Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:110

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
12-06-2019
Zaaknummer
CUR201804162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, artikel 7 lid 2 Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten, tijdig inroepen nietigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


Zaaknummer: CUR201804162

Beschikking d.d. 21 februari 2019

inzake

[VERZOEKER],
wonende in Curaçao,
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.W.P. Eustatius,

tegen

de naamloze vennootschap
CORREIA TRANSMISSION N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigde: mr. R.N. Kooy,


Partijen zullen hierna [verzoeker] en Correia worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft op 7 december 2018 een verzoekschrift met producties ingediend. Verweerster heeft op de zitting een verweerschrift met producties ingediend. Het verzoek is behandeld op 31 januari 2019. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen [verzoeker] en zijn gemachtigde voornoemd enerzijds en de directeur van Correia, de heer [naam], en de gemachtigde voornoemd. De gemachtigden hebben het woord gevoerd, mr. Eustatius mede aan de hand van door hem overgelegde pleitnota. Mr. Eustatius heeft voorts een brief van [verzoeker] aan Correia van 25 mei 2018 ter terechtzitting overgelegd.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

Op 17 mei 2018 is [verzoeker] op staande voet ontslagen nadat [verzoeker] met camarabeelden was geconfronteerd door Correia, waar volgens Correia op te zien was dat hij auto-onderdelen had gestolen.

In de ontslagbrief van 17 mei 2018 staat:

Pa medio di e karta aki nos ta informabo kun os ta dunabo retiro ku ta drenta na vigor immediatamente. E motibu pa kual ta retirabo for di trabao ta robo di propiedat di kampania di kual Sr. [naam] ta testigo.

2.3.

In het rapport van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (verder: SOAW) over het ontslag staat het volgende:

Werknemers verklaring:

22 mei 2018

(…)

24 mei 2018

Ik heb contact met meneer opgenomen om een nietigheidsverklaring te kunnen komen ophalen op 25 mei 2018.

25 mei 2018

Meneer is samen met zijn zoon gekomen de nietigheidsverklaring is in het Nederlands deze heeft zijn zoon gelezen. Deze brief moet hij aan de werkgever geven.

Werkgevers verklaring:

23 mei 2018

Ik heb contact met wergever opgenomen om zijn deel van het verhaal te horen. Hij zei van idd dat hij meneer op staande voet heeft ontslagen. (…)

3 Het geschil

3.1. [

verzoeker] verzoekt dat het Gerecht bij beschikking Correia zal veroordelen om aan [verzoeker] zijn loon uit te betalen vanaf de dag der ontslag, en zal blijven doorbetalen totdat het dienstverband tussen partijen op een rechtsgeldige wijze is beëindigd en Correia zal veroordelen in de kosten der geding.

3.2. [

verzoeker] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [verzoeker] heeft geen diefstal gepleegd en had dus niet ontslagen mogen worden.

3.3.

Correia heeft tot verweer gevoerd dat [verzoeker] niet tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen. Op de camerabeelden is te zien dat [verzoeker] een onderdeel, dat eigendom is van Correia, naar buiten tilt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gezien het bewijs van onvermogen zal het Gerecht toestaan dat [verzoeker] kosteloos procedeert.

4.2.

Correia stelt dat [verzoeker] niet tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen, nu tussen de datum van ontslag, 17 mei 2018, en het indienen van het verzoekschrift, 7 december 2018, meer dan zes maanden ligt. Correia beroept zich daarbij op artikel 7A:1615u BW en verbindt daaraan de consequentie dat de vordering is verjaard.

4.3.

Genoemd artikel is echter alleen van toepassing als er schadeloosstelling of schadevergoeding wordt verzocht. Ter zitting is door [verzoeker] desgevraagd nader toegelicht dat hij zich beroept op de nietigheid van het ontslag, waardoor de dienstbetrekking in zijn ogen tot op heden doorloopt.

4.4.

Vervolgens is door partijen een debat gevoerd over de vraag of er sprake is van verval in de zin van artikel 7 lid 2 van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten. In genoemd artikellid is bepaald dat de nietigheid van het ontslag (door het ontbreken van toestemming van de directeur van het departement van Arbeid en Sociale Zaken/SOAW) door de werknemer gedurende zes maanden kan worden ingeroepen.

