Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:42

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
CUR201701598 (voorheen: AR 82263/2017)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CUR201701598 voorheen AR 82263 van 2017 toevoeging fluoride aan drinkwater, belang, aannemelijkheid van mogelijkheid van schade, verhouding wetgever en rechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de hoofdzaak van:

[EISER SUB 1],

[EISER SUB 2],

[EISER SUB 3],

[EISER SUB 4],

wonende te Curaçao,

eisers,

gemachtigden: mr. S.I. da Costa Gomez en mr. C.A. Peterson,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

gevestigd te Curaçao,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen,

de naamloze vennootschap

AQUALECTRA N.V.,

gevestigd te Curaçao,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Hammoud.

Partijen worden aangeduid als [eiser sub 1] c.s., het Land en Aqualectra.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 13 maart 2017 met producties;

- de conclusie van antwoord van Aqualectra, met producties;

- de conclusie van antwoord van het Land, met producties;

- de aanvullende producties van het Land;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens akte wijziging eis;

- de behandeling ter comparitie van 24 januari 2018;

- de pleitaantekeningen van het Land.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij brief van 13 mei 1962 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao het hoofd van de Dienst Water- en Energieproductie verzocht zo spoedig mogelijk een aanvang te maken met de toevoeging van fluoride aan het drinkwater.

2.2.

Sinds 1962 is aan het op Curaçao geproduceerde drinkwater fluoride toegevoegd.

2.3.

Vanaf enig moment is de productie en distributie van drinkwater op Curaçao verzorgd door de naamloze vennootschappen Kompania di produkshon di awa i elektrisidat di Korsou en Kompania di distibushon di awa i elektrisidat di Korsou. Beide vennootschappen handelden onder de naam Aqualectra.

2.4.

Bij brief van 20 april 2017 aan de waterproducent heeft de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur de in 2.1 bedoelde “opdracht” ingetrokken en de producent verzocht zo snel als technisch mogelijk de toevoeging van fluoride aan het drinkwater te beëindigen.

2.5.

Met ingang van 1 augustus 2017 is de toevoeging van fluoride aan het drinkwater beëindigd.

2.6.

Per 3 januari 2018 zijn de in 2.3 bedoelde vennootschappen gefuseerd tot Aqualectra.

3 Het geschil

3.1. [

Eiser sub 1 c.s.] vorderen na wijziging van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat het volgende:

  1. voor recht zal verklaren dat Aqualectra tot in augustus 2017 zonder wettelijke grondslag fluoride aan het drinkwater heeft toegevoegd en dat deze toevoeging van fluoride door Aqualectra daarom jegens eisers onrechtmatig is geweest;

  2. voor recht zal verklaren dat het Landsbesluit kwaliteit drinkwater, daar waar het de mogelijkheid tot toevoeging van fluoride aan het drinkwater in de zin van de Landsverordening drinkwater betreft, een bepaling bevat, die niet onder de in de preambule van de Landsverordening drinkwater aangegeven werkingssfeer daarvan valt, althans dat de Landsverordening drinkwater geen rechtmatige grondslag voor de toevoeging door Aqualectra van fluoride aan het drinkwater op basis van dit Landsbesluit biedt en dat de toevoeging tot en met 31 juli 2017 door Aqualectra van fluoride aan het drinkwater op basis van dit Landsbesluit onrechtmatig jegens eiser is geweest;

  3. voor recht zal verklaren dat de toevoeging van fluoride door Aqualectra aan door haar geproduceerd drinkwater in strijd is en tot 1 augustus 2017 is geweest met een aantal bepalingen uit internationale mensenrechtenverdragen en dat deze toevoeging van fluoride aan het drinkwater daarom jegens eisers onrechtmatig is, althans tot 1 augustus 2017 is geweest;

  4. het Land zal gelasten om, ingaande onmiddellijk na het in deze te wijzen vonnis, al dan niet door tussenkomst van zijn minister, zijn in dat kader bevoegde uitvoeringsorganisaties en/of inspecties, doch in ieder geval bij zijn Landsbesluit kwaliteit drinkwater, aan Aqualectra het verbod op te leggen om de chemische stof fluoride aan het drinkwater toe te voegen;

  5. gedaagden te gelasten om de staking per 1 augustus 2017 tot toevoeging van fluoride aan het drinkwater gestaakt te houden;

  6. voor recht zal verklaren dat ieder van gedaagden, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk, aansprakelijk zijn voor alle schade die eisers als gevolg van de toevoeging van fluoride aan het drinkwater hebben geleden;

  7. met bepaling dat van het Land voor iedere dag die aanvangt nadat het in deze te geven vonnis aan hem zal zijn betekend en hij het hiervoor bedoelde gebod niet zal nakomen, ten gunste van ieder van eisers een dwangsom zal gebeuren van NAf 50.000;

  8. met bepaling dat Aqualectra voor iedere dag die aanvangt nadat het in deze te geven vonnis aan haar zal zijn betekend en zij het hiervoor bedoelde gebod overtreedt, ten gunste van ieder van eisers een dwangsom zal gebeuren van NAf 50.000;

  9. met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser sub 1 c.s.] in de proceskosten.

