust bezittingen (de schilderijen en de beleggingsportefeuille) aan de Grand Trust over te dragen of de Grand Trust te compenseren voor de waarde van de bezittingen. [gedaagde sub 1] dient BNP volledig te vrijwaren op grond van contractueel overeengekomen vrijwaringen voor betalingen die BNP doet om te voldoen aan de vonnissen van Jersey, aldus de Jersey vonnissen.

2.14.

Op grond van de Jersey vonnissen heeft BNP diverse betalingen verricht om aan de in de Jersey vonnissen vastgestelde aansprakelijkheden te voldoen, onder meer aan de Grand Trust. Het bedrag aan betalingen door BNP is inmiddels opgelopen tot rond de USD 100 miljoen.

2.15.

Tot op heden is door [gedaagde sub 1] niets betaald aan BNP, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe.

Bewijsbeslag

2.16.

Op 7 oktober 2018 heeft BNP verlof verzocht voor het leggen van bewijsbeslag onder IFVI, Croci, Centennial, en de United-entiteiten, hetgeen op 23 oktober 2018 door de beslagrechter is toegestaan. Op 8 november 2018 heeft de beslagrechter een zoektermenlijst goedgekeurd. Op 9 november 2018 is het bewijsbeslag bij United Bank afgerond. Het bewijsbeslag bij de overige vennootschappen is op 17 januari 2019 afgerond. De deurwaarder heeft processen- verbaal opgemaakt waarin melding wordt gemaakt van de beslagen bescheiden.

2.17.

Op 9 november 2018 is verder door BNP conservatoir verhaalsbeslag gelegd ten laste van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en Apollo op onder meer de aandelen in het kapitaal van Croci en IFVI. Ook is derdenbeslag gelegd ten laste van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en Apollo onder United Bank.

Verder over de vennootschappen:

2.18.

Croci houdt indirect aandelen in Ciset en de belanghebbende van Croci is [gedaagde sub 1]. Croci is te Curaçao gevestigd en heeft hetzelfde adres als IFVI, Centennial en de United-entiteiten en heeft UIT als bestuurder. In 2011 is Croci verkocht via een holding aan een in Luxemburg opgericht bedrijf, genaamd Allimac Management Sarl (Allimac) waarvan [gedaagde sub 2] de enig aandeelhouder was. Die aandelen zijn op 31 oktober 2011 overgedragen aan IFVI. IFVI, met als bestuurder Elias en Centennial, houdt dus via andere vennootschappen de aandelen in Ciset.

2.19.

De trustee van Apollo is United Trust (Anguilla) Ltd. en de beheerder van Apollo is UTC en/of UIT, waarvan Elias bestuurder is. Apollo heeft de eigendom van een aantal schilderijen die eerder tot de Grand Trust behoorden verkregen. Elias, bestuurder van de United entiteiten, heeft in een verklaring voor de Judicial Circuit Court te Miami zeven schilderijen genoemd die tevens zijn genoemd in de WWFDO.

3 De vorderingen

CONVENTIE

3.1.

BNP vordert in conventie – na wijziging van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:

  1. IFVI, Croci, Centennial, UIT, UTC en United Bank te bevelen de beslagen bescheiden over de periode vanaf 2011, althans vanaf 6 juli 2015 aan BNP af te geven, althans een afschrift daarvan aan BNP te verstrekken, door daartoe binnen 24 uur na datum van dit vonnis deurwaarder Ramazan, als bewaarder van de beslagen bescheiden, instructies te geven (een afschrift van) de beslagen bescheiden aan de Curaçaose advocaat van BNP af te geven, althans op een door het gerecht te bepalen wijze, op straffe van een dwangsom van NAf 150.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij, of één van hen, niet aan dit bevel voldoet;

  2. [gedaagde sub 1], Apollo en [gedaagde sub 2] te bevelen te gehengen en gedogen dat IFVI, Croci, Centennial, UIT, UTC en United Bank aan voornoemd bevel voldoen, op straffe van een dwangsom van NAf 150.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij, of één van hen, niet aan dit bevel voldoet;