4.5. [

verzoeker] stelt dat hij de nietigheid van het ontslag tijdig heeft ingeroepen, per brief van 25 mei 2018, die ter zitting door hem is overgelegd. [verzoeker] stelt verder dat hij de brief op 25 mei 2018 heeft overhandigd aan de directeur van Correia, die de brief vervolgens heeft ondertekend, aldus [verzoeker].

4.6.

Het Gerecht constateert dat in de brief staat dat de nietigheid van het ontslag is ingeroepen wegens het ontbreken van een dringende reden en wegens het ontbreken van een ontslagvergunning. De brief is ondertekend door [verzoeker]. Met de hand staat onderaan de brief geschreven: “Ter ontvangst 25 mei 2018” en daaronder staat nog een keer de handtekening van [verzoeker].

4.7.

Correia heeft naar voren gebracht de brief niet te kennen. Volgens de directeur is de brief niet aan hem overhandigd. Ook wijst hij er op dat de brief niet door hem is ondertekend, maar door [verzoeker] zelf.

4.8.

Bij de beoordeling of [verzoeker] tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen is het volgende van belang. Uit het verslag van SOAW volgt dat de brief aan [verzoeker] is meegegeven met de instructie om deze aan de werkgever te overhandigen. Gezien de verschillende lezingen over het al dan niet vervolgens ontvangen van de brief door de werkgever is ter zitting bij betrokkenen daarop doorgevraagd. [verzoeker] gaf geen duidelijke verklaring over hoe het een en ander is verlopen. Toen hij er mee werd geconfronteerd dat hij onder ‘ter ontvangst’ kennelijk zelf zijn naam (nog een keer) heeft geschreven, leek hij in de war te raken en kwam er geen nadere verklaring over zijn eerdere stelling dat de brief zou zijn ondertekend door [naam].

Anderzijds was de verklaring van de directeur van Correia helder en congruent met andere feiten. Zo lichtte hij toe dat hij de videobeelden niet heeft bewaard omdat hij geen enkele reden had om aan te nemen dat [verzoeker] actie zou ondernemen tegen zijn ontslag. [verzoeker] heeft na het ontslag immers geen contact meer gezocht met hem. De directeur van Correia ging er van uit dat [verzoeker], net als diens collega De la Cruz zich had neergelegd bij het ontslag. De La Cruz was immers ook op camerabeelden betrapt op diefstal en die had vervolgens verklaard dat hij dat samen met [verzoeker] had gedaan, waarna hij zijn ontslag accepteerde.

4.9.

In het licht van voorgaande debat had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling dat Correia tijdig op de hoogte was van het inroepen van de nietigheid van het ontslag nader te onderbouwen. Hierbij wordt meegewogen dat Correia processueel op achterstand stond aangezien [verzoeker] de brief van 25 mei 2018 pas ter zitting in het geding bracht. Dit alles afwegend heeft tot gevolg dat [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht betreffende het tijdig inroepen van de nietigheid.

4.10.

Voorts heeft [verzoeker] nog naar voren gebracht dat - afgezien van de brief - SOAW contact heeft opgenomen met de werkgever, zodat het ook daarom tijdig duidelijk is geweest voor Correai dat [verzoeker] het niet eens is met het ontslag.

4.11.

Het gegeven dat [verzoeker] naar SOAW is gegaan en dat SOAW contact heeft gehad met Correia betekent evenwel niet automatisch dat Correia uit dat enkele gegeven heeft moeten afleiden dat de nietigheid zou zijn ingeroepen. Ook SOAW zelf veronderstelt kennelijk dat het inroepen van de nietigheid na het gesprek met de werkgever op 23 mei 2018 zou gebeuren, aangezien de nietigheidsbrief twee dagen daarna, op 25 mei 2018, aan [verzoeker] is meegegeven.

4.12.

Voorgaande leidt tot de conclusie dat het recht van [verzoeker] om de nietigheid van het ontslag in te roepen is vervallen zodat zijn vordering wordt afgewezen.

4.13.

Het Gerecht ziet in de gewezen arbeidsrelatie aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen hun eigen proceskosten betalen.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

staat toe dat [verzoeker] kosteloos procedeert;

5.2.

wijst het verzoek af;

5.3.

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat elke partij de eigen kosten zal dragen

Deze beschikking is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter, en op 21 februari 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.