Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:109

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
CUR201500117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil zijn een aantal aftrekposten. Meer in het bijzonder de aftrek van kosten op basis van artikel 9 Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943. De buitengewone lasten wegens studiekosten van de studerende kinderen en de kindertoelage. Het Gerecht oordeelt dat de aanslagen eerder te laag zijn dan te hoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 17 mei 2019

BBZ nr. CUR201500117

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 5 december 2014 voor het jaar 2012 aanslagen in de inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ opgelegd. De aanslagen zijn opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 89.379 respectievelijk een premie-inkomen van NAf 92.362.

1.2

Belanghebbende is op 30 december 2014 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 29 mei 2015 heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar op 22 juli 2015 in beroep gekomen. Op 6 oktober 2015 is het beroep gemotiveerd.

1.4

De Inspecteur heeft op 29 augustus 2016 een verweerschrift ingediend.

1.5

Op 31 augustus 2016 heeft een zitting te Willemstad Curaçao plaatsgevonden. Belanghebbende is verschenen samen met zijn gemachtigde A. Namens de Inspecteur is verschenen mr. B. De zitting is geschorst om aan belanghebbende de gelegenheid te geven om te reageren op het verweerschrift van de Inspecteur. Dit is gebeurd op 11 oktober 2016. De Inspecteur heeft op 3 maart 2017 een reactie daarop gestuurd. Op 24 april 2017 is het onderzoek ter zitting hervat. Belanghebbende is verschenen samen met zijn gemachtigde C. Namens de Inspecteur is verschenen mr. D. De zitting is geschorst.

1.6

Belanghebbende heeft met toestemming van het Gerecht op 8 mei 2017 stukken ingediend. Hiervan is een afschrift naar de Inspecteur gestuurd met het verzoek om daarop te reageren, hetgeen niet is gebeurd.

1.7

Partijen hebben vervolgens aan het Gerecht toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Vervolgens heeft het Gerecht het onderzoek gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van Y B.V. (hierna: de B.V.) waarin een huisartsenpraktijk wordt geëxploiteerd. Hij is daar werkzaam als huisarts. Daarnaast is hij vanaf het jaar 2010 in dienstbetrekking bij de Directie Justitie en belast met de medische zorg van de gedetineerden (delinquentenzorg) in de Sentro di Detenshon i Korekshon Kòrsou (SDKK) en de Justitiële Jeugd Inrichting Curaçao (JJIC). In de huisartsenpraktijk behandelt belanghebbende ook patiënten van SDKK en JJIC. Voorafgaand aan het jaar 2010 was belanghebbende als arts werkzaam voor de Directie Justitie doch niet in dienstbetrekking.

2.2

Voor de medische arts die werkzaam is voor Directie Justitie geldt als voorwaarde dat hij ook een particuliere praktijk moet hebben om de kwaliteit van de zorg te kunnen garanderen. Voor de kosten die belanghebbende in verband daarmee moet maken, wordt hij niet extra betaald. Een deel van de kosten van de B.V. (zie hierna) worden doorbelast aan belanghebbende.

2.3

In 2012 genoot belanghebbende een bedrag van NAf 81.292 aan inkomsten uit dienstbetrekking van de Directie Justitie. De omzet van de B.V. bedraagt in 2012

NAf 227.617.

2.4

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar een belastbaar inkomen aangegeven van NAf 10.653. Belanghebbende heeft kosten in aftrek gebracht voor een bedrag van NAf 33.331. Het gaat om de volgende kosten.

(1) Lidmaatschap CHV NAf 750

Lidmaatschap AJV NAf 420

Gemiddelde jaarlijkse kosten nascholing NAf 750

Diverse kosten lidmaatschap waaronder VVAA, ING FATUM NAf 2.109

beroepsaansprakelijkheid enz.

In beroepsfase heeft de Inspecteur de kosten van de lidmaatschap CHV (NAf 750) en de diverse kosten (NAf 2.109) geaccepteerd.