3.3.

Aqualectra voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eisers in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Bij het inleidend verzoekschrift zijn, behalve het Land, ook de in 2.3 bedoelde rechtsvoorgangers van Aqualectra in rechte betrokken. In het kader van de fusie van deze rechtsvoorgangers hebben zij opgehouden te bestaan en is Aqualectra opgericht, waarbij sprake is van een overgang onder algemene titel. Op grond van artikel 185 jo. 188 Rv wordt het geding in een zodanig geval geschorst en hervat, waarbij de rechtsopvolger als procespartij heeft te gelden. Zoals ter zitting met partijen is besproken, moet een en ander geacht worden te hebben plaatsgevonden op de zitting. Het geding is dus hervat op naam van Aqualectra. [Eiser sub 1 c.s.] hebben geen belang bij hun incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van Aqualectra.

4.2. [

Eiser sub 1 c.s.] hebben hun eis gewijzigd naar aanleiding van de beëindiging van de toevoeging van fluoride aan het drinkwater per 1 augustus 2017. De eiswijziging is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat op de gewijzigde eis recht gedaan zal worden.

4.3.

Het gaat in deze procedure om de rechtmatigheid van het toevoegen van fluoride aan het drinkwater en om de vraag of het Land en Aqualectra gehouden kunnen worden het toevoegen van fluoride aan het drinkwater ook in de toekomst achterwege te laten. Van belang is dat de situatie sinds de aanvang van de onderhavige procedure wezenlijk is veranderd als gevolg van het nadien genomen besluit van het Land om Aqualectra opdracht te geven met de fluoridisering van het drinkwater te stoppen en feitelijke beëindiging daarvan die Aqualectra inmiddels heeft gerealiseerd. In het navolgende zal het gerecht daarom, voor zover de vorderingen van [eiser sub 1 c.s.] betrekking hebben op de situatie zoals die tot 1 augustus 2017 heeft bestaan, onderzoeken of De [eiser sub 1 c.s.] voldoende belang hebben.

4.4.

De vorderingen van [eiser sub 1 c.s.] onder 1 tot en met 3 en onder 6 strekken ertoe dat voor recht wordt verklaard dat het Land en Aqualectra in verband met de toevoeging van fluoride aan het drinkwater onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden schade. In een zodanig geval moet de rechter er vanuit gaan dat de eiser voldoende belang heeft bij een dergelijke vordering als de mogelijkheid van schade aannemelijk is (HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760).

4.5.

Ten aanzien van de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade geldt het volgende.

4.6.

Voorop gesteld moet worden dat [eiser sub 1 c.s.] in deze procedure voor zichzelf optreden en niet, bijvoorbeeld, onder de vlag van een rechtspersoon die zich de behartiging van een algemeen of collectief belang heeft aangetrokken. De onderhavige procedure betreft, met andere woorden, geen collectieve actie. De [eiser sub 1c.s.] moeten dus zelf voldoende belang hebben bij hun vorderingen en dus zal het bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade ook moeten gaan om door henzelf – persoonlijk – geleden schade.

4.7.

In hun inleidend verzoekschrift hebben [eiser sub 1c.s.] voor wat betreft de schade gewezen op een onderzoek van de universiteit van Harvard, waaruit volgens [eiser sub 1c.s.] volgt dat blootstelling aan fluoride het IQ kan laten dalen, fluoride kan leiden tot neurotoxiciteit en aantasting van het geheugen en een negatieve invloed heeft op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. [Eiser sub 1 c.s.] hebben met betrekking tot dit onderzoek geen stukken overgelegd. De akte tot wijziging van eis gaat niet op de schade in. Het gerecht constateert dat [eiser sub 1] c.s. aldus de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade niet hebben onderbouwd aan de hand van stellingen die op henzelf betrekking hebben. Hun betoog ter zake is louter gebaseerd op stellingen van zeer algemene aard, die overigens ook weinig specifiek zijn. Desgevraagd hebben De [eiser sub 1 c.s.] ook ter zitting geen concrete feiten gesteld die betrekking hebben op door henzelf geleden schade. Zij hebben gewezen op de mogelijkheid dat mensen in bepaalde beroepen werkzaam zijn waarin zij zoveel water drinken dat zij de door de WHO gestelde grens van 1,5 mg fluoride overschrijden en ook hebben zij betoogd dat destijds bij de invoering van de fluoridisering geen onderzoek is gedaan naar de inname van fluoride via bepaalde soorten van voedsel. Ten slotte hebben [eiser sub 1 c.s.] verwezen naar een Nederlands onderzoek van de GGD. Ook met betrekking tot dit onderzoek hebben [eiser sub 1 c.s.] geen stukken overgelegd.

4.8.

