Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:45

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
CUR201701156 (voorheen AR 82774/2017)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Achterstallig huur – ontruiming - bewindvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Gunthorpe Development N.V.,

gevestigd te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.M. Douglas,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te Curaçao,

2. de naamloze vennootschap Italcambio N.V.

gevestigd te Curaçao,

gedaagden, hierna ofwel aan te duiden als gedaagden of als [gedaagde sub 1] en/of Italcambio.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 18 mei 2017 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord van 30 oktober 2017;

- een brief van 5 februari 2018 van mr. L.G. Da Costa Gomez waarin zij aangeeft te desisteren als advocaat van gedaagden;

- de comparitie van partijen gehouden op 6 februari 2018, alwaar de directeur van eiseres, de heer [naam 1] (verder: [naam 1]), alsmede mr. Douglas zijn verschenen. Van de zijde van gedaagden is niemand verschenen.

1.2.

Uit telefonisch contact tussen de griffier en de gedesisteerde advocaat voorafgaand aan de zitting van 6 februari 2018 is gebleken dat [gedaagde sub 1] door mr. Da Costa Gomez op de hoogte is gesteld van de comparitie.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

Op 8 februari 2012 is tussen eiseres als verhuurder en Italcambio en [gedaagde sub 1] als huurders, een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot het pand aan het [adres] te Punda, voor een periode van vijf jaar, aanvangende op 1 april 2012 en eindigend op 31 mei 2017. De overeengekomen huurprijs bedraagt NAf 7.950,- per maand inclusief O.B. en dient volgens artikel 2.2. te worden gestort op de RBTT rekening van eiseres.

2.3. [

naam 2] was de directeur van eiseres tot 2016.

2.4. [

naam 1] was vanaf 2004 tot 2009 curator van [naam 2]. Bij beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van 27 september 2016 (69821/14 – H 113/16) is beschermingsbewind over de goederen van [naam 2] ingesteld en is [naam 1] benoemd tot bewindvoerder.

2.5.

Vanaf oktober 2016 is [naam 1] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als directeur van eiseres.

2.6.

Vanaf oktober 2016 heeft [naam 1] aan [gedaagde sub 1] herhaaldelijk laten weten dat de huurpenningen betaald moeten worden aan eiseres.

2.7.

Voor de maanden oktober 2016 tot en met mei 2017 is door gedaagden geen huur overgemaakt op de rekening van eiseres.

2.8.

Eiseres heeft een brief van 22 december 2016 aan Italcambio t.a.v. [gedaagde sub 1] gestuurd, waarin gemeld wordt dat er sprake is van een huurachterstand en dat de betaling van de huur op de bankrekening van eiseres betaald moet worden. In de brief staat (onder meer):

We remind you as mentioned during our telephone conversation that the rent contract is between Italcambio NV and Gunthrope Development NV and that the payments should success accordingly. Also it must be stated that the rent should be paid standing order and that failure to do so constitutes a default accordingly to article 2.2 article 14 of the rental contract.”

2.9.

In de mail van 8 februari 2017 schrijft [naam 1] namens eiseres:

taking this in consideration we will not renew the rent contract and this will end according to what is stated in the contract”.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):

  • -

    a) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan eiseres te betalen een bedrag van Naf 63.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    b) gedaagden te ontruimen met meeneming van hun roerende zaken; en

  • -

    c) gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Eiseres legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Aan gedaagden is meermalen gemeld dat zij de huur dienden over te maken op de rekening van eiseres en niet (deels) contant te voldoen aan [naam 2]. Gedaagden hebben een huurschuld betreffende in ieder geval de maanden oktober 2016 tot en met mei 2017. De huurovereenkomst is niet verlengd na mei 2017. Gedaagden dienen het pand te ontruimen.

3.3.

Gedaagden verzoeken eiseres niet ontvankelijk te verklaren, althans alle vorderingen af te wijzen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagden hebben aangevoerd dat Italcambio is opgehouden te bestaan en daarom niet meer in rechte kan worden betrokken en dat de procedure tegen gedaagde sub 2 dient te worden geschorst. In dat verband hebben zij gewezen op het uittreksel van 17 mei 2017 van de Kamer van Koophandel Curaçao waaruit blijkt dat Italcambio vanaf 26 september 2014 niet meer is ingeschreven.

4.2.

