Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:46

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
CUR201600989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verzuimboete voor het niet tijdig indienen van een aangifte kan bij een aanslagbelasting slechts worden opgelegd indien belanghebbende een aanmaning heeft ontvangen. Nu de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, niet heeft kunnen bewijzen dat belanghebbende is aangemaand, kan de opgelegde verzuimboete niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 22 maart 2018

BBZ nr. CUR201600989

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

Op het beroep in de zin van de

landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 17 oktober 2014 over het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een boetebeschikking van Naf. 2.500.

1.2

Belanghebbende is op 14 november 2014 tegen de aanslag en de boete in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 9 december 2016 uitspraken op bezwaar gedaan. Daarbij is de aanslag verminderd en de boete gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 28 december 2016 in beroep gekomen tegen de

uitspraken op bezwaar. Hierbij is een bedrag aan griffierecht betaald van Naf. 50.

1.5

De Inspecteur heeft op 11 april 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6

Ter zitting van 14 september 2017 te Willemstad is namens de Inspecteur verschenen mr. A, vergezeld van B, stagiaire. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde, de heer C.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende heeft de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2012 op 6 februari 2013 ontvangen en op 17 december 2013 ingediend. Op 17 oktober 2014 heeft de Inspecteur een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een boetebeschikking van Naf. 2.500. Belanghebbende is op 14 november 2014 tegen de aanslag en de boete in bezwaar gekomen.

2.3

Bij uitspraken op bezwaar met dagtekening 9 december 2016 is de aanslag inkomstenbelasting verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van Naf. 29.281 en een te betalen belasting van Naf. 2.928. De boete is gehandhaafd op een bedrag van Naf. 2.500.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

In geschil is of de door de Inspecteur opgelegde verzuimboete van Naf. 2.500 wegens het te laat indienen van de aangifte voor het jaar 2012 terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Aanslag

4.1

Bij beschikking van 9 december 2016 is de aanslag inkomstenbelasting verminderd. Aangezien belanghebbende in zijn beroepschrift geen grieven heeft aangevoerd tegen de aanslag inkomstenbelasting, zal het Gerecht het beroep met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2012 ongegrond verklaren.

Boete

4.2

Vaststaat dat aan belanghebbende een aangiftebiljet is uitgereikt. In artikel 7, lid 2 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat, indien de aangifte niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn is ingediend, de Inspecteur belanghebbende maant om binnen een bepaalde termijn aangifte te doen.

4.3

Indien de aangifte, behorende bij een aanslagbelasting, niet binnen de aanmaningstermijn, is ingediend dan vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur een verzuimboete kan opleggen (zie artikel 18, lid 1 ALL).

4.4

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de boete pas kan worden opgelegd als belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan en vervolgens is aangemaand alsnog binnen een bepaalde termijn aangifte te doen en ook binnen die termijn geen aangifte heeft gedaan. Belanghebbende stelt dat hij geen aanmaning heeft ontvangen en dat de Inspecteur niet heeft bewezen dat deze wettelijk vereiste aanmaning naar belanghebbende is verzonden. De Inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende niet weersproken en heeft in zijn verweerschrift gesteld niet te kunnen bewijzen dat de aanmaning belanghebbende heeft bereikt.

4.5

Het Gerecht leidt uit de tekst van artikel 18, lid 1 ALL af dat, gelijk belanghebbende heeft betoogd, een verzuimboete voor het niet tijdig indienen van een aangifte slechts kan worden opgelegd indien belanghebbende een aanmaning heeft ontvangen. Het Gerecht verwijst hiervoor tevens naar het arrest van 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, waarin de Hoge Raad overwoog ‘Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.’

4.6

Nu de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, niet heeft kunnen bewijzen dat belanghebbende is aangemaand, is het Gerecht van oordeel dat de verzuimboete wegens het niet indienen van de aangifte voor het jaar 2012 ten onrechte is opgelegd en dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 700 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van Naf. 700 en een wegingsfactor van 1/2). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als licht moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1/2.

6 GRIFFIERECHT

In artikel 18, lid 5 LBB is bepaald dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Het beroep inzake de boete over het jaar 2012 is gegrond zodat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht.

7 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep met betrekking tot de inkomstenbelasting over het jaar 2012 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep met betrekking tot de boete gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boete;

  • -

    vernietigt de boete; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op Naf. 700; en

  • -

    draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Naf. 50 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).