Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:92

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
CUR201801427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslaglegging inzake geschil tussen ConocoPhillips en PDVSA verstekverlening immuniteit van executie goederen bestemd voor openbare dienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/331
TvA 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

REFINERIA DI KORSOU N.V.,

de besloten vennootschap

CURAÇAO REFINERY UTILITY N.V.,

de naamloze vennootschap

AQUALECTRA N.V.,

allen gevestigd te Curaçao,

eisers,

gemachtigde: mr. E.R. de Vries en mr. T.E. Matroos,

de naamloze vennootschap

CURAÇAO OIL (CUROIL) N.V.,

gevestigd te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. Q.D.A. Carrega,

tegen

de besloten vennootschap

REFINERIA ISLA CURAÇAO B.V.,

gevestigd te Curaçao,

de vennootschap naar het recht van Venezuela

REFINERIA ISLA (CURAZAO) S.A.,

gevestigd te Caracas,

gedaagden,

gemachtigde: mr. S.E. Thomson,

de vennootschap naar het recht van Venezuela

PETROLEOS DE VENEZUELA S.A.,

de vennootschap naar het recht van Venezuela

PDVSA PETROLEO S.A.

beiden gevestigd te Caracas,

gedaagden,

niet verschenen,

de vennootschap naar het recht van Bermuda

PHILLIPS PETROLEUM COMPANY VENEZUELA LIMITED,

gevestigd te Bermuda,

de vennootschap naar het recht van Nederland

CONOCOPHILLIPS PETROZUATA B.V.,

gevestigd Den Haag,

gedaagden,

gemachtigden: mr. K. Frielink en mr. J.C. Maris,

in welke zaak heeft verzocht te mogen interveniëren

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

gevestigd te Curaçao,

interveniënt,

gemachtigden: mr. R.F. van den Heuvel en mr. R.B. van Hees.

Partijen zullen hierna ook, respectievelijk, RdK, CRU, Aqualectra (gezamenlijk ook: RdK c.s.), Curoil, Isla, Isla S.A. (gezamenlijk ook: Isla c.s.), PDVSA, PDSVA Petro (gezamenlijk ook: PDVSA c.s.), CPH, CPZ (gezamenlijk ook: ConocoPhillips c.s.) en het Land genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, binnen gekomen op 14 mei 2018;

- de producties van Isla c.s.;

- de producties van ConocoPhillips c.s.;

- de producties van het Land;

- de mondelinge behandeling van 15 mei 2018;

- de pleitaantekeningen van RdK c.s.;

- de pleitaantekeningen van Curoil;

- de pleitaantekeningen van Isla c.s.;

- de pleitaantekeningen van ConocoPhillips c.s.;

- de pleitaantekeningen van het Land.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij arbitraal vonnis van 24 april 2018, gewezen in een geschil tussen ConocoPhillips c.s. als eisers en PDVSA c.s. en een derde Venezolaanse vennootschap (Corpoguanipa) als verweerders, hebben de arbiters onder meer het volgende beslist:

iv. DECLARES that PDVSA Petróleo is liable to compensate CPZ for the Discriminatory Actions under the terms of the Petrozuata Association Agreement, in an amount quantified at USD 489,334,468.87, including interest (as of 27 May 2016);

v. DECLARES that PDVSA is liable to compensate CPZ for the Discriminatory Actions under the terms of the Petrozuata Guaranty, in an amount quantified at USD 489,334,468.87, including interest (as of 27 May 2016);

vi. DECLARES that Corpoguanipa is liable to compensate CPH for the Discriminatory Actions under the terms of the Hamaca Association Agreement, in an amount quantified at USD 1,496,712,745.85, including interest (as of 27 May 2016);

vii. DECLARES that PDVSA is liable to compensate CPH for the Discriminatory Actions under the terms of the Hamaca Guarantee, in an amount quantified at USD 1,496,712,745.85, including interest (as of 27 May 2016);

viii. AWARDS the Claimants compensation for the Discriminatory Actions, in an amount quantified at USD 1,986,047,214.72, already including pre-award interest (as of 27 May 2016) (i.e. the sum of the amounts identified in paragraphs 1163.iv and 1163.vi above);

2.2.

