Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:101

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
Lar CUR201800029 en Cur201800028 (gevoegd behandeld)
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-verschuldigbare termijnoverschrijding. De datum van ontvangst van het bestreden besluit vormt geen verontschuldiging voor de termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

1. [eiser]en

2. [eiseres],

beiden wonend in Nederland,

eisers,

en

de Sociale Verzekeringsbank,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Bonafasia, werkzaam bij verweerster.

Procesverloop

Bij beschikkingen van 10 mei en 26 juli 2017 heeft verweerster op de aan [eiseres] onderscheidenlijk [eiser] toegekende pensioenuitkeringen met ingang van 1 januari 2017 een korting van 10% toegepast en die nader vastgesteld op NAf 500,80 en NAf 463,80. Daarbij heeft verweerder verder bepaald dat eisers vanaf 2016 niet meer in aanmerking komen voor een kerstgratificatie.

Bij beschikkingen van 8 november 2017, aangetekend verzonden op 9 november 2017, (de bestreden besluiten), heeft verweerster de bezwaren van eisers tegen de herzieningsbeschikkingen kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De openbare behandeling ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 10 april 2019. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Op grond van het tweede lid geldt als de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, de dag waarop deze is gegeven. Op grond van het vierde lid blijft, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kan worden.

2. Ambtshalve dient het Gerecht de ontvankelijkheid van de beroepen te beoordelen.

Gebleken is dat verweerster de bestreden besluiten op 9 november 2017 per aangetekende post aan het juiste adres van eisers heeft gezonden. De beroepstermijn liep derhalve van 10 november 2017 tot 23 december 2017. Eisers beroepschriften zijn echter gedateerd op 27 december 2017 en bij het Gerecht binnengekomen op 4 januari 2018. De beroepen zijn derhalve niet tijdig ingediend.

Dat naar eiseres hebben gesteld, zij de bestreden besluiten op 25 november 2017 hebben ontvangen, laat onverlet dat zij toen nog voldoende tijd hadden om binnen de beroepstermijn beroepschriften in te dienen. De datum van ontvangst van de bestreden besluiten vormt dan ook geen verontschuldiging voor de termijnoverschrijding. Nu daarvan ook overigens niet is gebleken, moeten de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard wegens niet‑verontschuldigbare termijnoverschrijding.

3. Het Gerecht wijst eisers op zijn uitspraak van 14 januari 2019, gepubliceerd ECLI:NL:OGEAC:2019:6, waarbij het in een vergelijkbare casus wel een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de ook door eisers opgeworpen rechtsvragen. Die werden in die zaak niet op de door eisers voorgestane wijze beantwoord.

4. De beroepen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart de beroepen van eisers niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mrs. D. Haan, voorzitter, en J. Sybesma en L.C. Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.