Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:48

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201600245, CUR201600769 t/m CUR201600771
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak wordt geacht mede betrekking te hebben op de nadien gedane uitspraak. Het staat de wetgever vrij om naar eigen inzicht wetten uit te vaardigen. Wetten kunnen in zijn algemeenheid niet getoetst worden aan de Staatsregeling van Curaçao. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding voor in de beroepsfase gemaakte kosten van juridische bijstand ook al heeft ze zelf het beroepschrift geschreven. Ook heeft ze recht op een verletkostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 maart 2018

BBZ nrs. CUR201600245, CUR201600769 t/m CUR201600771

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], woonachtig in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 22 augustus 2014 een voorlopige

aanslag premie basisverzekering ziektekosten (hierna: BVZ) opgelegd over het jaar 2014. Belanghebbende heeft op 23 september 2014 bezwaar aangetekend tegen deze aanslag. Vervolgens is zij op 26 oktober 2016 in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op dit bezwaar.

1.2

Aan belanghebbende is met dagtekening 12 juni 2015 een aanslag premie BVZ opgelegd over het jaar 2013. Belanghebbende heeft op 10 augustus 2015 bezwaar aangetekend tegen deze aanslag. Vervolgens is zij op 19 mei 2016 in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op dit bezwaar. De Inspecteur heeft op 8 juli 2016 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de aanslag is verminderd. Daartegen is belanghebbende op 26 oktober 2016 in beroep gekomen.

1.3

Aan belanghebbende is met dagtekening 23 december 2015 een aanslag premies

AOV/AWW opgelegd over het jaar 2014. Belanghebbende heeft op 22 februari 2016 bezwaar aangetekend tegen deze aanslag. De Inspecteur heeft op 2 september 2016 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij de aanslag is gehandhaafd. Belanghebbende is vervolgens op 26 oktober 2016 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar.

1.4

Ter zake van de indiening van het beroep heeft belanghebbende een bedrag van

Naf. 50,- aan griffierecht voldaan.

1.5

De Inspecteur heeft op 14 juni 2017 verweerschriften ingediend.

1.6

De zaken zijn behandeld ter zitting van 29 juni 2017, waarbij belanghebbende in persoon is verschenen en namens de Inspecteur is verschenen [ A ].

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende drijft in 2014 een massagesalon in de vorm van een eenmanszaak ([ S ]).

2.3

Op 12 juni 2015 is aan belanghebbende over het jaar 2013 een aanslag premie BVZ naar een premie- inkomen van Naf. 28.218 met een te betalen premiebedrag van Naf. 3.103 opgelegd. In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende gesteld dat zij tot 9 april 2013 voor de ziektekosten particulier verzekerd was bij de [ EC Schade N.V.] en dat de Inspecteur daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. In de uitspraak op bezwaar is de Inspecteur belanghebbende op dit punt tegemoet gekomen door er van uit te gaan dat belanghebbende in 2013 niet het gehele jaar, maar voor in totaal 262 dagen premieplichtig was voor de BVZ. De Inspecteur heeft de aanslag premie BVZ in de uitspraak tijdsevenredig verminderd resulterende in een terug te ontvangen bedrag aan premie van Naf. 639.

2.4

Op 22 augustus 2014 is een voorlopige aanslag BVZ opgelegd over het jaar 2014 naar een premie- inkomen van Naf. 29.269 met een te betalen premiebedrag van Naf. 3.512. Op 23 december 2015 is een definitieve aanslag premie BVZ over het jaar 2014 opgelegd naar een premie- inkomen van Naf. 63.798 met een te betalen premiebedrag van Naf. 4.249. Voorts is op 23 december 2015 over 2014 een aanslag premies AOV/AWW opgelegd naar een premie- inkomen van Naf. 63.798 met een te betalen premiebedrag van Naf. 7.164.

2.5

Na indiening van het beroep zijn de premie-inkomens BVZ en AOV/AWW over 2014 verminderd tot Naf. 37.451 (BVZ) en Naf. 34.787 (AOV/AWW) en de definitieve aanslagen dienovereenkomstig verminderd.

3 GESCHIL

Belanghebbende is van mening dat zij teveel moet betalen aan premies BVZ. Toen zij particulier verzekerd was, betaalde zij minder. Dat verschil in behandeling vindt belanghebbende oneerlijk. Tevens heeft belanghebbende aangevoerd de onderhavige aanslagen niet te kunnen voldoen. De hoogte van de premie- inkomens, zoals deze luiden na vermindering, zijn niet in geschil.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Formeel

4.1

Belanghebbende is op 19 mei 2016 in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar (fictieve weigering) voor wat betreft de aanslag premie BVZ over het jaar 2013 Dit beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar van 8 juli 2016 en is in zoverre ontvankelijk. Het op 26 oktober 2016 ingediende beroep wordt aangemerkt als aanvulling op het eerder ingediende beroepschrift. Voor zover het beroep van 19 mei 2016 ziet op het niet-tijdig doen van uitspraak is het niet-ontvankelijk nu op 8 juli 2016 uitspraak is gedaan.