(2) Doorbelaste kosten van de B.V. Hierna volgt een overzicht van de doorbelaste kosten:

Loonkosten: NAf 9.058

Huisvestingskosten: NAf 5.177

Telefoonkosten: NAf 1.980

Vervoerskosten: NAf 2.917

Algemene Kosten: NAf 5.224

Afschrijvingskosten: NAf 750

NAf 25.108

(3) Voorts heeft belanghebbende in verband met avond,- en weekenddiensten een bedrag van NAf 4.192 voor kosten van een werkruimte in zijn privé-woning in aftrek gebracht. Het betreft elektrakosten van NAf 3.119 (1/4 van de totale kosten aan elektra) en NAf 1.073 (1/3 van de kosten van de privé-telefoon).

2.5

De Inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft het bedrag aan kosten niet geaccepteerd. Het belastbaar inkomen is vastgesteld op NAf 89.379.

2.6

Belanghebbende heeft drie kinderen: F, geboren op 30 september 1992, G, geboren op 9 juli 1995 en H, geboren op 20 september 2004. Belanghebbende heeft een totaal bedrag van NAf 826 aan kindertoeslag in zijn aangifte in aftrek gebracht. Dit bedrag is samengesteld uit toeslagen van de categorie I (NAf 672), III (NAf 87) en IV (NAf 67). In de beroepsfase heeft de Inspecteur een bedrag geaccepteerd van NAf 67 (categorie IV).

2.7

Ter zake van zijn in Nederland studerend kind, F heeft belanghebbende een bedrag van NAf 4.681 aan buitengewone lasten in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft in bezwaarfase een bedrag van NAf 2.379 (ticketkosten) geaccepteerd.

2.8

Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende is de aanslag niet verminderd. Op basis van de in bezwaar verstrekte informatie had het belastbaar inkomen volgens de Inspecteur moeten worden vastgesteld op NAf 92.619. Dit is echter niet gebeurd en de aanslag (op basis van een belastbaar inkomen van NAf 89.379) is gehandhaafd.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil de aftrek van kosten op basis van artikel 9 Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB), de buitengewone lasten wegens studiekosten van de studerende kinderen en de kindertoelage.

3.2

Belanghebbende meent dat hij recht heeft op aftrek van de door hem in aftrek gebrachte kosten. Deze kosten houden direct verband met zijn werkzaamheden bij de Directie Justitie en zijn, aldus belanghebbende, aan te merken als op de opbrengsten drukkende lasten in de zin van artikel 9 LIB. In de beroepsfase is de correctie van de door belanghebbende in aftrek gebrachte afschrijvingskosten (ad. NAf 750) niet meer in geschil. Belanghebbende meent voorts dat hij recht heeft op de door hem opgevoerde bedragen aan kindertoelage en buitengewone lasten wegens studiekosten van zijn kinderen.

3.3

In de beroepsfase heeft de Inspecteur NAf 750 en NAf 2.109 (zie 2.4) aan kosten geaccepteerd. Voorts heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat – indien het Gerecht oordeelt dat met betrekking tot de overige door belanghebbende gestelde kosten wel sprake is van verwervingskosten - hij akkoord gaat met een bedrag aan aftrek van NAf 1.240 (water/electra en telefoonkosten). In totaal derhalve: NAf 3.099 (NAf 4.099 minus drempel van NAf 1.000). Voorts heeft de Inspecteur ter zake van de buitengewone lasten een bedrag van NAf 2.379 (zie 2.7) geaccepteerd. De Inspecteur is voor het overige van mening dat de correcties terecht zijn.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen en de inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslagen. Volgens de Inspecteur leiden de door hem geaccepteerde kosten tot een belastbaar inkomen van NAf 90.095 (zie brief van 3 maart 2017). De aanslag is daarom eerder te laag dan te hoog. Dit geldt evenzeer voor de aanslagen inzake premies.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Verwervingskosten

4.1

Ingevolge artikel 9, eerste lid van de LIB zijn aftrekbaar de kosten tot verwerving, inning en behoud der opbrengst en met de op de opbrengst rustende lasten (hierna: verwervingskosten). Ingevolge het derde lid van artikel 9 van de LIB wordt het bedrag aan aftrekbare kosten met betrekking tot de opbrengst uit dienstbetrekking gesteld op NAf 500. In plaats daarvan kan de belastingplichtige de werkelijke kosten in mindering brengen voor zover deze meer bedragen dan NAf 1.000.

4.2

De Inspecteur heeft in de beroepsfase een deel van de verwervingskosten geaccepteerd. Het bedrag dat nog in geschil is, is als volgt samengesteld:

Lidmaatschap AJV: NAf 420

Gemiddelde jaarlijkse kosten nascholing NAf 750

NAf 1.170

Doorbelaste kosten:

Loonkosten: NAf 9.058

Huisvestingskosten: NAf 5.177

Telefoonkosten: NAf 1.980

Vervoerskosten: NAf 2.917

Algemene Kosten: NAf 5.224

NAf 24.356

Kosten werkruimte privé-woning NAf 4.192

4.3

De bewijslast met betrekking tot de verwervingskosten rust op belanghebbende.

Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat de kosten (1) door de aard van de dienstbetrekking worden veroorzaakt dan wel (2) voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking zijn gedaan. Uitgaven die op basis van voormelde criteria kwalificeren als aftrekbare kosten zijn binnen de grenzen van de redelijkheid steeds aftrekbaar. Voor deze uitleg van artikel 9, eerste lid van de LIB heeft het Gerecht aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. Hoge Raad 30 november 1977, BNB 1978/7) met betrekking tot artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin de aftrekbare kosten zijn geregeld. Het Gerecht overweegt hierbij dat kosten slechts aftrekbaar zijn indien zij voor rekening van de belastingplichtige komen, en zij worden in aanmerking genomen op het tijdstip dat zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden (artikel 16B LIB).

lidmaatschap Antilliaanse Juristenvereniging (AJV) en kosten nascholing

4.4

Niet kan worden gezegd dat de kosten voor het lidmaatschap door de aard van de dienstbetrekking bij Directie Justitie worden veroorzaakt en evenmin is aannemelijk gemaakt dat het lidmaatschap - objectief gezien - nodig is voor de behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking. De kosten van nascholing zijn niet aftrekbaar reeds omdat daarvan geen bewijsstukken zijn overgelegd.

doorbelaste kosten

4.5

Het staat vast dat belanghebbende in de huisartsenpraktijk ook patiënten van de Directie Justitie behandelt. Belanghebbende stelt dat om deze reden een deel van de kosten die door de B.V. zijn betaald - naar rato - doorbelast moet worden aan de inkomsten uit dienstbetrekking en als aftrekbare verwervingskosten heeft te gelden. Zoals hiervoor is overwogen zijn de kosten slechts aftrekbaar indien blijkt dat zij voor rekening van belanghebbende zijn gekomen. Belanghebbende heeft gelet op de betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door de B.V. betaalde kosten voor zijn rekening zijn gekomen. Dit brengt mee dat de doorbelaste kosten reeds om deze reden niet aftrekbaar zijn.

kosten werkruimte privé-woning

4.6

Belanghebbende heeft onweersproken aangevoerd dat hij werkzaamheden voor de Directie Justitie in de werkruimte in zijn woning verricht, dat de werkruimte noodzakelijk is voor de avond- en weekenddiensten omdat hij daar patiënten ziet. Volgens hem is het redelijk 1/3 van de telefoonkosten van zijn privé-toestel ten bedrage van NAf 3.220 (NAf 1.073) en ¼ van de kosten van electra van zijn woning ten bedrage van NAf 12.476 (NAf 3.119) in aftrek te brengen.