ConocoPhillips c.s. beschikken (nog) niet over een executoriale titel met betrekking tot het arbitrale vonnis.

2.3.

Op verzoek van CPH heeft het gerecht verlof verleend om conservatoir beslag te leggen ten laste van PDVSA en Corgoguanipa onder RdK, Isla S.A., Curoil, enkele banken en op de olie in een aantal met name genoemde schepen. De vordering is daarbij begroot op bijna USD 2 miljard.

2.4.

Op verzoek van CPZ heeft het gerecht verlof verleend om conservatoir beslag te leggen ten laste van PDVSA c.s. onder RdK, Isla S.A., Curoil, enkele banken en op de olie in een aantal met name genoemde schepen. De vordering is daarbij begroot op ruim USD 636 miljoen.

2.5.

Op 4 mei 2018 hebben ConocoPhillips beslag doen leggen onder RdK. Op 11 mei 2018 is een beslag gevolgd onder Curoil.

2.6.

RdK is eigenaar van de olieraffinaderij te Emmastad en van installaties, waaronder opslagtanks, in Bullenbaai. Zij verhuurt een en ander aan Isla.

2.7.

CRU, Aqualectra en Curoil nemen brandstoffen af die door Isla in de raffinaderij worden geproduceerd.

2.8.

Isla c.s. zijn (indirecte) dochtermaatschappijen van PDVSA. Ook PDVSA Petro is een dochtermaatschappij van PDVSA.

2.9.

Op grond van een tussen (de rechtsvoorganger van) het Land en PDVSA tot stand gekomen overeenkomst is Isla gehouden tot brandstofleveranties aan in elk geval Aqualectra en Curoil.

2.10.

PDVSA is een deelneming van de Venezolaanse staat.

2.11.

Als gevolg van de beslagleggingen heeft PDVSA de levering van ruwe olie aan Isla gestaakt.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen in kort geding het volgende, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Isla te bevelen de brandstofleveringen aan overheidsvennootschappen, op de gebruikelijke wijze, en tegen de overeengekomen betaling door de eiser die het aangaat, onmiddellijk te hervatten en hervat te houden;

2. PDVSA en PDVSA Petro te bevelen alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de brandstofleveringen aan overheidsvennootschappen door Isla;

3. ConocoPhillips te bevelen te gehengen en te gedogen dat Isla de brandstofleveringen aan overheidsvennootschappen, op de gebruikelijke wijze, en tegen de overeengekomen betaling door de eiser die het aangaat, onmiddellijk hervat en hervat houdt, en dat PDVSA en PDVSA Petro daaraan alle noodzakelijke medewerking verlenen;

4. de beslagen onder RdK, Isla, Isla S.A. en Curoil op te heffen, in ieder geval voor zover zij eraan in de weg staan dat aan de onder 1 en 2 gevorderde voorzieningen uitvoering wordt gegeven;

5. ConocoPhillips te verbieden opnieuw beslag te leggen voor zover daarmee verhinderd wordt of kan worden dat aan de onder 1 en 2 gevorderde voorzieningen uitvoering wordt gegeven;

6. te bepalen dat ieder van Isla, PDVSA, PDVSA Petro en ConocoPhillips bij iedere

overtreding van een van de hierboven genoemde voorzieningen aan de eiser die het aangaat onmiddellijk een dwangsom verbeurt ter hoogte van USD 10 miljoen per dag of gedeelte van een dag dat die overtreding plaatsvindt, c.q. voortduurt, met een maximum van USD 1.000.000.000,-;

7. voor zover niet alle hiervoor door eisers verzochte voorzieningen zouden worden toegewezen, zodanige door U E.A. in goede justitie te bepalen andere voorzieningen te treffen, dat het doel van de niet-getroffen voorzieningen toch zoveel mogelijk wordt bereikt; en

8. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

Isla c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van RdK c.s. en Curoil in de proceskosten.

