Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:65

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201500361
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het aangifteformulier vormt geen verplicht onderdeel van de aangifte. Omdat te laat is betaald is sprake van een betalingsverzuim, waarvoor een boete op zijn plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 april 2018

BBZ nr. CUR201500361

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] N.V., gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 25 juni 2013 over het jaar 2011 een naheffingsaanslag

winstbelasting opgelegd alsmede een verzuimboete.

1.2

Belanghebbende is op 14 augustus 2013 tegen de naheffingsaanslag en de

boetebeschikking in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 30 april 2015 uitspraken op bezwaar gedaan en de

naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 26 juni 2015 in beroep gekomen tegen de

uitspraken op bezwaar.

1.5

De Inspecteur heeft met dagtekening 27 juni 2017 de naheffingsaanslag en boete ambtshalve verminderd.

1.6

De Inspecteur heeft op 7 september 2017 een verweerschrift ingediend.

1.7

Partijen zijn opgeroepen tot het bijwonen van een zitting. In dat verband is op 12 september 2017 te Willemstad namens belanghebbende verschenen [ A ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ B ].

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een N.V. De directeur is [A].

2.3

Aan belanghebbende is een aangiftebiljet en aangifteformulier winstbelasting 2011 uitgereikt. In het aangiftebiljet moeten vele gegevens over de vennootschap, de aandeelhouders, de investeringen, de winst etc. ingevuld worden. Zie ook 4.3.. Het aangifteformulier is een recapitulatiestaat waarin slechts de belastbare winst, de verschuldigde winstbelasting, de reeds eerder op voorlopige aangifte aangegeven belasting en het uiteindelijk aan te geven bedrag moeten worden vermeld. Op 28 juni 2012 heeft belanghebbende een verzoek tot uitstel voor het indienen van de aangifte ingediend. De Inspecteur heeft het verzoek op 5 juli 2012 toegewezen en uitstel verleend tot 1 januari 2013.

2.4

Belanghebbende heeft op 28 december 2012 haar definitieve aangiftebiljet ingediend met een belastbare winst van Naf. 411 en een verschuldigd bedrag aan winstbelasting van Naf. 142. Belanghebbende heeft haar definitieve aangifteformulier niet ingediend.

2.5

De Inspecteur heeft op 25 juni 2013 een naheffingsaanslag winstbelasting 2011 opgelegd van Naf. 6.000 en bij beschikking een verzuimboete vastgesteld van Naf. 300. Ter toelichting is op het aanslagbiljet, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Deze aanslag wordt opgelegd omdat u niet of niet tijdig uw definitieve aangifteformulier en/of -biljet heeft ingediend. De boete is een verzuimboete en opgelegd conform de bepalingen in de Algemene landsverordening Landsbelastingen en het hierop gebaseerde boetebeleid. De Boete bedraagt Naf 250 bij een eerste verzuim, Naf 500 bij een tweede verzuim (…) Voor zover m.b.t. uw aangifte tezelfdertijd sprake is van zowel een aangifte- als een betalingsverzuim wordt de boete als volgt toegepast. Bij een eerste verzuim een boete van 5% van het naheffingsbedrag met een minimum van Naf 250 (…)”

2.6

Belanghebbende heeft het volgens het aangiftebiljet verschuldigde bedrag aan winstbelasting van Naf. 142 op 26 mei 2015 betaald.

2.7

Na indiening van het bezwaar heeft de Inspecteur op 26 juni 2015 uitspraken gedaan op bezwaar en de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

2.8

Belanghebbende is op 26 juni 2015 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar.

2.9

De Inspecteur heeft met dagtekening 27 juni 2016 de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot Naf. 142 en de boete nader vastgesteld op Naf. 250.

3 GESCHIL EN STANDPUNT PARTIJEN

Tussen partijen is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd. Belanghebbende meent van niet. Volgens haar is de boete opgelegd voor het niet (tijdig) doen van aangifte en dat is onterecht nu de aangifte wel op tijd is ingediend. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het aangifte formulier onderdeel vormt van de aangifte en niet op tijd is ingediend. Bovendien is de verschuldigde winstbelasting niet tijdig voldaan. Omdat sprake is van een eerste verzuim bedraagt de boete volgens de Inspecteur Naf. 250. Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslag op juiste wijze ambtshalve is verminderd tot Naf. 142.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

4.1

De ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslag en de boete hebben plaatsgevonden nadat het beroep is ingediend. Dat betekent dat om die reden het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag en de boete reeds gegrond is.

