Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:56

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201700117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 20 LvIB worden bij gehuwde belastingplichtigen voornoemde kosten in aanmerking genomen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijk inkomen. Zowel belanghebbende als de echtgenoot is woonachtig in Curaçao en is aldaar op grond van de LvIB belast naar het wereldinkomen. In het onderhavige geval geniet de echtgenoot inkomen uit Nederland, dat op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk ter heffing is toegewezen aan Nederland. Daardoor heeft de echtgenoot een hoger persoonlijk inkomen dan belanghebbende, zodat bij hem de kosten welke verband houden met de eigen woning in aftrek komen. Daaraan doet niet af dat de aftrek van deze kosten bij de echtgenoot tot een geringer fiscaal voordeel zal leiden dan aftrek bij belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 april 2018

BBZ nr. CUR201700117

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012, met dagtekening 26 februari 2016, een definitieve aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd.

1.2

Belanghebbende heeft op 4 mei 2016 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.3

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 december 2016 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.4

Belanghebbende heeft bij brief van 9 februari 2017, ingekomen op 10 februari 2017, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Naf. 50.

1.5

De Inspecteur heeft op 4 april 2018 een verweerschrift ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [ A ] van [ Y ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ B ].

1.7

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is vanaf 2008 woonachtig in Curaçao. Zij drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [ DP]. Belanghebbende heeft in 2012 een opbrengst uit deze onderneming genoten van Naf. 33.290.

2.2

Belanghebbende is gehuwd. Haar echtgenoot is samen met belanghebbende woonachtig op Curaçao. Hij heeft in 2012 loon uit Nederland genoten ([MvD]) ten bedrage van € 51.797, ofwel Naf. 118.594.

2.3

Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 aangifte inkomstenbelasting gedaan naar een belastbaar inkomen van Naf. -/- 942. Dit inkomen is als volgt samengesteld:

Opbrengst uit onderneming Naf. 33.290

Rente en kosten eigen woning Naf.-/- 34.232

Belastbare inkomen Naf.-/- 942

2.4

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de aftrek van de rente en kosten van de eigen woning gecorrigeerd. De aanslag is dus opgelegd naar een belastbaar inkomen van Naf. 33.290.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht de aftrek heeft gecorrigeerd. In het bijzonder is in geschil of belanghebbende de rente en kosten ter zake van de eigen woning als persoonlijke lasten in aftrek kan brengen, ondanks dat haar echtgenoot het hoogste persoonlijk inkomen heeft. Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2

Belanghebbende concludeert tot een belastbaar inkomen van Naf. -/- 942. De Inspecteur concludeert tot een belastbaar inkomen van Naf. 33.290.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 29, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

4.2

Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend op 26 februari 2016. Het bezwaarschrift is op 4 mei 2016 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend. Belanghebbende heeft in dat verband ter zitting verklaard dat zij van de Inspecteur wel de correctiebrief van 26 februari 2016 heeft ontvangen, dat zij op 4 mei 2016 op deze brief heeft gereageerd door toezending van een brief van de CHB-Bank over de hypotheekrente, maar dat zij nimmer het aanslagbiljet heeft ontvangen. Het Gerecht heeft geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Het Gerecht acht de overschrijding dan ook verschoonbaar, zodat het bezwaar ontvankelijk is.

Aftrek kosten eigen woning

4.3

Op grond van artikel 16, lid 1, letter h, Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LvIB) zijn de kosten welke verband houden met de eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat, aftrekbaar als persoonlijke lasten.

4.4

Ingevolge artikel 20 LvIB worden bij gehuwde belastingplichtigen voornoemde kosten in aanmerking genomen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijk inkomen.

4.5

Zowel belanghebbende als de echtgenoot is woonachtig in Curaçao en is aldaar op grond van de LvIB belast naar het wereldinkomen. In het onderhavige geval geniet de echtgenoot inkomen uit Nederland, dat op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk ter heffing is toegewezen aan Nederland. Dit neemt evenwel niet weg dat dit inkomen in de heffingsgrondslag voor de LvIB is begrepen en dus tot het persoonlijk inkomen van de echtgenoot in de zin van artikel 20 LvIB behoort. Daardoor heeft de echtgenoot een hoger persoonlijk inkomen dan belanghebbende, zodat bij hem de kosten welke verband houden met de eigen woning in aftrek komen. Daaraan doet niet af dat de aftrek van deze kosten bij de echtgenoot tot een geringer fiscaal voordeel zal leiden dan aftrek bij belanghebbende. Het is niet aan het Gerecht om ten aanzien van belanghebbende de regeling van artikel 20 LvIB buiten toepassing te laten. Zeker niet nu het systeem van deze regeling niet van elke redelijke grond is ontbloot.

4.6

Op grond van hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, dient het beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar van de Inspecteur moet worden vernietigd, nu het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

4.7

Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Gerecht op dat de uitspraak van de Inspecteur om procedurele redenen wordt vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel moet de Inspecteur het griffierecht vergoeden dat door belanghebbende in beroep is betaald.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- verklaart het bezwaar tegen de aanslag ongegrond; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Naf. 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2018, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (artikel 17a, lid 1, Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, lid 3. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (artikel 17b, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken).