Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:49

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
CUR201601586 (voorheen AR 79030/2016)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

borgtocht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

GIROBANK N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. A. Huizing,

tegen

de naamloze vennootschap

CURAÇAO REAL ESTATE DEVELOPMENT N.V.,

gevestigd in Curaçao,

[VERWEERDER SUB 2],

wonende in Curaçao,

verweerders,

gemachtigde: mr. A.C. Small.

Partijen zullen hierna de bank, CRED c.s., CRED en [verweerder sub 2] genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 december 2017 en de daarin genoemde processtukken;

- de producties van CRED c.s.;

- de behandeling ter comparitie van 14 februari 2018.

1.2.

Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Met de onderhavige procedure beoogt de bank te komen tot incasso van haar vordering op de geliquideerde vennootschap Intermosaicos N.V. (hierna: Intertiles) door middel van uitwinning van de borgtochten die CRED c.s. ter zake van de schulden van Intertiles zijn aangegaan. Het bestaan van de borgtochten noch de hoogte van de vordering op Intertiles staat ter discussie.

2.2.

CRED c.s. hebben zich bij wijze van verweer beroepen op misbruik van bevoegdheid door de bank. Het gerecht verwerpt dit betoog en overweegt daartoe het volgende.

2.3.

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken leidt het gerecht het volgende af. De bank heeft (of had) niet alleen met Intertiles, CRED en [verweerder sub 2] een rechtsverhouding, maar ook met de eveneens aan [verweerder sub 2] gelieerde vennootschap Venta Trading N.V. (hierna: Venta). Binnen CRED is het appartementencomplex The Strand ontwikkeld, waarvan thans nog twee appartementen niet verkocht zijn. Binnen Venta is het project Kas Alta ontwikkeld, dat bestaat uit 52 woningen. Ten behoeve van beide projecten heeft [verweerder sub 2] namens CRED respectievelijk Venta financieringsovereenkomsten met de bank gesloten. De bank heeft zowel op CRED als op Venta nog een vordering uit hoofde van deze financieringen. CRED heeft aan de bank het recht van hypotheek gegeven ten aanzien van de appartementen van The Strand voor de vordering van de bank op Venta.

2.4.

CRED c.s. menen onder andere dat de bank misbruik van bevoegdheid maakt door de vordering op Intertiles niet als separatist, met gebruikmaking van haar recht van hypotheek, te incasseren. Dit betoog faalt, nu uit het hiervoor overwogene volgt dat de bank de positie van hypotheekhouder heeft ten aanzien van hetgeen zij van Venta heeft te vorderen. Nu het recht van hypotheek gevestigd is op de appartementen van The Strand ten behoeve van de vordering op Venta, zijn CRED c.s. niet gebaat bij verkoop van de appartementen door de bank als hypotheekhouder. De opbrengst strekt dan immers in mindering op de vordering op Venta, en niet op die op Intertiles waarvoor CRED c.s. zich borg hebben gesteld. Van misbruik van bevoegdheid door de bank door het aanspreken van CRED c.s. in hun hoedanigheid van borg kan in deze omstandigheden niet worden gesproken.

2.5.

Verder menen CRED c.s., zo begrijpt het gerecht, dat de bank misbruik van bevoegdheid maakt door de mogelijk te realiseren verkoopopbrengst van de twee resterende appartementen in The Strand aan te wenden voor de aflossing van de schuld van Venta en niet voor de schuld van Intertiles, dit terwijl de borgstelling ten behoeve van de schuld van Intertiles eerder is aangegaan dan de hypotheekverstrekking ten behoeve van de schuld van Venta. Het gerecht volgt CRED c.s. niet in dit betoog. Een schuldeiser is in beginsel vrij in het benutten van mogelijkheden om te komen tot incasso van zijn vordering. Waar sprake is van verschillende vorderingen op verschillende vennootschappen, kan in het algemeen niet worden gezegd dat de schuldeiser de zekerheden in de ene rechtsverhouding eerst moet benutten alvorens een beroep te doen op borgstellingen in de andere rechtsverhouding. Het enkele feit dat de borgstelling in de ene rechtsverhouding eerder tot stand is gekomen dan het hypotheekrecht in de andere rechtsverhouding, maakt dit niet anders. Dit zou misschien anders zijn als aangenomen zou moeten worden dat de verwachte opbrengst van het uitwinnen van het hypotheekrecht zo hoog zal zijn dat daarmee ook de vordering op Intertiles voldaan zal kunnen worden. Dat is echter gesteld noch gebleken.