  3. IFVI te bevelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis een kopie van het actuele aandeelhoudersregister van IFVI aan BNP te verstrekken op straffe van een dwangsom van NAf 50.000 voor iedere dag dat IFVI niet aan dit bevel voldoet;

  4. IFVI en Croci te bevelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis de Derdenverklaring (i) aan te vullen met de omschrijving in hoeverre de in de verklaring genoemde vorderingen van [gedaagde sub 1] op Croci respectievelijk IFVI opeisbaar zijn en in hoeverre de in de verklaring genoemde bedragen/gelden bij Croci en IFVI beschikbaar zijn en (ii) te doen vergezellen van de onderliggende leendocumentatie met betrekking tot de “niet-rente dragende lening” (Croci) en de Shareholder Loan II en V (IFVI), één en ander slechts voor zover deze informatie/documentatie geen onderdeel vormt van de beslagen bescheiden, op straffe van een dwangsom van NAf 50.000 voor iedere dag dat zij niet aan dit bevel voldoen;

  5. deurwaarder R.A. Ramazan, althans een andere door het Gerecht aan te wijzen deurwaarder, aan te wijzen als dwangvertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3:300 BW, die uitvoering zal geven aan het bevel onder a. en voor zover nodig onder b., voor zover en zodra één of meerderen van de gedaagden in gebreke blijft daaraan te voldoen,

  6. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan BNP, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen de kosten van deze procedure, van het bewijsbeslag alsmede de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis.

RECONVENTIE

3.2. [

gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], Apollo en de United-entiteiten vorderen in reconventie in essentie opheffing van de door BNP ten laste van hen gelegde bewijsbeslagen. [gedaagde sub 1] vordert daarnaast tevens opheffing van de ten laste van haar door BNP gelegde conservatoire verhaalsbeslagen.

3.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd tegen de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

CONVENTIE

4.1.

Op grond van artikel 843a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Deze bijzondere exhibitieplicht vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven. Artikel 843a Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar stelt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk van een drietal cumulatieve vereisten.

4.2.

Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser i) een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en ii) moet hij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is of was. Naast deze beperkingen - waarmee is beoogd een dam op te werpen tegen zogenoemde ‘fishing expeditions’ - bevat het artikel de nadere restrictie dat degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft, niet is gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd.

4.3.

In de eerste plaats is van belang dat United Bank naar voren heeft gebracht dat deze vennootschap geen enkele band heeft met [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], IFVI of Croci. Dit is niet weersproken door BNP, noch blijkt uit de stukken van het tegendeel. De vordering tot inzage wordt ten aanzien van United Bank dan ook afgewezen.

4.4.

Dit zelfde verweer is gevoerd door UTC. Dit verweer faalt aangezien UTC beheerder is van Apollo en op die manier betrokken is bij vermogen van de familie [naam].

4.5.

Hierna worden de vorderingen en de verweren beantwoord in het licht van de onder 4.1 en 4.2 weergegeven criteria.

i. rechtmatig belang

4.6.

Bestreden is onder meer dat BNP rechtmatig belang heeft bij inzage nu het haar eigenlijk alleen te doen is om meer informatie om zich te kunnen verhalen. Volgens gedaagden dient het te gaan om bewijsbeslag en niet om verhaalsbeslag.

4.7.

In de eerste plaats wordt voorop gesteld dat het op de weg van BNP ligt als de partij die exhibitie verlangt om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen die naar normale ervaringsregels de vordering kunnen dragen. Daar is BNP in geslaagd.

4.8.

Bovengenoemde feiten komen er kort gezegd op neer dat in voldoende mate vast staat in onderhavig kort geding dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op onrechtmatige wijze hebben geprobeerd vermogen weg te sluizen van [naam 2] Crociani. Door de Jersey vonnissen dient dit te worden teruggedraaid en heeft BNP om die reden al USD 100 miljoen betaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] werken niet mee aan het terugdraaien, noch betalen zij BNP ‘terug’. Dat betekent dat BNP gedupeerd wordt door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

4.9.

