Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:39

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
CUR201601562 (EJ 77364/2016)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzorgingsvruchtgebruik samenwoner – artikelen 29, 30, 30b en 40a boek 4 BWNA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

B E S C H I K K I N G

op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende in Curaçao,

verzoeker,

gemachtigde: mr. S.N.E. Inderson,

tegen

[verweerder sub 1],

[verweerder sub 2],

[verweerder sub 3],

[verweerder sub 4],

[verweerder sub 5],

[verweerder sub 6],

[verweerder sub 7],

wonende in Curaçao afgezien van [verweerder sub 6] en [verweerder sub 7] voornoemd, zij verblijven op een onbekend adres in Nederland,

verweerders,

gemachtigde: mr. A.S.M. Blonk.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties, ingediend op19 januari 2016;

- het verweerschrift met producties;

- de mondelinge behandeling op 8 juni 2017;

- de door verzoeker ter rolzitting van 27 september 2017 genomen akte (wijziging, c.q. vermeerdering van eis);

- de door verweerders genomen antwoord-akte.

1.2.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Verzoeker had een relatie met wijlen [naam wijlen], die op [overlijdensdatum] 2014 is overleden. De verweerders zijn de erven van [naam wijlen].

2.2.

Op het moment van overlijden woonden verzoeker en [naam wijlen] samen in de woning van [naam wijlen] op het adres [woning A] (verder: [woning A]). [naam wijlen] had tevens in eigendom de woning op het adres [woning B] (verder: [woning B])

2.3. [

De woning B] werd verhuurd door [naam wijlen] aan een derde. Sinds het overlijden van [naam wijlen] hebben verweerders die woning in bezit genomen en sinds begin 2017 woont daar een familielid van verweerders.

2.4.

Verzoeker heeft per brief van 28 augustus 2015 aan verweerders aanspraak gemaakt op vruchtgebruik van de woningen.

3 Het geschil

3.1.

Verzoeker verzoekt na eiswijziging dat het Gerecht bij beschikking:

- a) hem verlof zal verlenen om kosteloos te procederen;

- b) zal bepalen dat verzoeker gelijk gesteld dient te worden met een echtgenoot in de zin van afdeling 2 van titel 3 van boek 4 BW;

- c) zal bepalen dat aan verzoeker een verlenging van de in artikel 4: 31 leden 2 en 3 BW genoemde termijnen toekomt;

- d) verweerders zal veroordelen tot het verlenen van medewerking om het aan verzoeker toekomende recht op vruchtgebruik op de woning [woning A], inboedel en overige goederen van [naam wijlen] te vestigen;

- e) verweerders zal bevelen om binnen een week na deze beschikking over te gaan tot het vestigen van vruchtgebruik op de woning [woning A], de inboedel en de overige goederen van [naam wijlen];

- f) verzoeker zal toestaan de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken te verhuren, te weten de woning [woning B] uit hoofde van artikel 3: 217 jo artikel 4: 30 BW;

- g) Notaris Eshuis zal benoemen voor wie de werkzaamheden van de vestiging van het vruchtgebruik zal plaatsvinden en de medewerking van de verweerders te vervangen voor de toestemming van het Gerecht indien verweerders niet binnen een maand na betekening van de beschikking vrijwillig medewerking hebben verleend tot het vestigen van vruchtgebruik ten behoeve van verzoeker;

- h) verweerders zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij gedurende 12 jaar met [naam wijlen] heeft samengewoond als waren zij gehuwd. Om die reden heeft verzoeker aanspraak op het vruchtgebruik van onder meer de woning [woning A] en [woning B].

3.3.

Verweerders voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Niet tardief

4.1.

In de eerste plaats hebben verweerders naar voren gebracht dat verzoeker te laat is met zijn verzoek nu er meer dan negen maanden is verstreken (artikel 4: 31 lid 2 BW) voordat de eerste brief - waarin verzoeker aanspraak maakt op vruchtgebruik - aan verweerders werd gestuurd. Volgens verweerders dient het verzoek daarom te worden afgewezen.

