Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:66

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
CUR201700190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

CUR201700190 eenhoofdig gezag, hoofdverblijfplaats, geen omgangsregeling, afgifte paspoort, kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[VERZOEKER],

wonende te Curaçao,

verzoeker,

hierna te noemen: de man,

gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer (voorheen: mr. V.P. Maria),

--tegen--

[VERWEERSTER],

wonende te Curaçao,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. R.D.A. Cicilia.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop van het geding tot 29 augustus 2017 verwijst het Gerecht naar zijn (tussen)beschikking van die datum.

1.2

In die beschikking heeft het Gerecht de echtscheiding uitgesproken en onder meer bepaald dat de voorlopige bijdrage die de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], geboren op [geboortedatum] te Curaçao (hierna te noemen: de minderjarige) met ingang van 1 september 2017 NAf 100,- per maand bedraagt. De zaak is voor wat betreft de verzochte kinder- en partneralimentatie, het gezag en de omgangsregeling aangehouden.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    de akte d.d. 12 september 2017 van de zijde van de man;

  • -

    de akte d.d. 12 september 2017 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het rapport van de Voogdijraad, ingediend ter rolle van 7 november 2017;

  • -

    de verklaring d.d. 3 november 2017 van drs. S. Ebecilio, neuropsychologist, ingediend ter rolle van 7 november 2017;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling d.d. 1 december 2017, waarbij partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van de vrouw, overgelegd ter zitting van 1 december 2017;

  • -

    de akte overlegging financiële gegevens van de zijde van de man, overgelegd ter rolle van 19 december 2017;

  • -

    de brief d.d. 29 januari 2018 van de Voogdijraad;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van de vrouw, overgelegd ter zitting van 30 januari 2018;

  • -

    de brief d.d. 6 februari 2018 van de zijde van de man, met producties;

  • -

    de brief d.d. 7 februari 2018 van de zijde van de vrouw, met producties.

1.4

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft op 9 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens is een medewerker van de Voogdijraad aanwezig geweest. Op de zitting is bijstand verleend door een tolk Papiaments, die al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen, zo nodig heeft vertaald. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekening gehouden.

1.5

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling van de verzoeken

2.1

Het Gerecht blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 29 augustus 2017, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

Gezag, verblijfplaats en paspoort

2.2

De vrouw heeft verzocht om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige en de verblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen. De man heeft zich tegen deze verzoeken verzet. De Voogdijraad heeft blijkens het rapport d.d. 7 november 2017 geadviseerd om het gezamenlijk gezag niet in stand te laten. De Voogdijraad acht het in het belang van de minderjarige dat de vrouw alleen belast wordt met het ouderlijk gezag.

2.3

Ingevolge artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien hij wijziging van het gezag in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

2.4

Het Gerecht is van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier aannemelijk is geworden dat wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag in het belang van het kind wenselijk is. Voor een gezamenlijke uitoefening van het gezag is nodig dat partijen met elkaar kunnen communiceren over zaken die de minderjarige aangaan en dat zij in concrete gevallen gezamenlijk tot beslissingen dienaangaande kunnen komen. Gebleken is dat er tussen de ouders sprake is van een verstoorde verstandhouding en slechte communicatie. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van de minderjarige het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat de minderjarige niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Bij gezamenlijk gezag zal het in voorkomende gevallen nodig zijn dat de vrouw de man benadert om diens toestemming te krijgen. Gebleken is dat partijen het vertrouwen in elkaar hebben verloren en dat het de ouders niet lukt om in gezamenlijk overleg te komen tot het nemen van beslissingen van enig belang over de minderjarige. Gelet op de slechte verstandhouding verwacht het Gerecht niet dat partijen in de toekomst met elkaar zullen kunnen communiceren over aangelegenheden die betrekking hebben op de minderjarige. Onder deze omstandigheden acht het Gerecht het niet in het belang van de minderjarige het gezamenlijk gezag van de ouders te laten voortduren. Het Gerecht zal daarom het eenhoofdig gezag bij de vrouw bepalen.

2.5

Gelet op het bepaalde in artikel 1:12 lid 1 BW volgt de minderjarige de woonplaats van hem die het gezag uitoefent, in dit geval de woonplaats van de vrouw. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de verblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn, zal gelet op het vorenstaande wegens het ontbreken van belang worden afgewezen.

