Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:9

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201500803
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet- ontvankelijk. Het fiscale procesrecht bevat een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Tegen een ambtshalve vermindering is beroep niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 16 februari 2018

BBZ nr. CUR201500803

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

Op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] B.V., gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 27 april 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2008 (aanslagnummer [aanslagnummer 1]) opgelegd voor een bedrag van Naf. 137.506. Gelijktijdig met de aanslag is aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van Naf. 34.376.

1.2

De naheffingsaanslag is op 18 juli 2013 verminderd naar Naf. 64.514 (aanslagnummer [aanslagnummer 2]). Het bedrag van de boete is verminderd naar Naf. 9.380. Belanghebbende heeft bij brief van 16 september 2013 tegen deze verminderingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft deze brief als een beroepschrift aangemerkt en met een begeleidend schrijven van 20 april 2015 doorgezonden naar het Gerecht.

1.3

De Inspecteur heeft op 14 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen op 16 juni 2016, en op 6 oktober 2016. Namens belanghebbende is op 16 juni 2016 met berichtgeving niemand verschenen. Op de zitting van 6 oktober 2016 was namens belanghebbende, [ A ] aanwezig. Tevens heeft (via skypeverbinding) de bestuurder van belanghebbende [ B ] aan de zitting deelgenomen. Op beide zittingen was namens de Inspecteur, [ C ] aanwezig.

1.5

Hierna heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden op 26 april 2017. [ B ] heeft via telefoonverbinding deelgenomen aan de behandeling van de zaak. Namens de Inspecteur was aanwezig [ C ].

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.

2.2

Belanghebbende verkoopt (en bemiddelt bij de verkoop) van school- en studieboeken, studiemateriaal en meubilair. Ook beheert zij schoolboekenfondsen. De aandelen van belanghebbende zijn voor 100 percent in handen van de in Nederland gevestigde vennootschap [ Z ] B.V. De directeur van belanghebbende is [ B ]. De Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) heeft voor de jaren 2007 en 2008 bij belanghebbende een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften winstbelasting, loonbelasting en omzetbelasting. Het onderzoek is aangekondigd op 16 juni 2010. Het onderzoeksrapport dateert van 10 januari 2013. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken. In het rapport is op pagina 7 – voor zover van belang – het volgende vermeld:

‘2.5 Bijzondere omstandigheden-Faillissement en aanslagen ter behoud van rechten

Op 31 maart 2012 heb ik via lokale media, namelijk door de krant vernomen dat bovengenoemde belastingplichtige (X B.V.) een faillissement heeft aangevraagd en dat het bedrijf in afgeslankte vorm de bedrijfsactiviteiten zou willen voortzetten. (…)

De heer [ R ] is aangewezen als curator in het faillissement van belastingplichtige.

Later heb ik contact opgenomen met de heer [ R ]. Hij heeft bevestigd dat de onderneming in staat van faillissement verkeerde.

Met het oog op het verzoek om faillissement was ik genoodzaakt om aan de desbetreffende inspecteurs te verzoeken om per onmiddellijk aanslagen ter behoud van rechten op te leggen voor de middelen WB, OB, en LB voor de jaren 2007 en 2008. Tezamen met deze aanslagen heb ik voorgesteld om een vergrijpboete op te leggen. De aanslagen ter behoud van rechten zijn reeds opgelegd en de curator is hiervan op de hoogte. (…)

In juni 2012 heeft een liquidatie plaatsgevonden. (…)

De afwikkeling van de liquidatie werd verricht door de curator. Een kopie van het faillissementsverslag is bijgevoegd aan het controlerapport. Ik verwijs hierbij naar bijlage nummer 5.”

2.3

Tot de gedingstukken behoort een brief van 5 april 2012 waarin de SBAB aan de Inspecteur verzoekt om in verband met het faillissement van belanghebbende en het nog niet afgeronde boekenonderzoek onmiddellijk aanslagen ter behoud van rechten op te leggen waaronder de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking.

2.4

In het faillissementsverslag van 5 juli 2012 is in het onderdeel 8.2 (Preferente vorderingen belastingdienst) onder andere het bedrag van de naheffingsaanslag omzetbelasting (Naf. 137.506) en de boete daarbij (Naf. 34.376) voor het jaar 2008 vermeld.

2.5

De naheffingsaanslag omzetbelasting en de boetebeschikking zijn op 18 juli 2013 verminderd naar respectievelijk Naf. 64.514 en Naf. 9.380. Op het biljet van de verminderingsaanslag is de volgende motivering opgenomen:

”U ontvangt deze verminderingsaanslag op basis van de gegevens zoals vermeld in het rapport (nummer 201000519) welke reeds in uw bezit moet zijn. De vergrijpboete wordt ook gedeeltelijk verminderd. Er is sprake van grove schuld; (…) Voor nadere motivering verwijs ik u naar het rapport.”

2.6

Ter zitting heeft de Inspecteur een brief op 21 mei 2017 van Ontvanger Curaçao overgelegd. Daarin is het volgende vermeld:

“( ……) Hierbij delen wij u dat bovengenoemde belastingplichtige failliet is verklaard op 13 april 2012. Tot curator is benoemd Mr [ R ] en tot rechter commissaris Mr [ S ].

Het faillissement is op 25 augustus 2015 opgeheven wegens gebrek aan baten.

Wij zullen de belastingplichtige niet verder bemoeilijken voor de openstaande belastingschuld.”

3 ONTVANKELIJKHEID

3.1

Aan belanghebbende is tijdens een boekenonderzoek in verband met de aanvraag van faillissement door belanghebbende, een naheffingsaanslag met als dagtekening 27 april 2012 opgelegd. Tegen deze naheffingsaanslag heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. De naheffingsaanslag is na de afronding van het boekenonderzoek ambtshalve verminderd (verminderingsaanslag).

3.2

Het Gerecht stelt voorop dat het fiscale procesrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen bevat. Ingevolge artikel 29 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) kan de belanghebbende tegen een belastingaanslag of een door de Inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking, bezwaar aantekenen. Tegen een verminderingsaanslag is geen bezwaar mogelijk. Belanghebbende heeft bij schrijven van 16 september 2013 bezwaar gemaakt tegen de verminderingsaanslag. De Inspecteur heeft dit schrijven, kennelijk met instemming van belanghebbende, aangemerkt als een beroepschrift en heeft het doorgezonden naar het Gerecht. Ingevolge artikel 31, lid 1 van de ALL kan de belanghebbende binnen twee maanden na dagtekening van de uitspraak op bezwaar in beroep komen bij het Gerecht. Een ambtshalve vermindering is geen uitspraak op bezwaar zodat daartegen geen beroep mogelijk is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Het Gerecht komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.

3.3

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep niet- ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, voorzitter, mr. drs. M.M. de Werd en mr. J. Sap, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier, N.N. Noël van der Biezen BSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).