4.2

De voorlopige aanslag premie BVZ 2014 is opgelegd op 22 augustus 2014. Op 23 september 2014 is belanghebbende tijdig hiertegen in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan. Vervolgens is belanghebbende op 26 oktober 2016 in beroep gekomen tegen de fictieve weigering van de Inspecteur. Belanghebbende had tot 23 juni 2016 de tijd om in beroep te komen (artikel 31, lid 1 onderdeel a ALL) met als gevolg dat belanghebbende niet- ontvankelijk is in haar beroep. Het Gerecht komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Materieel

4.3

Verzekerd ingevolge de de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (LBVZ) is degene die ingezetene van Curaçao is. Vast staat dat belanghebbende ingezetene is. Artikel 2.1, lid 2 onderdeel a van de LBVZ bevat een uitzondering op deze hoofdregel en schrijft voor dat niet verzekerd zijn zij die bij inwerkingtreding van de landsverordening tegen ziektekosten bij een verzekeringsbedrijf als bedoeld in de Landsverordening Toezicht verzekeringsbedrijf of een buitenlands verzekeringsbedrijf met wereldwijde dekking tegen ziektekosten verzekerd zijn. De Inspecteur heeft hiermee in de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag premie BVZ 2013 rekening gehouden door de aanslag tijdsevenredig te verminderen. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de Inspecteur de wettelijke regels op juiste wijze toegepast.

4.4

Belanghebbende is van mening dat zij teveel moet betalen aan premies BVZ. Toen zij particulier verzekerd was, betaalde zij minder. Dat verschil in behandeling vindt zij oneerlijk. Belanghebbende is het derhalve niet eens met de wet en vindt dat het te betalen bedrag aan premies zoals vastgesteld door toepassing van de wet, te hoog is.

Het Gerecht overweegt hierover dat het de wetgever vrijstaat om naar eigen inzicht wetten uit te vaardigen. De keuzes van de wetgever en de redelijkheid van de wetgeving kunnen niet getoetst worden door de rechter.

Belanghebbende heeft voorts verzocht om de Landsverordening basisverzekering ziektekosten te toetsen aan de grondwet. De Curaçaose grondwettelijke bepalingen zijn neergelegd in de Staatsregeling van Curaçao (de Staatsregeling). Ingevolge artikel 101 van de Staatsregeling is het de rechter niet toegestaan om wetten te toetsen aan de Staatsregeling. Deze regel leidt alleen uitzondering voor zover het grondrechten betreft, maar daarvan is hier geen sprake. Aldus faalt het beroep van belanghebbende op toetsing aan de Grondwet. Gelet op het voorgaande is het beroep met betrekking tot de aanslag premie BVZ 2013 ongegrond.

4.5

Bij uitspraak op bezwaar van 2 september 2016 is de aanslag premies AOV/AWW 2014 gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar staat:

(…) De door u aangevoerde argumenten geven mij echter geen aanleiding de aanslag te verminderen. De aanslag blijft gehandhaafd (...).

4.5.1

Belanghebbende heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij uit de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur niet kon opmaken waarom niet is uitgegaan van haar werkelijke inkomen. Belanghebbende stelt hiermee, naar het Gerecht begrijpt, dat de Inspecteur de uitspraak op bezwaar niet heeft gemotiveerd. Artikel 30, lid 5 ALL schrijft voor dat indien niet of niet volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen, de uitspraak wordt gemotiveerd. Het Gerecht is van oordeel dat het enkel vermelden in de uitspraak op bezwaar dat de aangevoerde argumenten geen aanleiding geven om de aanslag te verminderen, geen motivering inhoudt. Het Gerecht acht een dergelijke wijze van afwikkelen van het bezwaar onzorgvuldig. Er is echter geen wettelijke sanctie gesteld op het niet in acht nemen van de hiervoor weergegeven motiveringsplicht. Het niet motiveren van de uitspraak op bezwaar leidt dan ook niet tot vernietiging van de aanslag.

4.5.2

Nu de Inspecteur de aanslag na indiening van het beroep overeenkomstig het standpunt van belanghebbende heeft verminderd, is het beroep gegrond.