2.6

Ter terechtzitting heeft de vrouw gesteld dat de man het paspoort van de minderjarige in zijn bezit heeft en dat hij dat weigert aan de vrouw af te geven. De vrouw heeft een verzoek tot afgifte van het paspoort gedaan. De man heeft niet betwist dat hij het paspoort van de minderjarige onder zich heeft. Namens de man is ter terechtzitting gesteld dat de man het paspoort niet wil afgeven aan de vrouw, omdat hij vreest dat de vrouw de minderjarige mee naar het buitenland zal nemen en dat hij de minderjarige nooit meer zal zien.

Het Gerecht overweegt dat niet is gebleken dat die vrees thans reëel of gegrond is. Nu de vrouw zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige, behoort zij te beschikken over het paspoort van de minderjarige. Het verzoek van de vrouw tot afgifte van het paspoort zal dan ook worden toegewezen.

Omgangsregeling

2.7

De man heeft verzocht om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij wil dat de minderjarige enkel onder begeleiding contact met de man zal hebben.

2.8

Uit het rapport van de Voogdijraad is te concluderen dat er sterke vermoedens zijn van seksueel misbruik van de minderjarige door de man. De minderjarige heeft te kennen gegeven dat zij zich niet veilig voelt bij de man. De Voogdijraad heeft daarom geadviseerd om het contact tussen de man en de minderjarige op grond hiervan te staken.

2.9

Niet in geschil is dat de man recht heeft op omgang met de minderjarige, maar wel de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven. Gelet op de gerezen vermoedens van seksueel misbruik van de minderjarige door de man acht het Gerecht het thans niet in het belang van de minderjarige om omgang te hebben met de man. Mogelijk kan in overleg met de psycholoog vorm worden gegeven aan een begeleide omgangsregeling, zoals in het rapport van de Voogdijraad wordt gesuggereerd, en kan de Voogdijraad een rol spelen bij de verdere invulling aan het recht van omgang. Het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen zal gelet op het vorenstaande worden afgewezen.

Kinderalimentatie

2.10

Ouders zijn op grond van de wet verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind (artikel 1:392 lid 1 BW) en in de kosten van het levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt (artikel 1:395a lid 1 BW). Op grond van artikel 1:395a lid 3 BW zijn de ouders verplicht, indien aannemelijk is dat een studie die het kind volgt niet voor het bereiken van de leeftijd van 21 jaren kan zijn voltooid, te voorzien in de kosten van het levensonderhoud en studie totdat die studie redelijkerwijs kan zijn voltooid, maar uiterlijk totdat het kind de leeftijd van 25 jaren heeft bereikt.

2.11

Artikel 1:395b lid 1 BW bepaalt voorts dat als de rechter een bedrag heeft bepaald dat een ouder dient te betalen als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van een minderjarig kind en deze verplichting van kracht is geweest tot aan het meerderjarig worden van het kind, deze rechterlijke beslissing met ingang van het meerderjarig worden geldt als een beschikking tot bepaling van een bedrag terzake levensonderhoud en studie voor het jongmeerderjarige kind als bedoeld in artikel 1:395a BW.

2.12

Uitgangspunt bij de beoordeling van onderhoudsbijdragen als de onderhavige is dat de man en de vrouw naar verhouding van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind.

2.13

De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud van de minderjarige een bedrag van NAf 495,- per maand aan de vrouw dient te betalen. De man heeft verweer gevoerd en - kort gezegd - gesteld dat hij geen draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen. De man verzoekt de verzochte onderhoudsbijdrage af te wijzen en een bijdrage van NAf 100,- per maand vast te stellen.

Behoefte

2.14

Het Gerecht gaat uit van een behoefte van NAf 495,- per maand, nu de man de door de vrouw gestelde behoefte van de minderjarige niet betwist.

Draagkracht

2.15

Bij het bepalen van het aandeel van de man/vrouw in de behoefte van de minderjarige dient hun draagkracht te worden betrokken.

2.16

Ter terechtzitting d.d. 1 december 2017 heeft de vrouw aangevoerd dat zij een baan heeft. Blijkens het verweerschrift bedraagt het inkomen van de vrouw NAf 500,- per maand. De vrouw heeft niet gesteld hoeveel uren zij werkt. Het Gerecht gaat ervan uit dat de vrouw gedurende de periode dat de minderjarige naar school gaat, kan werken en dat de vrouw in staat is om circa 20 uur per week arbeid te verrichten. Rekening houdend met het minimum uurloon in 2018 van circa NAf 9,- houdt het Gerecht rekening met een (fictief) salaris van Naf 720,- per 4 weken.

