Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:86

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
12-01-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
Lar: Cur201700269
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Financieel toezicht. Intrekking ontheffing. Aanbod ter zitting om getuigen (te doen) horen afgewezen wegens strijd met goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[Eiseres],

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel, advocaat,

en

DE CENTRALE BANK VAN CURAÇAO EN SINT MAARTEN,

verweerder,

gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en H.M. Weijand, advocaten.

Procesverloop

Bij beschikking van 2 september 2016 heeft verweerder de aan eiseres verleende ontheffing van het verbod zich tot het publiek te wenden ter zake van het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten, ingetrokken (de intrekking).

Bij beschikking van 6 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij het Gerecht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 3 november 2017. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door R.V. Paulo, directeur van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 (Ltbk), zoals gewijzigd bij de Landsverordening actualisering en harmonisatie toezichtlandsverordeningen Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (P.B. 2015, no. 67), is het een ieder verboden zich direct of indirect tot het publiek te wenden ter zake van het verlenen van kredieten door anderen dan de kredietinstellingen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid. Op grond van het vierde lid kan verweerder van dat verbod op verzoek ontheffing verlenen, waaraan beperkingen kunnen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

2. Eiseres maakte haar bedrijf van het verlenen van microkredieten aan consumenten en wendde zich daarvoor tot het publiek. Verweerder had haar op grond van artikel 45, tweede lid, van de Ltbk, zoals die toen luidde, bij beschikking van 21 januari 2013 de daarvoor vereiste ontheffing verleend (de ontheffing), onder aantekening dat:

- eiseres een juiste, volledige en tijdige administratie zal voeren;

- eiseres periodiek de nodige informatie aan verweerder rapporteert;

- eiseres aan verweerder alle inlichtingen verstrekt die verweerder meent nodig te hebben voor de uitoefening van het toezicht; en

- verweerder bevoegd is de ontheffing te doen vervallen indien blijkt dat eiseres niet voldoet aan de vermelde voorschriften.

In de begeleidende brief bij de ontheffing van dezelfde datum is vermeld dat aan de ontheffing verder als voorwaarden zijn verbonden dat eiseres jaarlijks, uiterlijk op 30 april, haar jaarrekening van het voorafgaande kalenderjaar aan verweerder overlegt en dat zij de bijgesloten rapportagestaat per kwartaal invult en binnen een maand na de rapportagedatum bij verweerder indient.

2.1

Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres, ondanks herhaalde aanmaning daartoe, haar rapportageachterstand niet heeft ingehaald en haar rapportagegedrag niet heeft verbeterd.

3. Eiseres betoogt dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het rechtszekerheids-, het evenredigheids-, en het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.1

De Ltbk voorziet in Hoofdstuk II, paragraaf 3, bij de artikelen 9 en 10 in een regime voor intrekking van de vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling. De intrekking van een ontheffing is niet specifiek geregeld bij de Ltbk.

Nu eiseres, naar tussen partijen ook niet in geschil is, geen kredietinstelling in de zin van de Ltbk was, waren de artikelen 9 en 10 voor de intrekking niet van toepassing en kan eiseres dan ook niet staande houden dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met die bepalingen.

In de verlening van een ontheffing ligt reeds geïmpliceerd dat die onder omstandigheden kan worden ingetrokken. Bij de ontheffing is dat geëxpliciteerd met de vermelde frase dat verweerder bevoegd is de ontheffing te doen vervallen indien blijkt dat eiseres niet voldoet aan de daarin vermelde voorschriften.

3.2

Uit 2 volgt dat dat aan de ontheffing specifieke rapportageplichten waren verbonden (jaarrekeningen en kwartaalrapportages), waaraan eiseres op straffe van intrekking had te voldoen. Uit de stukken die verweerder heeft overgelegd, waarvan eiseres de waarachtigheid ook niet heeft bestreden, blijkt dat zij vrijwel vanaf de verlening van de ontheffing zich stelselmatig niet heeft gehouden aan de rapportageplichten. Daarmee is de bevoegdheid van verweerder tot intrekking van de ontheffing over te gaan, gegeven.