Met dat uittreksel is evenwel niet gebleken, noch uit andere stukken, dat de onderneming is ontbonden en vereffend zoals bedoeld in de artikelen onder Algemene bepalingen van titel 1 van boek 2 BW. Het Gerecht passeert genoemd verweer om die reden.

4.3.

Gedaagden hebben voorts aangevoerd dat eiseres ten onrechte niet heeft doen blijken van een machtiging in de zin van artikel 1: 441 BW van [naam 2], de rechthebbende van eiseres, noch van het Gerecht, terwijl er beschermingsbewind geldt. Dat heeft volgens gedaagden tot gevolg dat eiseres niet ontvankelijk is, dan wel procesonbevoegd. Ook wordt als verweer opgeworpen dat het bij gebreke aan een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen onduidelijk is of de huurpenningen onder het bewind vallen.

4.4.

Sinds oktober 2016 is [naam 1] de directeur van eiseres en [naam 2] niet meer. [naam 1] heeft dus uit dien hoofde kunnen beslissen tot het instellen van onderhavige vordering. Eiseres is dan ook bevoegd en ontvankelijk in onderhavige procedure. De bewindvoering heeft daar in dat verband niet mee te maken. Bovengenoemde verweren falen.

4.5.

Gedaagden hebben daarnaast betoogd dat met [naam 2] in 2012 was afgesproken dat huur werd betaald “wanneer het kon”, alsmede dat de huur contant aan [naam 2] werd betaald. Voorts hebben gedaagden naar voren gebracht dat zij niet wisten van de onderbewindstelling, zodat aan hen niet kan worden tegengeworpen dat aan [naam 2] een deel van de huurpenningen is voldaan, op grond van artikel 1:439 lid 1 BW.

4.6.

Door [naam 1] is meerdere malen duidelijk gemaakt aan [gedaagde sub 1] dat de huur overgemaakt diende te worden op de bankrekening van eiseres. Het betoog dat een afspraak bestond met [naam 2] over het betalen van minder dan de overeengekomen huur faalt daarom. Het beroep op artikel 1: 439 lid 1 BW faalt eveneens. Door gedaagden is - met het oog op dat artikel - niet duidelijk gemaakt welke rechtshandeling ongeldig zou zijn en om welke reden dit verweer jegens eiseres, niet zijnde de onder bewind gestelde of de bewindvoerder, wordt gevoerd.

4.7.

De vordering zal wat betreft betaling van de achterstallige huur dan ook worden toegewezen.

4.8.

Tenslotte betwisten gedaagden dat de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd. Gedaagden hebben met [naam 2] afgesproken dat de huurovereenkomst zou worden verlengd. De bewindvoerder is volgens hen niet gerechtigd de huurovereenkomst te beëindigen, aldus gedaagden.

4.9.

In de huurovereenkomst staat dat de huurovereenkomst eindigt op 31 mei 2017. Uit de mail van 8 februari 2017 van [naam 1] blijkt dat eiseres er voor gekozen heeft de huurovereenkomst niet te verlengen: “taking this in consideration we will not renew the rent contract and this will end according to what is stated in the contract”. Ten tijde van het schrijven van eerdergenoemde mail was [naam 1] directeur van eiseres en aldus bevoegd om deze mededeling te doen. Als al aangenomen wordt dat met [naam 2] een afspraak zou bestaan over verlenging van de huurovereenkomst doet dat dus niet ter zake.

4.10.

Eiseres heeft gevorderd dat gedaagden het pand ontruimen. Nu de huurovereenkomst beëindigd is en gedaagden zonder titel in het pand verblijven en er bovendien sprake is van een huurachterstand van meer dan zes maanden is ook dit deel van de vordering toewijsbaar.

4.11.

Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van eiseres worden veroordeeld, bestaande uit NAf 750,- aan griffiekosten, alsmede
NAf 495,- aan betekeningskosten en Naf 20,- aan zegelkosten en een bedrag van
NAf 3.000,- voor het gemachtigdensalaris (zijnde 2 punten ad tarief 6).

5 De beslissing

Het Gerecht:

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodanig dat voor zover de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan eiseres van een bedrag van
NAf 63.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van dit verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagden om binnen twee weken na betekening van dit vonnis [adres] in Punda te ontruimen met meeneming van hun roerende zaken;

- veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op NAf 1.265,- aan verschotten en NAf 3.000,- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter in opgemeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

HH