2.6.

Over een en ander zou mogelijk anders geoordeeld moeten worden indien tussen partijen een allesomvattende regeling tot stand zou zijn gekomen, die tot gevolg heeft dat het de bank niet vrij staat nog op de borgstellingen een beroep te doen. CRED c.s. menen dat een dergelijke regeling tot stand is gekomen. In dat verband verwijzen zij naar een mail van de manager credit & loans bij de bank, mevrouw [naam], van 17 november 2016. In die mail reageert [naam] bevestigend (“Si esey ta klop”) op een mail van [verweerder sub 2], waarin hij onder andere schrijft: “Ku e benta [van een van de appartementen van The Strand; toevoeging gerecht] ta settle, e balance di CRED i Inter”. Uit deze mailwisseling kan naar het oordeel van het gerecht echter niet worden afgeleid dat tussen partijen een definitieve regeling tot stand is gekomen. Ter zitting hebben CRED c.s. verklaard dat [naam] steeds binnen de bank ruggenspraak moest houden en dan al dan niet weer bij [verweerder sub 2] terugkwam om het overleg voort te zetten. Bij deze gang van zaken kan uit de weergegeven mailwisseling in redelijkheid niet worden afgeleid dat de bank zich definitief heeft willen verbinden aan een bepaalde regeling. Van het tot stand komen van een dergelijke regeling is dus niet gebleken.

2.7.

CRED c.s. hebben in hun processtukken nog betoogd dat de bank ten onrechte ook [verweerder sub 2] aanspreekt en niet heeft volstaan met een vordering tegen CRED, hoewel een vordering op CRED zou volstaan om de vordering op Intertiles voldaan te krijgen. Het gerecht verwerpt ook dit betoog. Vast staat dat de resterende twee appartementen uit The Strand nog de enige twee assets van CRED zijn. Vast staat ook dat de bank op zowel CRED als Venta een vordering heeft, terwijl de bank ter zekerheid van de vordering op Venta beschikt over het hypotheekrecht op de twee appartementen. Nu niet zonder meer kan worden aangenomen dat de verkoopopbrengst van de hypotheken voldoende zal zijn om zowel de vorderingen op Venta en CRED als die op Intertiles volledig te voldoen, ligt in de rede dat de bank ook verhaal zal moeten halen op [verweerder sub 2] als borg voor de vordering op Intertiles. De bank heeft dus niet zonder grond ook [verweerder sub 2] in rechte betrokken.

2.8.

CRED c.s. hebben aangevoerd dat de bank zich sinds de toepasselijkheid van de noodregeling onredelijk hard jegens hen opstelt. Ook hebben CRED c.s. betoogd dat de bank onzakelijke beslissingen neemt in het nadeel van CRED c.s. die mogelijk verband houden met persoonlijke belangen van de voormalige directeur en president-commissaris van de bank. Deze stellingen werpen geen ander licht op de zaak. Het staat de bank vrij om te proberen haar belangen bij de financiering van Intertiles, CRED en Venta zoveel mogelijk veilig te stellen. Dat zij daarin onder het huidige regime strikter opereert dan voorheen, wat van die stelling overigens ook zij, brengt niet mee dat zij in redelijkheid geen gebruik zou mogen maken van haar vorderingsrechten onder de borgstellingen. De overige stellingen zijn niet onderbouwd en te speculatief om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

2.9.

Mede gelet op de al in het tussenvonnis genomen beslissingen, is de vordering al met al toewijsbaar tot een bedrag van NAf 350.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2012. CRED c.s. zullen hoofdelijk tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.

2.10.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen, zullen CRED c.s. worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de beslagkosten. Deze worden begroot op NAf 4.100 aan griffierecht, NAf 4.290,82 aan explootkosten en NAf 12.000 aan salaris.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

veroordeelt CRED c.s. hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan de bank van NAf 350.000, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2012 tot aan de dag van gehele voldoening;

3.2.

veroordeelt CRED c.s. hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten van de bank, begroot op NAf 20.390,82;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2018.