3.3.

ConocoPhillips c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, subsidiair tot beperking van een eventueel gebod tot opheffing van de beslagen alsmede tot afwijzing dan wel matiging van de gevraagde dwangsom.

3.4.

Het Land heeft verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van RdK c.s. en Curoil.

3.5.

RdK c.s., Curoil en Isla c.s. ondersteunen het verzoek van het Land. ConocoPhillips refereren zich ter zake aan het oordeel van het gerecht.

4 De beoordeling

4.1.

PDVSA c.s. zijn niet in dit geding verschenen. Het gerecht heeft geconstateerd dat de deurwaarder de aan PDVSA c.s. gerichte oproepingen heeft betekend ten kantore van Isla door middel van achterlating van het exploot in gesloten enveloppe. Eisers hebben verklaard dat op dit adres rechtsgeldig betekend kon worden, omdat sprake is van een contractuele domiciliekeuze. Ter onderbouwing hebben zij gewezen op bepalingen uit de huurovereenkomst tussen RdK en PDVSA, die inhouden dat alle “communications” met betrekking tot die overeenkomst zullen worden gedaan aan de postbus van Isla S.A. in Curaçao.

4.2.

Het gerecht volgt eisers in dit betoog. De desbetreffende bedingen uit de huurovereenkomst hebben naar het oordeel van het gerecht tot gevolg dat PDVSA ten kantore van Isla S.A. woonplaats heeft gekozen als bedoeld in artikel 1:15 BW. Dat betekent dat PDVSA aldaar rechtsgeldig kan worden opgeroepen (artikel 1 Rv), althans voor zover de onderhavige procedure ziet op de rechtsbetrekking waarvoor die woonplaats is gekozen. Dat laatste is het geval. De vordering van RdK tegen PDVSA strekt immers tot nakoming door PDVSA van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Dit betekent dat PDVSA rechtsgeldig is opgeroepen.

4.3.

Hoewel de contractuele woonplaatskeuze niet geldt in de verhouding tussen de overige eisers en PDVSA, is er geen redelijk belang mee gemoeid om de oproeping van PDVSA door die andere eisers als niet rechtsgeldig te beoordelen. Het gaat hier immers om vorderingen die namens alle eisers, onder wie RdK die gebruik kan maken van de contractuele woonplaatskeuze, in een en hetzelfde inleidende verzoekschrift zijn opgenomen. In dit verband speelt ook een rol dat, zoals het gerecht bekend is, PDVSA en PDVSA Petro als eisers hebben opgetreden in het kort geding dat op 16 mei 2018 heeft gediend bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, over dezelfde kwestie (beslaglegging door ConocoPhillips). Mede gelet op de aandacht in de (internationale) media voor de beslagleggingen door ConocoPhillips, moet (ook) daarom worden aangenomen dat PDVSA op de hoogte was van de onderhavige procedure. Dit geldt in de hier relevante omstandigheden in dezelfde mate voor PDVSA Petro. Het gerecht wijst erop dat de gedachte achter de bepalingen ter zake van de oproeping van (rechts)personen is dat zoveel mogelijk wordt bereikt dat die (rechts)persoon daadwerkelijk van de eis en de zitting op de hoogte is of kan zijn. In de gegeven omstandigheden moet die bekendheid worden aangenomen.

4.4.

De slotsom is dat tegen PDVSA c.s. verstek wordt verleend.

4.5.

De (internationale) bevoegdheid van het gerecht staat terecht niet ter discussie.

4.6.