Het gerecht is van oordeel dat [eiser sub 1 c.s.] aldus al met al onvoldoende hebben aangevoerd om tot de conclusie te kunnen komen dat zij de mogelijkheid van eigen schade voldoende aannemelijk hebben gemaakt. Van [eiser sub 1 c.s.] had verwacht mogen worden daarop concreter in te gaan, zeker nu het geschil als gevolg van de beëindiging van de fluoridisering per 1 augustus 2017 nadrukkelijk in de sleutel van het belang was komen te staan en het Land ter voorbereiding op de comparitie stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat het drinkwater op Curaçao in afgelopen jaren het destijds toegestane maximum niet heeft overschreden en daar vrijwel steeds ruim onder is gebleven. Het betoog van [eiser sub 1 c.s.] wordt in feite gekenmerkt door hun zorg voor mogelijke schadelijke gevolgen voor de bevolking in het algemeen, maar dat is onvoldoende concreet voor het aannemen van de mogelijkheid van eigen schade.

4.9.

Waar de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is, rijst nog de vraag of [eiser sub 1 c.s.] om andere redenen voldoende belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van het Land en Aqualectra in het verleden. Nu [eiser sub 1 c.s.] in dat verband niets hebben gesteld, beantwoordt het gerecht die vraag ontkennend.

4.10.

Op het ontbreken van voldoende belang stuiten de vorderingen van [eiser sub 1 c.s.] onder 1 tot en met 3 en 6 af.

4.11.

De vorderingen onder 4 en 5 strekken ertoe dat de beëindiging van de toevoeging van fluoride aan het drinkwater voor onbepaalde tijd bestendigd wordt. [Eiser sub 1c.s.] willen ook voor de toekomst zeker stellen dat aan het drinkwater geen fluoride meer toegevoegd zal worden. Zij willen dit bereiken door het Land te gebieden in het Landsbesluit kwaliteit drinkwater het verbod op toevoeging van fluoride op te nemen en voorts door zowel het Land als Aqualectra op te dragen de toevoeging van fluoride gestaakt te houden.

4.12.

Het gerecht zal ook deze vorderingen afwijzen. Ter toelichting overweegt het gerecht als volgt.

4.13.

Met de vordering onder 4 wensen [eiser sub 1 c.s.] dat het gerecht het Land verplicht een bepaalde handeling van wetgevende aard te verrichten. Gelet op de rolverdeling tussen de wetgevende en de rechterlijke macht past de rechter hier terughoudendheid. Een gebod aan het Land om in het Landsbesluit kwaliteit drinkwater een verbod op het toevoegen van fluoride aan drinkwater op te nemen, beperkt de wetgevende vrijheid van het Land op dit punt volledig, zonder dat daartoe een rechtens relevante noodzaak bestaat. Dit hangt samen met het oordeel van het gerecht ter zake de vordering onder 5. Of het toevoegen van fluoride aan het drinkwater ook in de toekomst achterwege moet blijven, zal mede afhankelijk kunnen zijn van ontwikkelingen op medisch gebied die thans niet kunnen worden voorzien, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag naar de effecten van fluoride op de gezondheid van mensen. Het is niet aan de rechter om daarop vooruit te lopen. Daarbij komt nog dat op dit moment ook niet is gebleken van een reële dreiging dat de toevoeging van fluoride aan het drinkwater weer hervat zal worden, wat er ook zij van de door [eiser sub 1 c.s.] gestelde grilligheid van de Curaçaose politieke verhoudingen.

4.14.

Nu er geen grond bestaat voor het opleggen van enigerlei gebod of verbod aan het Land of Aqualectra, bestaat ook geen aanleiding om ter zake een dwangsom op te leggen.

4.15.

Alle vorderingen van [eiser sub 1 c.s.] zullen dus worden afgewezen. Niettemin bestaat naar het oordeel van het gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren. De onderhavige procedure is begonnen op een moment dat nog fluoride aan het drinkwater werd toegevoegd. Voorts leidt het gerecht uit de overgelegde stukken af dat ook het Land zelf van mening is dat een deugdelijke wettelijke grondslag voor die toevoeging ontbreekt. In die omstandigheden is een compensatie van de proceskosten aangewezen.

4.16.

Gelet op het voorgaande is niet meer relevant de stelling van [eiser sub 1 c.s.]dat Aqualectra niet bevoegd is de productie en distributie van drinkwater te verzorgen. Ten overvloede wijst het gerecht erop dat voor de productie en distributie van drinkwater ingevolge artikel 9 van de Landsverordening drinkwater een vergunning, concessie of overeenkomst met het Land is vereist. Het Land en Aqualectra hebben beiden gesteld dat Aqualectra handelt op basis van een overeenkomst met het Land. Deze stelling hebben [eiser sub 1 c.s.] niet betwist. Hieruit volgt dat de productie en distributie van drinkwater door Aqualectra in zoverre plaatsvindt in overeenstemming met het bepaalde in genoemde Landsverordening.

5 De beslissing

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2018.