Daar komt bij dat eveneens in voldoende mate aannemelijk is geworden dat er ook na de Jersey vonnissen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt geschoven met vermogen. In dat kader is door BNP gemotiveerd en onderbouwd onder meer het volgende aangevoerd.

-Op 25 november 2016, dezelfde dag als de bevestiging van de Pre Judgement WWFDO, heeft [gedaagde sub 1] de verzekeraar van haar schilderijen Huntington verzocht om spoedig een aantal schilderijen met een waarde van 63 miljoen USD te verplaatsen van Singapore naar Zurich.

-IFVI heeft in maart 2018 aanvullend kapitaal van 31,8 miljoen USD gestort, blijkens een door Elias op 1 maart 2018 ondertekend formulier van de Kamer van Koophandel Curaçao.

-Apollo is begin 2018 in Miami, nadat door BNP beslag is gelegd op schilderijen, een procedure gestart om dat beslag opgeheven te krijgen.

Voorgaande is in onvoldoende mate weersproken door gedaagden, zodat de aannemelijkheid daarvan in kort geding kan worden aangenomen. Weliswaar leveren genoemde elementen geen sluitend bewijs voor het recentelijk verstoppen van vermogen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], maar bezien in samenhang met de Jersey vonnissen geeft het op zijn minst wel reële aanleiding om daarvoor te vrezen.

4.10.

Dit betekent dat voorshands wordt uitgegaan van het verschuiven van vermogen om dit te verstoppen, dat in ieder geval in 2011 is begonnen. Ook is aannemelijk dat het verschuiven van vermogen ook nadien is voortgegaan. Dit is onrechtmatig tegenover BNP. BNP heeft over haar belang bij inzage gesteld dat zij na inzage de bezittingen van [gedaagde sub 1] zal kunnen lokaliseren en degenen, namelijk Apollo, [gedaagde sub 2] en de United entiteiten die samenzweren bij het verschuiven / verstoppen aansprakelijk kan houden. In het licht van al het voornoemde zijn de door BNP geschetste belangen daarom aan te merken als een rechtmatig belang bij inzage in de zin van artikel 843a Rv.

ii. bepaalde bescheiden
4.11. De gevorderde bescheiden zijn volgens gedaagden niet voldoende gespecificeerd. Zij stellen dat het bewijsbeslag ziet op een enorme hoeveelheid bescheiden die grotendeels niet zien op hetgeen waar BNP naar op zoek is. Gedaagden menen dan ook dat sprake is van een fishing expedition.

4.12.

Van een fishing expedition is naar het oordeel van het Gerecht vooralsnog geen sprake. Hoewel BNP niet exact kan omschrijven welke stukken zij verwacht te vinden aan de hand van de gehanteerde zoektermen, is naar het oordeel van het Gerecht voldaan aan het wettelijke vereiste dat het moet gaan om ‘bepaalde bescheiden’. De rechter die het verlof voor bewijsbeslag heeft verleend, heeft eerder ook al geoordeeld dat de stukken waarvoor het verlof zou gelden voldoende bepaalbaar zijn. Door geen van gedaagden is gesteld dat de selectie die heeft plaatsgevonden niet conform de door de beslagrechter goedgekeurde categorieën en zoektermenlijst is geschied. Dit moet worden onderscheiden van een ander bezwaar dat door gedaagden is opgeworpen, namelijk dat de toegepaste zoektermen meer treffers hebben opgeleverd dan relevant is voor deze zaak. Zo is in het beslag onbedoeld ook correspondentie van advocaten meegenomen. BNP heeft dit niet bestreden. Niet in geschil is dat deze bijvangst niet tot de beslagen bescheiden behoort en dat deze uit het beslag moet worden gefilterd. Voorafgaand aan het bevel tot afgifte van de beslagen bescheiden dienen daarom maatregelen te worden getroffen die waarborgen dat geen afgifte wordt gedaan van bijvangst, waaronder correspondentie van advocaten. Nu alle partijen het daarover eens zijn en er niemand belang heeft bij het opvangen en bekijken van bijvangst gaat het Gerecht er vanuit dat partijen in staat zullen zijn om die bijvangst er nog uit te filteren. Het feit dat sprake is van onbedoelde ‘bijvangst’ maakt echter niet dat de gevraagde afgifte als zodanig als een fishing expedition moet worden beschouwd.

iii. rechtsbetrekking

4.13.

