Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:83

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
CUR201703225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Letsel - Kort geding - causaal verband - pre-existentie - eerdere ongevallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. R.J. Tromp,

--tegen--

1 de naamloze vennootschap

SEGUROS BROUWER,

2 De naamloze vennootschap

FATUM GENERAL INSURANCE N.V.,

beiden gevestigd in Curaçao,

gedaagden,

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.

Partijen zullen hierna [eiser], Fatum en Seguros Brouwer, althans gezamenlijk gedaagden, genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1. [

eiser] heeft op 19 december 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Gedaagden hebben in twee separate e-mails op 18 januari 2018 stukken ten behoeve van de mondelinge behandeling ingediend. Vervolgens heeft op 19 januari 2018 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 14 februari 2017 is [eiser] op zijn brommer in botsing gekomen met een bij Fatum verzekerd motorrijtuig. Fatum heeft in hoedanigheid van LAM-verzekeraar namens haar verzekerde aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.2. [

eiser] is op 14 en 15 februari 2016 opgenomen geweest in het ziekenhuis. Nadien heeft hij zich onder medische behandeling gesteld.

2.3.

De beschikbare medische informatie maakt melding van pijnklachten van de rechter thorax, de wervelkolom, de bekken, de nek en de schouder, alsook van klachten van de rechterknie en de enkel. Anders dan een kleine labrumscheur in de linkerheup, worden er geen objectieve afwijkende bevindingen vastgesteld. [eiser] wordt voor de behandeling van zijn klachten door de huisarts verwezen naar fysiotherapie. Voorts stelt hij zich ten aanzien van de schouder en heup klachten onder behandeling van orthopedische chirurg dr. G.A. Booij.

2.4.

Bij brief van 5 juli 2017 schrijft bedrijfsarts R.A. Kock, dat [eiser] sinds het ongeval arbeidsongeschikt is voor zijn werkzaamheden als baliemedewerker en als autowasser, gelet op zijn verminderde fysieke belastbaarheid met betrekking tot de rechterschouder/arm en rechterhand.

2.5. [

eiser] heeft tussen 6 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2017 in Colombia diverse medische onderzoeken ondergaan in verband met aanhoudende klachten. In Colombia wordt onder meer melding gemaakt van de nasleep van een sterno–claviculaire luxatie en een labrum ruptuur als gevolg van twee ongevallen met de motor. Intensieve behandeling met fysiotherapie wordt aanbevolen.

2.6.

Dr. Booi schrijft in een brief van 13 januari 2018 dat [eiser] nog steeds arbeidsongeschikt is wegens aanhoudende heupklachten.

2.7.

Voor het ongeval in februari 2017 is [eiser] ook betrokken geweest bij ongevallen in oktober 2013, maart 2014 en augustus 2014. Ten aanzien van de ongevallen in oktober 2013 en augustus 2014 heeft [eiser] zich onder medische behandeling gesteld. Na het ongeval in augustus 2014 werd [eiser] per 1 december 2014 weer arbeidsgeschikt geacht voor al zijn werkzaamheden. In 2016 is [eiser] nog wel fysiotherapeutisch behandeld in verband met bekkeninstabiliteit en blokkades van de borstwervelkolom.

2.8.

Fatum heeft voorafgaand aan het kort geding een voorschot van NAf 5.000,- onder algemene titel aan [eiser] betaald.

2.9.

Er heeft (nog) geen gezamenlijk (deskundigen) onderzoek plaatsgevonden naar het causaal verband, de ongeval gerelateerde klachten en beperkingen, de restverschijnselen, het belastbaarheidspatroon en de invloed daarvan op de verdiencapaciteit.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een bedrag van NAf 60.899,14 bij wijze van voorschot op de uiteindelijke schadevergoeding, alsmede tot betaling van een bedrag van NAf 5.328,75 per maand vanaf januari 2017 bij wijze van voorschot totdat [eiser] weer arbeidsgeschikt wordt geacht. Voorts vordert [eiser] veroordeling van gedaagden tot het binnen twee weken verstrekken van het rapport van haar medisch adviseur op straffe van een dwangsom, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten en nakosten van de gemachtigde.

3.2. [

eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen, waardoor hij thans nog volledig arbeidsongeschikt is. Daardoor leidt hij schade. Gedaagden zijn als aansprakelijke verzekeraar gehouden de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg het ongeval te vergoeden. [eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij het indienen van de vordering omdat hij financiële schade lijdt.

3.3.

Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang bij de vordering blijkt voldoende uit de stellingen van [eiser], namelijk dat hij thans in een situatie is komen te verkeren dat hij dringend in geldnood zit.

4.2.