3.3

Wat er verder zij van de omstandigheid dat eiseres pas een dag voor de hoorzitting in bezwaar alsnog de jaarrekeningen over 2013, 2014 en 2015 en de op dat moment nog achterstallige rapportagestaten heeft ingeleverd, dit neemt niet weg dat eiseres de aan de ontheffing verbonden rapportageplichten stelselmatig had geschonden door die stukken niet tijdig in te dienen en op aanmaningen dat alsnog te doen niet adequaat heeft gereageerd. De ontijdige inlevering van die stukken in bezwaar noopte verweerder dan ook niet bij de heroverweging van de intrekking in bezwaar de stelselmatige nalatigheid van eiseres ten aanzien van haar rapportageplicht daaraan niet meer ten grondslag te leggen.

3.4

Anders dan eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder haar een- en andermaal gewaarschuwd dat haar voortdurende nalatigheid betreffende haar rapportageplichten tot intrekking van de ontheffing kon leiden. Niet alleen in de e‑mailcorrespondentie, maar meer in het bijzonder bij de brieven van 26 november 2015 en 10 juni 2016 heeft verweerder daar uitdrukkelijk gewag van gemaakt. Het Gerecht ziet niet in dat eiseres na de brief van 10 juni 2016, waarin met zoveel woorden voor de laatste keer een termijn wordt gesteld aan de indiening van de jaarrekeningen over 2013, 2014 en 2015, niet zou hebben moeten begrijpen dat bij het niet gevolg geven daaraan haar intrekking van de ontheffing boven het hoofd hing. Dat deze waarschuwingen niet in de vorm van artikel 10 van de Lbtk waren gegoten, doet aan hun betekenis niet af. Zoals reeds overwogen, is die bepaling hier niet van toepassing, maar materieel beschouwd heeft verweerder daarmee eiseres afdoende gewaarschuwd wat het gevolg kon zijn van haar nalatigheid. Zij kan dan ook niet staande houden dat zij door de intrekking overvallen is. Daarbij tekent het Gerecht nog aan dat artikel 10 van Ltbk er uitdrukkelijk in voorziet dat, indien niet aan de daarbij opgelegde voorschriften wordt voldaan, een aan een kredietinstelling verleende vergunning kan worden ingetrokken, waartoe dus niet is vereist dat eerst minder vergaande handhavingsinstrumenten als dwangsom en boeteoplegging worden toegepast. Reeds gelet daarop ziet het Gerecht geen aanleiding te oordelen dat dit bij intrekking van een ontheffing wél zou zijn vereist, zoals eiseres heeft bepleit.

3.5

Uit de door verweerder overgelegde stukken betreffende de contacten met eiseres over het niet voldoen aan haar rapportageplichten, in de vorm van e‑mailwisselingen, brieven en gespreksverslagen, waarvan de waarachtigheid dus niet in geschil is, valt af te leiden dat eiseres zich langdurig daaraan niets gelegen heeft laten liggen en kennelijk meende dat zij de gevolgen daarvan niet zou behoeven te dragen. Dat was een misrekening die voor haar risico komt. Gelet daarop kan zij niet staande houden dat verweerder in redelijkheid haar belang bij voortzetting van haar bedrijf zwaarder gewicht had moeten toekennen dan zijn belang bij het op efficiënte wijze toezicht kunnen houden. Dat verweerder ten aanzien van andere houders van ontheffingen een lankmoediger lijn heeft gevolgd, heeft eiseres ter zitting gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt. De goede procesorde verzet zich ertegen haar alsnog de gelegenheid te bieden daarvan bewijs te leveren. Niet gebleken is immers dat zij dit bewijs niet eerder in de procedure had kunnen overleggen, zodat verweerder daarop nog uiterlijk ter zitting inhoudelijk had kunnen reageren.

3.6

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de intrekking bij het bestreden besluit kon handhaven en daartoe niet heeft beslist in strijd met de vermelde rechtsbeginselen. Het betoog faalt. Hier kan dan verder buiten beschouwing blijven of de kwestie van de betrouwbaarheid van de directeur van eiseres alsnog bij het bestreden besluit aan de intrekking mede ten grondslag kon worden gelegd.

4. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan blijven.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken te Curaçao in het openbaar op 12 januari 2018, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.