4.6.1

Artikel 9C, eerste lid, onder a sub 1 van de LIB luidt als volgt:

Op de opbrengst uit arbeid, bedrijf en beroep, komen niet in mindering de in artikel 9, eerste lid bedoelde kosten welke verband houden met de volgende posten:

“a. de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning van de belastingplichtige als:

1. ingeval hij tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn opbrengst uit arbeid, bedrijf en beroep voor minder dan tweederde in de werkruimte in die woning verwerft (…)”

4.6.2

Energiekosten zijn naar het oordeel van het Gerecht ook kosten van de werkruimte zoals bedoeld in voormelde bepaling. De kosten van electra komen niet voor aftrek in aanmerking nu belanghebbende niet voldoet aan voormelde norm. Gesteld noch gebleken is immers dat belanghebbende zijn inkomen voor meer dan tweederde in de werkruimte in zijn woning verwerft.

4.6.3

Voor zover de telefoonkosten gemaakt zijn ten behoeve van de dienstbetrekking, zijn ze aftrekbaar. Het Gerecht is van oordeel dat een deel van de telefoonkosten als verwervingskosten heeft te gelden. Echter het door belanghebbende voorgestane bedrag van 1/3 van het totaal bedrag van de kosten van het privé-toestel acht het Gerecht – gelet op de door hem gestelde gebruik van de telefoon voor zijn dienstbetrekking - te hoog. Het Gerecht stelt het aftrekbaar bedrag aan telefoonkosten daarom in goede justitie vast op NAf 600.

buitengewone lasten: studiekosten

4.7

Ingevolge artikel 16A, lid 1, letter e, LIB zijn de uitgaven ter zake van een studie voor eigen kinderen tot een bedrag van ten hoogste NAf 10.000 per kind aftrekbaar als buitengewone lasten.

4.7.1

Op grond van artikel 16A, lid 3, letter a, LIB worden tot de buitengewone lasten ter zake van (zuivere) studiekosten uitsluitend gerekend i) school- of collegegeld, ii) kosten van boeken en ander verplicht lesmateriaal, niet zijnde voorwerpen als omschreven in artikel 9C, lid 2, letter a, LIB (onder meer computers, printers en geluidsapparatuur), alsmede iii) kosten van internationaal vervoer tot een bedrag van ten hoogste één reis per jaar per kind.

4.7.2

Belanghebbende heeft een bedrag van NAf 4.681 in aftrek gebracht als buitengewone lasten. In geschil is nog een bedrag van NAf 2.302. Naar het Gerecht begrijpt stelt belanghebbende dat dit bedrag is aangewend voor het bestrijden van de kosten van collegegeld en boeken van zijn dochter.

4.7.3

De kosten voor het collegegeld en de boeken vormen (zuivere) studiekosten. Deze studiekosten zijn slechts aftrekbaar voor zover ze op belanghebbende drukken. Voor zover een genoten studiebeurs betrekking heeft op studiekosten, moeten die kosten geacht worden daaruit te zijn voldaan en drukken ze niet op de ouders van de student, ook al hebben zij die kosten voor hun rekening genomen (zie GEA Curaçao 27 juni 2018, nr. CUR201600246, ECLI:NL:OGEAC:2018:144).

4.7.4

Een studiebeurs is opgebouwd rekening houdend met de zuivere studiekosten (college- en boekengeld, lesmateriaal), alsmede met andere kosten zoals de kosten voor levensonderhoud, huisvesting en ziektekostenverzekering. De Belastingdienst voert een beleid op grond waarvan een studiebeurs die wordt genoten door een in het buitenland studerend kind aan een MBO-instelling respectievelijk een HBO-instelling of universiteit, voor 20% respectievelijk 25% geacht wordt betrekking te hebben op de zuivere studiekosten (college- en boekengeld, lesmateriaal). In het geval een belastingplichtige aannemelijk maakt dat de door zijn kind genoten studiebeurs voor een kleiner deel betrekking heeft op de zuivere studiekosten, is afwijking van het beleid gerechtvaardigd.