Het derde vereiste komt er op neer dat het recht op inzage alleen toekomt aan degene die partij is bij een rechtsbetrekking waarover een geschil is gerezen dan wel wordt verwacht. Deze partij, de verzoekende partij in casu BNP, moet worden onderscheiden van degene die de bescheiden tot zijn beschikking heeft. Het begrip ‘rechtsbetrekking’ dient ruim te worden opgevat. Met een partij wordt gelijk gesteld: degene die bij de rechtsbetrekking een zodanig belang heeft dat hij met een partij op één lijn kan worden gesteld.

4.14.

Onder een rechtsbetrekking vallen daarom meerdere rechtsverhoudingen waarover partijen een geschil kunnen hebben. Daartoe kan een verbintenis uit onrechtmatige daad en/of onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking behoren. In deze zaak zijn voldoende feiten gesteld en onderbouwd om aannemelijk te maken dat BNP en [gedaagde sub 1] een rechtsbetrekking hebben in die zin dat er voor [gedaagde sub 1] een contractuele verplichting bestaat tot vrijwaring en daarnaast is aannemelijk dat [gedaagde sub 1] onrechtmatige handelt jegens BNP. Dat laatste geldt ook voor [gedaagde sub 2]. Uit de Jersey vonnissen vloeit voort dat zij onder een hoedje speelde met [gedaagde sub 1] om vermogen te verstoppen en ook zij betaalt nu niets terug aan BNP. Er is dus voldoende reden om de rechtsbetrekking onrechtmatige daad tussen BNP en [gedaagde sub 2] aan te nemen. Voorts kan van de eventuele samenzweerders met [gedaagde sub 1] - in die zin dat zij meewerken aan het verstoppen, waartoe ook Apollo moet worden gerekend nu zij beschikt over schilderijen die toebehoorden aan de Grand Trust - worden vastgesteld dat daar ook een verbintenis uit voortvloeit uit hoofde van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking. Aan het derde vereiste van artikel 843a Rv is, voorlopig oordelend, dus ook voldaan ten aanzien van alle gedaagden met uitzondering van United Bank.

4.15.

Nu aan de drie vereisten van artikel 843a Rv wordt voldaan kan de vordering tot inzage worden toegewezen, tenzij de belangenafweging zich daartegen verzet. Dat is niet het geval. Uit het voorstaande volgt dat BNP een zwaarwegend belang heeft bij inzage. De in algemene zin geformuleerde belangen die gedaagden naar voren hebben gebracht wegen minder zwaar. Van het bestaan van gewichtige redenen waarom de betrokkenen niet zijn gehouden om aan de vordering te voldoen is evenmin gebleken.

4.16.

Dat de Jersey vonnissen in Curaçao niet zijn erkend en/of de WWFDO hier geen gelding hebben doet aan de te nemen beslissing om inzage te verlenen niet af. Het criterium is immers niet of die vonnissen hier ten uitvoer kunnen worden gelegd, maar of BNP voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de vordering tot inzage kunnen dragen.

4.17.

BNP heeft inzage gevorderd “over de periode vanaf 2011, althans vanaf 6 juli 2015”. In juli 2015 heeft BNP de vrijwaringsprocedure tegen [gedaagde sub 1] ingesteld. Inzage wordt verleend vanaf die laatste datum. BNP heeft onvoldoende gesteld om een eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen.

4.18.

Over het gehengen en gedogen dat door BNP onder b. is gevorderd, wordt als volgt overwogen. Apollo heeft naar voren gebracht dat zij een vonnis dat anderen verplicht tot het verstrekken van inzage niet zal verhinderen en dat een veroordeling dus niet nodig is. Het Gerecht is van oordeel dat de verhoudingen tussen partijen tot gevolg heeft dat BNP belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Nu Apollo kenbaar heeft gemaakt dat zij zal meewerken aan een veroordeling, zal zij bovendien geen hinder ondervinden van een toewijzing. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.19.

Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen worden bevolen tot het gehengen en gedogen van de inzage. Zij hebben geen relevante argumenten aangevoerd om in het licht van het vorenstaande niet over te gaan tot deze veroordeling.

4.20.

BNP vordert onder c. dat IFVI wordt veroordeeld om een kopie van het actuele aandeelhoudersregister van IFVI aan BNP te verstrekken. IFVI betoogt dat [gedaagde sub 1] nooit een belang heeft gehad in IFVI. Daarom heeft BNP geen enkel recht op het gevorderde document, aldus IFVI.

4.21.

Dat betoog van IFVI is niet voldoende gemotiveerd tegenover de onderbouwde stelling van BNP over IFVI, die via andere vennootschappen de aandelen in Ciset houdt. BNP heeft in dat verband onder meer de ‘Croci Group Structure Chart’ overgelegd en een verklaring van O’Neil van 18 januari 2019. Dit betekent dat ook dit onderdeel van de vordering, onder last van een (gemaximeerde) dwangsom, wordt toegewezen.

4.22.

Door gedaagden is nog gesteld dat BNP geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daartoe is met name gesteld dat er ten onrechte vrees is dat bezittingen worden weggesluisd en dat bovendien niet valt in te zien hoe verstrekking van de beslagen documenten kan voorkomen dat bezittingen worden weggesluisd.

4.23.

Dit verweer tegen de spoedeisendheid faalt. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] tot nu toe heeft geweigerd om aan de veroordeling uit het Jersey-vonnis en het bevel van de World Wide Freezing Orders te voldoen, terwijl BNP reeds USD 100 miljoen heeft betaald. Daarnaast is – zoals hiervoor overwogen – aannemelijk geworden dat er ook na de Jersey vonnissen door [gedaagde sub 1] wordt geschoven met vermogen. Mede gelet op deze door [gedaagde sub 1] ingenomen houding heeft BNP een spoedeisend belang om, door het nemen van executiemaatregelen, zoveel mogelijk van haar vordering voldaan te krijgen. Het onderhavige bewijsbeslag is daaraan dienstbaar.

4.24.

De eindconclusie van het voorgaande is dat de vordering als hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 3.1 onder a., behoudens jegens United Bank, zal worden toewezen, in die zin dat zal worden bevolen de beslagen bescheiden over de periode vanaf 6 juli 2015 aan BNP af te geven. De termijn waarbinnen de inzage dient te geschieden zal ruimer worden bepaald dan verzocht omdat de bijvangst nog weggefilterd dient te worden (r.o. 4.12). Verder zal de vordering als in bedoelde rechtsoverweging vermeld onder b. en c. worden toegewezen, op straffe van een dwangsom. In verband met de vordering onder a. en c. zal daarnaast – nu geen van gedaagden daartegen afzonderlijk verweer heeft gevoerd - deurwaarder R.A. Ramazan worden aangewezen als dwangvertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3:300 BW.

4.25.

De vordering zal voor zover toewijsbaar wél uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard gelet op het spoedeisende belang dat BNP daarbij heeft.

4.26.

Ten aanzien van de vordering jegens IFVI en Croci om de derdenverklaring aan te vullen hebben gedaagden onder meer gesteld dat zij een maand geleden hun derdenverklaring hebben afgegeven en dat BNP pas een paar dagen geleden heeft gevraagd deze aan te vullen. Het Gerecht is met gedaagden van oordeel dat de vordering gelet hierop prematuur is. Deze zal dan ook worden afgewezen.

4.27. [

gedaagde sub 1], Apollo, [gedaagde sub 2], IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van BNP tot op heden begroot op:

explootkosten NAf 2.568,-

griffierecht NAf 450,-

bewijsbeslag NAf 12.932,-

salaris gemachtigde NAf 1.500,- +

totaal: NAf 17.450,-.

4.28.