Als onbetwist staat vast dat het verkeersongeval waarbij [eiser] is betrokken, is ontstaan door toedoen van een bij Fatum tegen aansprakelijkheid verzekerd voertuig. Derhalve is Fatum als aansprakelijke LAM-verzekeraar gehouden de schade die [eiser] dientengevolge lijdt, te vergoeden. Seguros Brouwer is geen risicodrager, maar de partij via wiens volmacht de LAM-verzekering bij Fatum was afgesloten. Om die reden wordt de vordering jegens Seguros Brouwer afgewezen.

4.3.

Fatum betwist dat de door [eiser] gestelde pijnklachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval in 2017 en stelt dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt van een causaal verband daartussen. Voorts betwist Fatum dat [eiser] door pijnklachten als gevolg van het ongeval in 2017, zo daar van sprake zou zijn, arbeidsongeschikt is geworden. Fatum motiveert haar betwisting - kort gezegd - met de stelling dat de klachten die [eiser] stelt te hebben enerzijds niet objectief zijn vast te stellen en anderzijds reeds voor het ongeval aanwezig waren als gevolg van de hem eerder overkomen ongevallen. Ter onderbouwing van haar verweer verwijst Fatum naar het rapport van haar medisch adviseur, drs. R. Duquesnoy, d.d. 28 november 2017. Voorts verwijst Fatum naar het bericht van de fysiotherapeut in 2016 dat [eiser] nog behandeld werd in verband met blokkades van de wervelkolom en bekkeninstabiliteit, hetgeen nog steeds beperkingen opleverde ten aanzien van functioneren. Tenslotte wordt verwezen naar de bevindingen van het onderzoek in Colombia waarbij wordt aangetekend dat de labrumscheur gerelateerd is aan twee ongevallen. Anderzijds betwist Fatum dat [eiser], zo hij ten tijde van het ongeval arbeidsgeschikt was, hij nadien zijn werkzaamheden daadwerkelijk heeft gestaakt.

4.4.

Uit de beschikbare medische informatie kan voorts worden afgeleid dat [eiser] na het ongeval in 2017 veel klachten heeft waarvoor geen medische verklaring kan worden gegeven, maar waarvoor hij wel medische hulp zoekt. Dat deze klachten niet of nauwelijks te objectiveren zijn leidt er niet toe dat het bestaan van deze klachten niet kan worden aangenomen en niet als ongevalsgevolg zijn aan te merken. Uitgangspunt is dat in een geval als het onderhavige een niet al niet al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten kunnen worden gesteld. Het vereiste oorzakelijke verband tussen het ongeval in de gezondheidsklachten kan ook gebaseerd worden op het bestaan van klachten die weliswaar naar hun aard subjectief zijn doch waarvan niettemin objectief kon worden vastgesteld dat zij aanwezig reëel niet ingebeeld niet voorgewend en niet overdreven zijn.

4.5.

Uit de medische documentatie kan worden afgeleid dat bij [eiser] ook sprake is van pre-existente heupklachten als gevolg van (een) eerder(e) ongeval(len), en mogelijk een pre-existente labrumscheur. Voor juridische causaliteit is het niet noodzakelijk dat klachten en beperkingen een direct gevolg zijn van het ongeval. Ook klachten en beperkingen die indirect een gevolg zijn van het ongeval en die eventueel mede samenhangen of mede worden veroorzaakt door pre-existente problematiek van het slachtoffer, zullen veelal aan de aansprakelijke partij kunnen worden toegerekend. Ruime toerekening wordt gerechtvaardigd door de aard van de geschonden norm en de aard van de schade. Echter ook die ruime toerekening kent grenzen. Zo is er in de rechtspraak van de Hoge Raad (8 februari 1986, NJ 1987, 136/137) reeds op gewezen dat de persoonlijke predispositie en de daaruit in het algemeen voortvloeiende risico’s voor het ontstaan van klachten wel een factor kunnen vormen waarmee rekening moet worden gehouden bij de begroting van de schade.

4.6.

Niet uitgesloten is dat de heupklachten mede zijn ingegeven door pre-existente klachten aan de heup en / of een reeds bestaande labrumscheur. Teneinde daarover duidelijkheid te krijgen dient deskundig medisch deskundig onderzoek plaats te vinden. Op voorhand valt op grond van de voorhanden (medische) informatie, waaronder het rapport van de medisch adviseur van Fatum zelf, zeker niet uit te sluiten dat het ongeval in 2017 een significante rol speelt bij de klachten van [eiser]. Het enkele gegeven dat [eiser] in 2016 nog beperkingen ondervond als gevolg van pre-existente heup-/bekkenklachten staat niet aan causaal verband tussen de huidige klachten en het ongeval 2017 in de weg.

4.7.