4.2

Ingevolge artikel 6, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) kan de Inspecteur een ieder die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is, uitnodigen tot het doen van aangifte. In artikel 6, lid 5 ALL (tekst tot 1-1-2016) is bepaald dat bij ministeriële beschikking met algemene werking het model van de aangiftebiljetten wordt vastgesteld.

4.3

De Minister van Financiën heeft ter uitvoering van artikel 6, lid 5 ALL bij beschikking van 8 juli 2003 het model van het aangiftebiljet voor de winstbelasting voor het boekjaar 2002 vastgesteld (PB 2003-80). Het model (hierna: het aangiftebiljet) is voor latere jaren ongewijzigd gebleven. Het bevat een groot aantal vragen die door de belastingplichtige beantwoord moeten worden. Daarnaast dient de belastingplichtige de fiscale winst te berekenen op basis van vermogensvergelijking en dient zij bepaalde bescheiden bij te voegen, zoals een balans en verlies- en winstrekening. Zie ook 2.3.

4.4

Aan belanghebbende is een aangiftebiljet winstbelasting 2011, zoals beschreven in 4.3, uitgereikt. Belanghebbende heeft dit biljet, met de benodigde bescheiden op 28 december 2012, dus tijdig, ingediend. Volgens belanghebbende heeft zij hiermee aan haar aangifteverplichting voldaan. De Inspecteur betoogt dat het tegelijkertijd uitgereikte aangifteformulier onderdeel vormt van de aangifte en dat dit formulier niet is ingeleverd, zodat geen aangifte is gedaan in de zin van de wet. Het Gerecht verwerpt dit betoog. Noch uit de wet, noch uit de ministeriële beschikking van 8 juli 2003 kan afgeleid worden dat het aangifteformulier een verplicht onderdeel van de aangifte vormt. In het model aangiftebiljet is vermeld dat een aantal bijlagen moet worden meegestuurd. Het aangifteformulier wordt daarbij niet genoemd. Belanghebbende heeft aldus door tijdige indiening van het aangiftebiljet tijdig aangifte gedaan.

4.5

Ingevolge artikel 15, lid 4 en 6 ALL moet de belastingplichtige het volgens de aangifte verschuldigde bedrag tegelijkertijd met de aangifte voldoen. De aangifte is ingediend op 28 december 2012, dus betaling had ook op die datum moeten plaatsvinden. In werkelijkheid heeft belanghebbende pas op 26 mei 2015, dus te laat, betaald. De Inspecteur heeft, anders dan belanghebbende, het standpunt ingenomen dat de verzuimboete niet alleen ziet op het niet (tijdig) doen van de aangifte maar tevens op het niet tijdig betalen van de op aangifte verschuldigde belasting. Het Gerecht acht dit standpunt juist.

4.6

In de toelichting bij de boetebeschikking is opgemerkt dat de verzuimboete is opgelegd vanwege het niet tijdig doen van aangifte, dan wel vanwege het niet tijdig doen van aangifte en het tezelfdertijd niet tijdig betalen. In het onderhavige geval is geen sprake van het niet tijdig doen van aangifte. De grond waarop de oplegging van de verzuimboete berust is derhalve het niet tijdig betalen van de winstbelasting. Dit kan ook worden afgeleid uit de hoogte van de oorspronkelijk opgelegde boete van 15% van het bedrag van de naheffingsaanslag, hetgeen overeenstemt met de boete die ingevolge artikel 4.6, lid 2, Ministeriële regeling formeel belastingrecht wordt opgelegd voor het niet tijdig betalen van de winstbelasting. Dat in de toelichting bij de boetebeschikking ten onrechte is vermeld dat de verzuimboete is opgelegd vanwege het niet tijdig doen van aangifte en het ‘tezelfdertijd’ niet tijdig betalen, is voor het Gerecht geen reden voor vernietiging van de verzuimboete. Belanghebbende is door de onjuiste, en niet in overeenstemming met de wet zijnde, toelichting niet in zijn belangen geschaad. De verzuimboete is opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 19, lid 1 ALL in samenhang met artikel 4.6, lid 2, Ministeriële regeling formeel belastingrecht, en nadien nog verminderd. Het Gerecht acht de tot Naf. 250 verminderde boete passend en geboden.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

Niet gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet hierop bestaat geen recht op een proceskostenvergoeding.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar; en

  • -

    handhaaft de aanslag winstbelasting en de boete zoals die zijn komen te luiden na ambtshalve vermindering op 27 juni 2016.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. dr. A.J.H. van Suilen en mr. J. Sap, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2018, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

De griffier is buiten staat om de

uitspraak te ondertekenen

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).