BNP zal de proceskosten van United Bank worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op NAf 1.500,-.

RECONVENTIE

4.29.

De gevorderde opheffing van de beslagen wordt alleen toegewezen voor wat betreft United Bank, met toepassing van artikel 705 Rv en met inachtneming van het hierboven overwogene.

4.30.

BNP zal in de proceskosten van United Bank worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op NAf 750,- aan salaris gemachtigde.

4.31.

Apollo, IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC worden in de proceskosten van BNP veroordeeld. Tot op heden worden deze begroot op NAf 750,- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

CONVENTIE

5.1.

wijst af de vordering jegens United Bank;

5.2.

beveelt IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC de beslagen bescheiden over de periode vanaf 6 juli 2015 aan BNP af te geven, althans een afschrift daarvan aan BNP te verstrekken, door daartoe binnen een week na betekening van dit vonnis deurwaarder Ramazan, als bewaarder van de beslagen bescheiden, instructies te geven (een afschrift van) de beslagen bescheiden aan de Curaçaose advocaat van BNP af te geven;

5.3.

veroordeelt IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC om aan BNP een dwangsom te betalen van NAf 150.000,- per dag of dagdeel dat zij of één van hen niet aan de in 5.2 uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van NAf 3.000.000,- is bereikt;

5.4.

beveelt [gedaagde sub 1], Apollo en [gedaagde sub 2] te gehengen en gedogen dat IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC aan het bevel als vermeld onder 5.2 te voldoen,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1], Apollo en [gedaagde sub 2] om aan BNP een dwangsom te betalen van NAf 150.000,- per dag of dagdeel dat zij of één van hen niet aan de in 5.4 uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van NAf 3.000.000,- is bereikt;

5.6.

wijst deurwaarder R.A. Ramazan aan als vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3:300 BW die uitvoering zal geven aan voornoemde bevelen voor zover en zodra één van gedaagden – afgezien van United Bank - in gebreke blijft daaraan te voldoen;

5.7.

beveelt IFVI om binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis een kopie van het actuele aandeelhoudersregister van IFVI aan BNP te verstrekken op straffe van een dwangsom van NAf 50.000,- voor iedere dag dat IFVI niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van NAf 200.000,- is bereikt;

5.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1], Apollo, [gedaagde sub 2], IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van BNP tot op heden begroot op NAf 17.450,-, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op NAf 250,- zonder betekening en NAf 400,- in geval van betekening, en indien deze kosten niet binnen veertien dagen zijn betaald te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.9.

veroordeelt BNP in de proceskosten, aan de zijde van United Bank tot op heden begroot op NAf 1.500,-, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op NAf 250,- zonder betekening en NAf 400,- in geval van betekening, en indien deze kosten niet binnen veertien dagen zijn betaald te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

RECONVENTIE

5.11.

heft de door BNP ten aanzien van United Bank gelegde bewijsbeslagen op;

5.12.

gebiedt voor zover de betreffende bescheiden zich niet ten kantore van United Bank bevinden, BNP de in beslag/gerechtelijke bewaring genomen bescheiden terug te (doen) geven door deze binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te (doen) bezorgen op het adres van United Bank en de gerechtelijke bewaarder daartoe de nodige instructies te geven;

5.13.

veroordeelt BNP om aan United Bank een dwangsom te betalen van NAf 50.000,- per dag of dagdeel dat zij of één van hen niet aan de in 5.11 en 5.12 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van NAf 200.000 is bereikt;

5.14.

veroordeelt BNP in de proceskosten aan de zijde van United Bank tot op heden begroot op NAf 750,-, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op NAf 250,- zonder betekening en NAf 400,- in geval van betekening, en indien deze kosten niet binnen veertien dagen zijn betaald te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.15.

veroordeelt Apollo, IFVI, Croci, Centennial, UIT en UTC in de proceskosten aan de zijde van BNP, tot op heden begroot op NAf 750,- aan salaris gemachtigde;

5.16.

wijst af het anders of meer gevorderde;

CONVENTIE EN RECONVENTIE

5.17.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter, en op 12 februari 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.