Het Land heeft genoegzaam onderbouwd dat het belang heeft bij deze procedure, reden waarom het zich wil voegen aan de zijde van eisers. Nu geen van de overige partijen dit standpunt heeft bestreden, zal het Land worden toegestaan zich te voegen. Voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling in het incident bestaat geen aanleiding.

4.7.

Het spoedeisend belang, voor zover vereist, volgt uit de aard van het geschil.

4.8.

Eisers zijn derdebeslagenen, althans in dit kort geding staat vast dat in elk geval onder RdK en Curoil beslag is gelegd. De vorderingen jegens ConocoPhillips c.s. strekken ertoe dat de gelegde beslagen worden opgeheven en dat hen wordt verboden opnieuw beslag te leggen. De vordering jegens PDVSA c.s. strekt ertoe dat zij de noodzakelijke medewerking verlenen om te waarborgen dat Isla de brandstofleveringen aan eisers kan hervatten.

4.9.

Het bestaan van de vordering van ConocoPhillips c.s. op PDVSA c.s. staat niet ter discussie. Uit het arbitraal vonnis volgt dat de (totale) vordering van ConocoPhillips c.s. op PDVSA c.s. bijna USD 2 miljard beloopt. Verlof is verleend voor het leggen van beslag met betrekking tot deze vordering (inclusief kosten begroot op USD 2,6 miljard). Tegen deze achtergrond verwerpt het gerecht de stelling van het Land dat het in dit kort geding zou gaan om een vordering van ‘slechts’ USD 489 miljoen. Niet gebleken is van een wanverhouding tussen de hoogte van de vordering en de waarde van de beslagen goederen. Gelet op de hoogte van de vordering, verwerpt het gerecht ook het betoog van het Land dat het beslag onnodig is omdat ConocoPhillips c.s. voldoende andere verhaalsmogelijkheden zou hebben. Nu het bestaan van haar (substantiële) vordering vast staat, is ConocoPhillips c.s. dus in beginsel gerechtigd maatregelen te nemen om het verhaal van die vordering zeker te stellen in afwachting van het verkrijgen van een executoriale titel.

4.10.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de beslagen moeten worden opgeheven omdat sprake is van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (artikel 705 lid 2 Rv). Eisers stellen daartoe het volgende. Het beslag is gericht op goederen van PDVSA c.s., te weten een (indirecte) 100% deelneming van de Venezolaanse staat. PDVSA c.s. moet daarom met Venezuela gelijk worden gesteld. Vanwege de immuniteit van executie die Venezuela als vreemde staat geniet, is beslag op goederen van die staat in beginsel niet toegestaan, tenzij en voor zover is vastgesteld dat die goederen bestemd zijn voor andere dan publieke doeleinden. ConocoPhillips c.s. hadden de beslagrechter ter zake van voldoende feitelijke gegevens moeten voorzien (HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236). Nu zij dergelijke gegevens niet hebben verstrekt, moeten de beslagen reeds een die reden worden opgeheven, aldus eisers.

4.11.

Het gerecht verwerpt dit betoog. De uit genoemd arrest van de Hoge Raad voortvloeiende informatieverplichting van partijen die beslag verlof vragen is niet een vormvoorschrift dat op straffe van nietigheid van het beslag moet worden nageleefd. Het enkele feit dat ConocoPhillips c.s. de beslagrechter mogelijk niet volledig hebben geïnformeerd omtrent de (publieke of commerciële) bestemming van de goederen maakt dus niet dat reeds om die reden de beslagen moeten worden opgeheven. In het midden kan blijven of juist is de veronderstelling van eisers dat PDVSA c.s. met de Venezolaanse staat moeten worden vereenzelvigd.

4.12.