4.6

Belanghebbende heeft in haar bezwaar- en beroepschriften aangevoerd de aanslagen niet te kunnen betalen. Het Gerecht overweegt hierover dat het al of niet kunnen voldoen van een belastingschuld een invorderingskwestie betreft en niet valt onder de competentie van de belastingrechter. De Inspecteur heeft belanghebbende hiervoor verwezen naar de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen met de Ontvanger.

4.7

Belanghebbende heeft aan het Gerecht verzocht om de belastingdienst een dwangsom op te leggen. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid tot het verstrekken van een dwangsom, waardoor het Gerecht niet op dit verzoek in kan gaan.

5. PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten van beroep gemaakt door belanghebbende (Artikel 15, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB)). In artikel 15, lid 2 LBB is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand (onderdeel a) en verletkosten van een partij (onderdeel d).

Kosten door derde beroepsmatige verleende bijstand

5.2

Belanghebbende heeft de onderhavige beroepschriften zelf geschreven en belanghebbende is in persoon (alleen) naar de zitting gekomen. Zij heeft [ SG] Naf. 212 betaald voor diverse advieswerkzaamheden. Als bewijs daarvan heeft belanghebbende bij e-mail van 19 juni 2017 een kopie van de factuur overgelegd. Volgens de omschrijving op de factuur zouden de advieswerkzaamheden ook verricht zijn ten behoeve van de bezwaar- en beroepschriften premies BVZ en AOV/AWW over de jaren 2013 en 2014. De Inspecteur heeft dit niet betwist.

De Hoge Raad heeft op 11 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1772, beslist dat ook de kosten van beroepsmatige bijstand die is verleend bij de voorbereiding van het beroepschrift en de mondelinge behandeling voor vergoeding in aanmerking komen en dat die vergoeding, in afwijking van de forfaitaire regeling in goede justitie kan worden bepaald. Het Gerecht bepaalt deze kosten in het onderhavige geval in goede justitie op Naf. 100. Ze merkt daarbij op dat de kosten voor de procedure BVZ 2013 niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat het beroep daartegen ongegrond is en dat de kosten van de bezwaarfase niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat daarom niet in de bezwaarfase is verzocht.

Verletkosten

5.3

In de bijlagen bij bovenvermelde e-mail is tevens een door belanghebbende opgestelde factuur aan de belastingdienst opgenomen. Op deze factuur (Factuur Belastingdienst) heeft belanghebbende een aantal onkosten opgenomen die belanghebbende vergoed zou willen zien. Het betreft kosten van de uren die volgens belanghebbende zijn besteed aan extra werk doordat de belastingdienst onjuiste aanslagen zou hebben opgelegd. Het Gerecht overweegt over deze kosten het volgende.

5.4

Verletkosten zijn kosten van tijdverzuim voor bijvoorbeeld het persoonlijk bijwonen van een zitting. Kosten van tijdverzuim veroorzaakt door bijvoorbeeld het indienen van het beroepschrift of de voorbereiding van een rechtszaak komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dergelijke kosten moeten voor rekening van partijen zelf blijven.

5.5

Belanghebbende heeft zelf de zitting bijgewoond. Beoordeeld moet worden of belanghebbende uren heeft besteed aan het voeren van de procedure als gevolg waarvan zij geen omzet binnen haar onderneming heeft kunnen draaien (vergelijk: Hof ’s-Hertogenbosch van 9 februari 2018 ECLI: NL:GHSHE:2018:568). Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zij in de tijd dat zij aanwezig is geweest bij de zitting massages had kunnen doen. De Inspecteur heeft dit niet betwist. Gelet daarop bestaat in zoverre recht op een verletkostenvergoeding. Het Gerecht bepaalt die vergoeding in goede justitie op 3 uren maal Naf. 30,- is Naf. 90.

6 GRIFFIERECHTEN

Nu het beroep deels gegrond is dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 18, lid 5 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna LBB), het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

7 DE BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag BVZ over het jaar 2013 niet- ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag premie BVZ over het jaar 2014 niet- ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep inzake de aanslag premie BVZ over het jaar 2013 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep inzake de aanslag premies AOV/AWW over het jaar 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de aanslag premies AOV/AWW 2014;

  • -

    handhaaft de verminderingsaanslag premies AOV/AWW 2014 zoals vastgesteld

door de Inspecteur op een naar een premie- inkomen van Naf. 34.787;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende

op Naf. 190; en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van Naf. 50 aan griffierecht

te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

De griffier is buiten staat om de uitspraak

te ondertekenen

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).