4.2.

Dit verweer faalt. Verzoeker heeft gemotiveerd en onderbouwd waaraan het verstrijken van de termijn te wijten is. Verzoeker doet daarom een beroep op artikel 4: 40a BW. Dat artikel bepaalt dat de rechter de in artikel 4: 31 tweede, derde en vierde lid (…) gestelde termijn, ook na het verstrijken daarvan, kan verlengen op verzoek van een belanghebbende. Verweerders hebben niet gereageerd op het verzoek tot verlenging van de termijn. Het Gerecht acht dit onderdeel van het verzoek toewijsbaar. De termijn wordt om die reden verlengd, zodat de vorderingen niet zullen worden afgewezen als zijnde tardief. De vordering onder c wordt dus toegewezen.

Gelijk stellen met een echtgenoot

4.3.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of er sprake is geweest van het voorafgaand aan het overlijden van [naam wijlen] gedurende tenminste tien jaren samenwonen alsof partijen gehuwd waren, zoals is bepaald in artikel 4: 30b lid 1 BW. Verweerders bestrijden dit op verschillende gronden. Zij betwisten in de eerste plaats dat verzoeker en [naam wijlen] vanaf 2003 samen hebben gewoond, zoals verzoeker stelt. Deze betwisting is evenwel in onvoldoende mate gemotiveerd en/of onderbouwd tegenover de specifieke en onderbouwde (met onder meer het stuk ‘na memoria di [naam wijlen]’ en diverse getuigenverklaringen) stelling van verzoeker. Op deze grond gaat het verweer dus niet op. De andere grond die verweerders - pas in de laatste akte - aanvoeren is dat verzoeker is getrouwd met een Colombiaanse vrouw, zodat verzoeker en [naam wijlen] niet samen konden zijn ‘als ware zij gehuwd’. Ook deze grond faalt. Als al wordt aangenomen dat verzoeker is getrouwd, hetgeen niet vast staat nu verzoeker op dit nieuwe betoog niet heeft kunnen reageren, maakt dat nog niet dat er geen sprake kan zijn van het voldoen aan genoemd criterium. Dit is immers in de wet vastgelegd ter bescherming van partners die niet waren gehuwd met de overleden partner en daardoor in de problemen komen. Voldoende voor ‘als ware zij gehuwd’ is in onderhavig geval dat er sprake was van een langdurige affectieve relatie en dat partijen samenwoonden. Daarvan was in onderhavig geval spraek

Verzorgingsvruchtgebruik [woning A]

4.4.

Nu bovengenoemde verweren zijn verworpen staat daarmee nog niet vast dat verzoeker recht heeft op het verzorgingsvruchtgebruik van de woning [woning A] op grond van artikel 4: 29 jo 30b BW. Artikel 4: 30b BW houdt immers in dat de rechter een zekere discretionaire bevoegdheid heeft. In het bijzonder is van belang dat – anders dan wat geldt voor de echtgenoot – toekenning van het verzorgingsvruchtgebruik ‘redelijk’ moet zijn, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. (Zie ook de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 4 april 2017, waarin het Hof het in r.o. 3.6. heeft over ‘sprekende gevallen’, ECLI:NL:OGHACMB:2017:17).

4.5.

Relevante omstandigheden van het geval zijn in deze zaak:

- aannemelijk is dat verzoeker niet over een ander onderkomen beschikt;

- aannemelijk is dat verzoeker heeft geïnvesteerd in de woning [woning A] gedurende de jaren dat hij daar woonde;

- verzoeker, die thans 57 jaar is, beschikt over een netto inkomen van afgerond
NAf 1.450,- per maand met zijn baan in housekeeping;

- [naam wijlen] wenste, ook volgens verweerders, dat verzoeker nog enige tijd in de woning kon verblijven.