Overigens is naar voorlopig oordeel van het gerecht in deze procedure voldoende gebleken dat de (mogelijk) beslagen goederen bestemd zijn voor commerciële activiteiten. Het gaat hier om (beoogde) beslagen op goederen die toebehoren aan PDVSA c.s. (namelijk olieproducten, roerende zaken en geldvorderingen), dat wil zeggen een internationaal opererende onderneming die zich, naar algemeen bekend is, onder andere bezighoudt met de verwerking en verkoop van olieproducten op commerciële basis. Aangenomen moet daarom worden dat de goederen waarop (mogelijk) beslag is gelegd, bestemd zijn om bij te dragen aan de commerciële activiteiten van PDVSA c.s. Niet bepalend is dat de revenuen van PDVSA c.s. uiteindelijk in de staatskas van Venezuela vloeien en dat daarmee wellicht overheidstaken worden gefinancierd. Bepalend is hier de onmiddellijke bestemming van de beslagen goederen.

4.13.

Het gerecht concludeert dat er geen grond is om de beslagen op te heffen wegens strijdigheid met de immuniteit van executie van de Venezolaanse staat.

4.14.

Eisers en het Land hebben voorts een beroep gedaan op artikel 703 Rv, op grond waarvan geen beslag mag worden gelegd op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst. Eisers stellen daartoe dat een deel van de brandstof die zij afnemen van Isla en die afkomstig is van PDVSA c.s. benodigd is om de overheidsdiensten op Curaçao in staat te stellen te blijven functioneren. Te denken valt onder andere aan politie en hulpdiensten, die immers brandstof nodig hebben om te kunnen uitrijden.

4.15.

Het gerecht verwerpt dit betoog. Artikel 703 Rv vormt een uitzondering op de hoofdregel dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen. Nu het gaat om een uitzondering op een regel, ligt het in de rede de uitzondering restrictief toe te passen. Beslag zal alleen dan niet geoorloofd zijn indien door dat beslag het goede functioneren van de desbetreffende overheidsdienst wordt geschaad. Gelet daarop acht het gerecht het van belang dat het hier niet gaat om (mogelijk) beslag op goederen die eigendom zijn van het Land (of een andere overheidsdienst). Het gaat om goederen die, na verkoop en levering door een van de eisers, eigendom kunnen worden van het Land en pas dan (mogelijk) zullen worden ingezet voor het functioneren van de desbetreffende overheidsdienst. In een zodanig geval is het verband tussen het beslagen goed en het goede functioneren van de overheid te ver verwijderd om nog te kunnen aannemen dat beslag op grond van artikel 703 Rv verboden is. Zou dit anders zijn, dan zou in wezen elke onderneming die (ook) aan een overheidsdienst levert zich aan beslag op de betrokken goederen kunnen onttrekken.

4.16.

De beslagen zijn dus niet in strijd met artikel 703 Rv.

4.17.

Nu de beslagen niet in strijd zijn met de immuniteit van executie of artikel 703 Rv en zich ook geen van de in artikel 705 lid 2 Rv genoemde opheffingsgronden voordoet, rijst de vraag of een afweging van de wederzijdse belangen vergt dat de beslagen toch worden opgeheven. In dat verband overweegt het gerecht als volgt.

4.18.

Het standpunt van eisers en het Land komt erop neer dat de beslagen op korte termijn ontwrichtende gevolgen hebben voor de Curaçaose samenleving en economie. De beslagen hebben ertoe geleid dat PDVSA c.s. het transport van ruwe olie naar Curaçao heeft gestaakt, met als gevolg dat Isla niet meer bevoorraad wordt en dus geen geraffineerde brandstof meer kan leveren zodra de huidige voorraad is uitgeput. CRU, Aqualectra en Curoil betrekken een groot deel van de voor hun bedrijfsvoering benodigde brandstof van Isla. Alternatieve bronnen zijn kostbaar. De beslagen zullen dus uiteindelijk tot gevolg hebben dat de distributie van brandstof en elektriciteit in gevaar komt. De Curaçaose samenleving zal dus ernstige nadelige gevolgen ondervinden van een commercieel conflict tussen twee (veel grotere) partijen, waar die samenleving niets mee te maken heeft.