De invloed van de pre-existente klachten op de omvang van de schade laat zich echter nog moeilijk inschatten. Fatum is ter zake tegenstrijdig in haar stellingen. Enerzijds stelt Fatum dat [eiser] ten tijde van het ongeval in 2017 nog arbeidsongeschikt was als gevolg van klachten door de eerdere ongevallen. Anderzijds stelt Fatum dat [eiser] ook na het ongeval in 2017 nog volop aan het werk was en er dus in het geheel in geen verlies aan arbeidsvermogen is.

Ter zitting is gebleken dat de betwisting van Fatum van de uit de klachten voortvloeiende arbeidsongeschiktheid enkel is gebaseerd op een stelling van een toenmalige belangenbehartiger van [eiser]. Daartegenover heeft [eiser] een salarisbetaling betrekking hebbende op januari 2017 overgelegd, waaruit volgt dat sprake was van loonvormende arbeid. Daarnaast blijkt dat zowel de bedrijfsarts als dr. Booij concluderen tot arbeidsongeschiktheid van [eiser] als gevolg van het ongeval in 2017. Op basis hiervan is naar het voorlopige oordeel van het Gerecht voldoende gebleken dat [eiser] niet (volledig) arbeidsongeschikt was ten tijde van het ongeval in 2017. Dat strookt ook met de ernstige twijfels die Fatum ter zitting heeft geuit, namelijk of [eiser] na het ongeval ook daadwerkelijk zijn werkzaamheden heeft gestaakt en geen inkomen heeft gegenereerd. Door Fatum is daartoe opgemerkt dat de SVB heeft aangegeven dat er tijdens de door [eiser] gestelde periode van arbeidsongeschiktheid toch namens hem in verband met uitgevoerde werkzaamheden (op afroepbasis) sociale premies zijn afgedragen. [eiser] heeft deze onduidelijkheid ter zitting niet of onvoldoende kunnen wegnemen. Het dossier bevat voorts tegenstrijdigheden ten aanzien van de werkgevers van [eiser] ten tijde van het ongeval en zijn inkomen. Ook is gebleken dat [eiser] door een van zijn werkgevers in juni 2017 op staande voet is ontslagen, welk ontslag overigens door hem wordt aangevochten. Dat neemt niet weg dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij in ieder geval in juni 2017 nog werkzaamheden verrichte.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat naar het voorlopig oordeel van het Gerecht vooralsnog onvoldoende is gebleken dat er daadwerkelijk sprake is van aan het ongeval toe te rekening verlies arbeidsvermogen dat een voorschot rechtvaardigt zoals door [eiser] gevorderd. Voor zover [eiser] thans een voorschot toekomt is dat (vooralsnog) beperkt tot de medische kosten die ter vaststelling van de schade zijn gemaakt. [eiser] heeft in dat kader de medische kosten door hem gemaakt in Colombia opgevoerd. Die kosten zijn door Fatum betwist als zijnde niet noodzakelijk gemaakt omdat een SVB advies daartoe ontbreekt. Dat is naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende. Weliswaar ontbreekt een verwijsbrief van dr. Booij, hetgeen aan een advies van SVB ten grondslag zou liggen, maar de noodzaak voor de reis blijkt genoegzaam uit het dossier. Uit een schrijven van dr. Booij van 13 januari 2018 in antwoord op vragen van Fatum volgt dat [eiser] in verband met aanhoudende heupklachten uiteindelijk naar Colombia is gestuurd voor verdere behandeling, dat aldaar een labrumscheur is geconstateerd en hij bij terugkomst intensief fysiotherapeutisch is behandeld. Nu blijkt dat de fysiotherapie helemaal niet hielp is thans geadviseerd terug te keren naar Colombia voor een operatie. Dat strookt ook met het eerdere advies uit Colombia, waar ze aangaven eerst intensief fysiotherapeutisch te behandelen en na analyse te overwegen of een operatie noodzakelijk is. Een ander (gebruikelijk) behandeltraject is door Fatum overigens niet aangegeven. De medisch adviseur van fatum heeft zelf een opmerking gemaakt over een onevenredig lange behandelperiode fysiotherapie, gelet op het klachtenbeeld.

4.9.

Het voorgaande en rechtvaardigt de conclusie dat het Gerecht een voorschot op redelijke medische kosten gerechtvaardigd acht. Fatum heeft reeds een bedrag van NAf 5.000,- als voorschot betaald. Gelet op de totale gevorderde medische kosten en het verweer daarop, acht het Gerecht een nader voorschot op de medische kosten van NAf 5.000,- redelijk.

4.10.

Nu partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij zijn, haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

veroordeelt Fatum tot betaling aan [eiser], bij wijze van voorschot, tot een bedrag van NAf 5.000,-.

5.2.

wijst de vordering jegens Seguros Brouwer af;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn c.q. haar eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart dit vonnis jegens Fatum vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.