4.7.5

Als bewijs dat zijn dochter studiefinanciering krijgt heeft belanghebbende een brief van de minister van onderwijs van Nederland (21 september 2012) overgelegd. Daaruit leidt het Gerecht af dat de dochter van belanghebbende studiefinanciering krijgt ten bedrage van Euro 794 per maand. Aan studiefinanciering krijgt de dochter van belanghebbende derhalve Euro 9.528 per jaar. Gelet op het hiervoor beschreven beleid wordt 25% daarvan (Euro 2.382: NAf 5.453) geacht betrekking te hebben op zuivere studiekosten. Niet gebleken is immers dat de door de dochter genoten studiebeurs voor een kleiner deel betrekking heeft op de zuivere studiekosten.

4.7.6

Belanghebbende heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij in het onderhavige jaar maandelijks een bedrag van NAf 750 op de rekening van de moeder van zijn kinderen heeft overgemaakt. Hij stelt dat een deel van dit bedrag is aangewend voor de betaling van studieboeken en collegegeld. Hij heeft daarvan echter geen bewijs van betaling overgelegd. Derhalve kan niet vastgesteld dat het bedrag van NAf 2.302 dat nog in geschil is, is aangewend voor de zuivere studiekosten. Ook indien dat wel het geval zou zijn kan geen aftrek plaatsvinden nu dit bedrag lager is dan het bedrag aan studiefinanciering dat geacht wordt te zijn aangewend voor de zuivere studiekosten (NAf 5.453).

kindertoeslag

4.8

In geschil is nog of belanghebbende recht heeft op aftrek van de toeslag van categorie I (NAf 672) en categorie III (NAf 87). Ingevolge artikel 23A geldt een kindertoeslag van categorie I – voor zover van belang - voor een kind van 16 tot 27 jaar dat elders verblijft om een middelbare beroeps-, hoger beroeps-, universitaire of daarmee vergelijkbare opleiding te volgen.

4.8.1

Belanghebbende heeft op 8 mei 2017 (e-mail) een bewijs van inschrijving overgelegd waaruit blijkt dat F op 1 januari 2012 ingeschreven was aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Belanghebbende heeft derhalve recht op de aftrek van NAf 672.

4.8.2

Voor een toeslag van categorie III geldt als voorwaarde dat het moet gaan om een kind van 16 tot 27 jaar dat tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, en die onderwijs of een beroepsopleiding volgt anders dan bedoeld onder categorie I en II. Belanghebbende stelt dat zijn dochter naar de middelbare school ging in Curaçao. Hij heeft daarvan echter geen bewijs van inschrijving overgelegd en anderszins is – gelet op de betwisting van de Inspecteur - ook niet aannemelijk gemaakt dat aan voormelde voorwaarden voor de toepassing van de toeslag wordt voldaan. Hij heeft derhalve geen recht op aftrek.

hoogte aanslagen

4.9

Gelet op voorgaande zijn de volgende bedragen aftrekbaar:

verwervingskosten: NAf 3.459 -/- drempel van NAf 1000 = 2.459 (NAf 750 en NAf 2.109 (zie 2.4) +/+ NAf 600);

kindertoelage: NAf 739 (672 +/+ 67).

De Inspecteur heeft in beroepsfase het belastbaar inkomen – met inachtneming van onder andere een bedrag van NAf 3.099 aan verwervingskosten en een bedrag van NAf 2.379 aan buitengewone lasten (zie brief van 3 maart 2017) - berekend op NAf 90.095. De aanslagen zijn vastgesteld op basis van een belastbaar inkomen van NAf 89.379 respectievelijk een premie-inkomen van NAf 92.362. De aanslagen zijn daarom eerder te laag dan te hoog.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2019, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/per e-mail op …………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500