2.17

Uit de in 2008 gepubliceerde resultaten van het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de berekening van de armoedegrens voor Curaçao, blijkt dat het bestaansminimum (inclusief woonlasten) voor een alleenstaande, geïndexeerd naar het jaar 2017, NAf 1.229,- bedraagt. Uit het vorenstaande volgt dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage te kunnen leveren.

2.18

De man ontvangt maandelijks een pensioen van circa NAf 325,- per maand. Daarnaast heeft de man gesteld dat hij inkomsten uit ‘jobs’ heeft en dat hij financiële steun van familie en vrienden ontvangt. Volgens de man bedraagt zijn maandelijkse netto inkomen circa NAf 800,-.

2.19

De vrouw heeft gesteld dat de man tevens huurinkomsten ontvangt van een pand in Santo Domingo, waarin meerdere appartementen zijn gevestigd die worden verhuurd. De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 9 februari 2018 gesteld dat het betreffende pand toebehoorde aan zijn stiefmoeder die is overleden en dat hij een van de vier erfgenamen van de nalatenschap van zijn stiefmoeder is. Het Gerecht zal bij de berekening van de draagkracht van de man tevens rekening houden met een deel van deze huurinkomsten, nu de man voor ¼ gerechtigd is tot het betreffende pand.

2.20

De man heeft echter geen inzage gegeven in zijn volledige (huur)inkomsten. Het Gerecht zal aan het niet overleggen van deze gegevens de gevolgen verbinden die het gerade voorkomt.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft de man - hoewel hij daartoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld - onvoldoende inzicht verschaft in zijn financiële situatie. Het had op de weg van de man gelegen om deze inkomsten inzichtelijk te maken.

2.21

Nu de man zijn stellingen met betrekking tot zijn financiële draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd, is het Gerecht van oordeel dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met hogere inkomsten dan het door de man aangevoerde maandelijkse netto inkomen van NAf 800,-. Het Gerecht zal de man dusdanige verdiencapaciteit toekennen dat hij in staat wordt geacht de door de vrouw verzochte kinderalimentatie te voldoen. In het licht van de hoge prioriteit van kinderalimentatie dient de omstandigheid dat de man zijn gestelde gebrek aan draagkracht niet onderbouwt voor zijn risico te komen en niet ten nadele van de minderjarige te strekken. Dat de man bij betaling van kinderalimentatie feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien en dat zijn inkomen beneden het bestaansminimum van de op hem toepasselijke norm ligt, is niet aannemelijk geworden.

2.22

Het voorgaande brengt met zich dat de door de man te betalen kinderalimentatie zal worden bepaald op het maandelijkse bedrag van NAf 495,-.

Gelet op de mogelijke financiële gevolgen van het met terugwerkende kracht vaststellen van onderhoudsverplichtingen, zal het Gerecht als ingangsdatum de datum van de beschikking hanteren.

2.23

Deze betalingsverplichting van de man loopt gelet op de wettelijke bepalingen door tot de 21-jarige leeftijd van het kind, en indien het kind dan nog een opleiding of studie volgt tot de 25-jarige leeftijd van het kind.

Partneralimentatie

2.24

Het Gerecht stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

2.25

De vrouw stelt dat zij niet in haar eigen behoefte kan voorzien. De man heeft gemotiveerd betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage.

2.26

Wat er ook zij van de hoogte van de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw, het Gerecht is van oordeel dat gezien de huidige financiële situatie van de man het aannemelijk is dat na aftrek van de bijdrage die de man op basis van het vorenstaande moet leveren in de kosten van de minderjarige, hij geen financiële ruimte over houdt voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

2.27

Het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in haar levensonderhoud zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

2.28

De familierechtelijke verhouding tussen partijen is aanleiding om de proceskosten te compenseren.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het ouderlijk gezag over de minderjarige zal uitoefenen;

3.2.

veroordeelt de man tot afgifte van het paspoort van de minderjarige aan de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], geboren op 6 juni 2013 te Curaçao, zal betalen een bedrag van NAf 495,- (vierhonderdvijfennegentig gulden) per maand, voor wat betreft de hierna te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling vóór de eerste dag van de maand waar de termijn betrekking op heeft, via de Voogdijraad te voldoen;

3.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

compenseert de kosten van het geding, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

3.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, rechter in het Gerecht voormeld, en op 20 april 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

AdW