Deze omstandigheden in samenhang afgewogen maakt dat er in enige mate sprake is van een ‘sprekend geval’. Het Gerecht acht het daarom redelijk dat verzoeker vanaf heden nog enige tijd het vruchtgebruik wordt toegekend van de woning. In dit geval acht het Gerecht het redelijk en passend dat verzoeker in totaal gedurende een periode van vijf jaren vanaf het overlijden van [naam wijlen] op [overlijdensdatum] 2014, dus tot [dag en maand overlijden] 2019, in de woning [woning A] kan blijven. Toegewezen zal dus worden het gevorderde onder d, e en g, met dien verstande dat het vruchtgebruik eindigt op [dag en maand overlijden] 2019. Bij toewijzing van het gevorderde onder b heeft verzoeker geen zelfstandig belang, zodat dit onderdeel wordt afgewezen.

Verzorgingsvruchtgebruik [woning B]

4.6.

In de eerste plaats is het niet duidelijk of voor de woning [woning B] tevens vruchtgebruik wordt gevorderd door verzoeker. In het petitum van de akte wijziging c.q. vermeerdering van eis staat dit niet. Uit de tekst van deze akte in samenhang met de vordering onder f gaat het Gerecht er zekerheidshalve vanuit dat dat wel gevorderd is. Verweerders lijken hier gezien hun betoog overigens ook vanuit te zijn gegaan.

4.7.

Artikelen 4: 30 jo 30b BW zijn relevant voor de vraag of verzoeker recht heeft op verzorgingsvruchtgebruik van de woning nr. 15. In artikel 4: 30 BW is geformuleerd dat erfgenamen verplicht zijn tot medewerking aan vestiging van vruchtgebruik over andere goederen (te onderscheiden van de in artikel 29 genoemde woning) voor zover de echtgenoot (in casu samenwoner) daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, behoefte heeft. Die behoefte wordt bij vruchtgebruik van de woning verondersteld en bij ‘andere goederen’ niet. Dat betekent dat de verzoeker die behoefte zal moeten stellen en onderbouwen. Daarin is verzoeker niet geslaagd, mede in het licht beschouwd van het verweer dat over de woning nr. 15 is gevoerd. Onder meer is naar voren gebracht dat, anders dan verzoeker stelt, [naam wijlen] en verzoeker in werkelijkheid geen huurpenningen ontvingen aangezien de laatste huurder in de praktijk niet betaalde. Ook is onduidelijk gebleven of en in welke mate verzoeker in die woning zou hebben geïnvesteerd en thans om die reden daarop betrekking hebbende schulden zou moeten aflossen. Afgezien van het niet voldoende blijken van behoefte vindt het Gerecht niet dat er met betrekking tot de woning [woning B] sprake is van een ‘sprekend geval’, naar het criterium van artikel 4: 30b BW. De vordering onder f wordt gezien het vorenstaande afgewezen.

Proceskosten

4.8.

In verband met de hoedanigheid van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- verleent verzoeker toestemming om kosteloos te procederen;

- bepaalt dat aan verzoeker een verlenging van de in artikel 4: 31 leden 2 en 3 BW genoemde termijnen toekomt in die zin dat hij tijdig aanspraak heeft gemaakt op het verzorgingsvruchtgebruik;

- veroordeelt verweerders tot het verlenen van medewerking om het aan verzoeker toekomende recht op vruchtgebruik op de woning [woning A] en inboedel van [naam wijlen] te vestigen;

- bepaalt dat het vruchtgebruik eindigt op [dag en maand overlijden] 2019;

- beveelt verweerders om binnen een week na deze beschikking over te gaan tot het vestigen van vruchtgebruik op de woning nr. [woning A] en de inboedel van [naam wijlen];

- benoemt Notaris Eshuis voor wie de werkzaamheden van de vestiging van het vruchtgebruik zal plaatsvinden en vervangt de medewerking van de verweerders voor de toestemming van het Gerecht indien verweerders niet binnen een maand na betekening van de beschikking vrijwillig medewerking hebben verleend tot het vestigen van het hierboven geformuleerde vruchtgebruik ten behoeve van verzoeker;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

-wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in voormeld Gerecht, en op 8 februari 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.