4.19.

Hiertegenover hebben ConocoPhillips c.s. gewezen op haar belang dat gemoeid is met het kunnen verhalen van haar (vaststaande) vordering. ConocoPhillips c.s. hebben aangevoerd dat verhaal op vermogensbestanddelen van PDVSA c.s. in Venezuela geen reële mogelijkheid is, gelet op de situatie in dat land. Zij zullen het dus moeten hebben van vermogensbestanddelen buiten Venezuela. Dat die vermogensbestanddelen zich deels in Curaçao bevinden, kan niet aan ConocoPhillips c.s. worden tegengeworpen. Verder hebben ConocoPhillips c.s. betoogd dat nog niet duidelijk is wat door de beslagen is getroffen, omdat de derde beslagenen nog geen verklaring hebben afgelegd. Dit is van belang, omdat alleen goederen die toekomen aan PDVSA c.s. door het beslag kunnen zijn getroffen. Voor zover de levering van brandstof door Isla aan (enkelen van) eisers om andere reden is gestaakt, kan ook dat niet aan ConocoPhillips c.s. worden tegengeworpen.

4.20.

Partijen hebben de over en weer gestelde belangen in wezen niet betwist. Zij strijden slechts om het gewicht dat aan die belangen moet worden gehecht. Het gerecht is van oordeel dat de belangen aan de zijde van eisers en het Land in de gegeven omstandigheden zwaarwegend zijn. Een commercieel geschil tussen twee partijen van een omvang als hier aan de orde rechtvaardigt niet dat een gehele samenleving ontwricht wordt. ConocoPhillips c.s. zijn hier ook niet op uit, zo hebben zij ter zitting herhaaldelijk benadrukt. Het belang van ConocoPhillips c.s. bij handhaving van haar verhaalsmogelijkheden is echter ook reëel. Zouden de beslagen zonder meer worden opgeheven, dan betekent dit immers dat, gegeven de feitelijke onmogelijkheid voor ConocoPhillips c.s. om zich in Venezuela te verhalen, zij haar vordering niet zullen kunnen verhalen. Dat zou slechts anders zijn, als aangenomen zou kunnen worden dat zij elders nog voldoende verhaalsmogelijkheden hebben, maar zoals eerder overwogen is dat in het kader van dit kort geding niet aannemelijk geworden.

4.21.

Tegen deze achtergrond is het gerecht van oordeel dat de volgende voorziening voorlopig in voldoende mate recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van partijen. De onder RdK, Curoil en Isla c.s. gelegde beslagen zullen worden opgeheven voor zover die opheffing nodig is voor de brandstof- en elektriciteitsvoorziening in Curaçao. Voorts zullen PDVSA c.s. worden veroordeeld om in zoverre de leveringen aan Isla te hervatten en hervat te houden. Voor deze voorzieningen geldt de voorwaarde dat de door eisers en/of Isla c.s. aan PDVSA c.s. toekomende betalingen voor de thans beslagen goederen en voor de toekomstige leveringen worden gestort op een daartoe bestemde escrow- of derdengeldrekening. Deze gelden zullen op die rekening gehouden moeten worden voor degene (PDVSA c.s. dan wel ConocoPhillips c.s.) die in de exequaturprocedure in het gelijk zal worden gesteld. PDVSA c.s. en ConocoPhillips c.s. dienen hiertoe uiterlijk maandag 21 mei 2018 gezamenlijk een rekening aan te wijzen of te openen, waarop de betalingen van eisers en/of Isla c.s. zullen plaatsvinden. Bij gebreke van medewerking van een van hen zullen eisers en/of Isla c.s., in samenspraak met de wel meewerkende partij, een escrow- of derdengeldrekening kunnen openen of aanwijzen. Voor een verbod aan ConocoPhillips c.s. om opnieuw beslag te leggen bestaat geen grond. De veroordeling van PVSA c.s. zal worden versterkt met een dwangsom. Nu het hier primair gaat om een voorziening ten behoeve van het maatschappelijk belang, zal bepaald worden dat een verbeurde dwangsom toekomt aan het Land (artikel 611c lid 2 Rv). Aan de veroordeling van PDVSA c.s. zal een termijn worden verbonden.

4.22.

Met betrekking tot de vorderingen op Isla c.s. overweegt het gerecht nog als volgt. Aan die vorderingen ligt de veronderstelling ten grondslag dat Isla de levering van brandstoffen aan eisers heeft gestaakt vanwege de beslagleggingen. Ter zitting heeft Isla dat betwist. Zij stelt dat zij de leveringen niet heeft gestaakt, althans ten aanzien van Curoil dat zij die leveringen heeft gestaakt bij wijze van opschorting omdat Curoil als gevolg van de beslagleggingen haar betalingsverplichtingen aan Isla niet langer nakwam. Verder heeft Isla verklaard dat zij sinds januari 2018 niet op volle kracht heeft kunnen draaien, omdat CRU haar onvoldoende elektriciteit leverde. Dit betoog hebben eisers niet concreet bestreden. Aldus kan in dit kort geding niet worden aangenomen dat Isla de levering aan eisers heeft gestaakt als gevolg van de belagleggingen.

4.23.

Vanwege de band tussen PDVSA c.s. en Isla (zie 2.8) en het belang gemoeid met hervatting van de brandstofleveringen, ziet het gerecht niettemin aanleiding om ook ten aanzien van Isla een voorziening te treffen die deze hervatting, voor zover nodig voor de brandstof- en elektriciteitsvoorziening op Curaçao, zoveel mogelijk garandeert. Gelet echter op de verklaringen van partijen ter zitting, bestaat ten aanzien van Isla geen aanleiding om deze voorziening te versterken met een dwangsom. Ten aanzien van Isla S.A. geldt overigens dat eisers geen vordering tegen haar hebben ingesteld.

4.24.

De proceskosten tussen de overige partijen zullen worden gecompenseerd, nu zij over en weer deels in het ongelijk worden gesteld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

staat toe dat het Land zich voegt aan de zijde van eisers;

5.2.

heft op de op verzoek van ConocoPhillips c.s. ten laste van PDVSA c.s. onder RdK, Isla c.s. en Curoil gelegde beslagen voor zover deze opheffing nodig is voor de brandstof- en elektriciteitsvoorziening op Curaçao, onder de voorwaarde dat de door eisers en/of Isla c.s. aan PDVSA c.s. verschuldigde betalingen voor de beslagen goederen worden gestort op de in 4.21 bedoelde escrow- of derdengeldrekening;

5.3.

veroordeelt PDVSA c.s. met ingang van 14 dagen na datum van dit vonnis de levering van brandstoffen of voor de productie daarvan benodigde grondstoffen aan Isla te hervatten en hervat te houden, aldus dat Isla in staat wordt gesteld aan haar bestaande leveringsverplichtingen aan eisers te voldoen, en veroordeelt Isla de brandstofleveringen tegen de overeengekomen betaling door de respectievelijke afnemer te hervatten en hervat te houden, een en ander voor zover nodig voor de brandstof- en elektriciteitsvoorziening op Curaçao en onder de voorwaarde dat de door eisers en/of Isla c.s. aan PDVSA c.s. verschuldigde betalingen voor deze leveringen worden gestort op de in 4.21 bedoelde escrow- of derdengeldrekening;

5.4.

bepaalt dat PDVSA c.s. ten behoeve van het Land een dwangsom verbeuren bij niet-nakoming van de onder 5.3 genoemde veroordeling van USD 1 miljoen voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze niet-nakoming voortduurt, met een maximum van USD 100 miljoen;

5.5.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.