Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:359

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
CUR2018020022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Staking brandweer disproportioneel. Oproep door ABVO om tijdens werktijd te vergaderen is een oproep tot staken. Rauwelijks dagvaarden leidt hier niet tot kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

IN KORT GEDING

in de zaak van:

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

gevestigd in Curaçao,

eiser,

gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en P. Tweeboom,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

ALGEMENE BOND VAN OVERHEIDSPERSONEEL (ABVO),

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam.

1 Verloop van de procedure

Het Land heeft op 22 juni 2018 ter griffie een verzoekschrift ingediend. Het Land vorderde een bevel aan ABVO om de staking bij de brandweer te beëindigen.

De zaak is diezelfde avond behandeld.

Op de zitting hebben partijen afgesproken dat zij de dinsdag daarop verder zouden gaan met het inhoudelijk overleg, en dat de brandweerlieden iets later die avond weer normaal aan het werk zouden gaan.

Afgesproken werd voorts dat, als een van partijen na het overleg van dinsdag nog een vonnis over de proceskosten mocht verlangen, daarom door de advocaat van die partij zal worden gevraagd.

Op 29 juni 2018 heeft mr. Lie Atjam verzocht het Land te veroordelen in de proceskosten.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1

Het gaat in dit kort geding nog slechts om de proceskosten. Voor de beslissing daarover moet echter ook worden stilgestaan bij de inhoudelijke kant van de zaak.

2.2

Begin juni 2018 heeft ABVO zich tot de Minister van Justitie gewend met het verzoek de bezetting van de brandweerkazernes van Mundo Nobo en Rio Canario te verhogen. Het ging daarbij om de personeelsbezetting van de uitrukploegen op de brandweerwagens. Tussen vertegenwoordigers van ABVO en vertegenwoordigers van het Ministerie is hierover op 20 juni 2018 overleg gevoerd, dat niet tot overeenstemming heeft geleid. ABVO heeft haar leden op 22 juni 2018 opgeroepen om onder werktijd te vergaderen, waarna brandweerpersoneel de kazerne heeft verlaten. Volgens het Land waren op de middag van het indienen van het kort geding de kazernes te Rio Canario, Mundo Nobo, Steenrijk en Barber gesloten.

2.3

Het Land vorderde in dit kort geding, samengevat, een bevel aan ABVO om haar leden op te roepen de staking te beëindigen en weer normaal aan het werk te gaan. Volgens het Land is de bemanning van de brandweerwagens al tientallen jaren op het huidige niveau, maar staat het Land open voor overleg over de bezetting en over alternatieven.

2.4

Ter zitting heeft ABVO zich verweerd met de stelling dat zij niet tot een staking heeft opgeroepen. Gelet evenwel op de vervolgens door het Land ten gehore gebrachte geluidsopname, is aannemelijk geworden dat ABVO het brandweerpersoneel heeft opgeroepen om onder werktijd te vergaderen en daarmee de gebruikelijke werkzaamheden neer te leggen. Dat kan worden aangemerkt als een staking.

2.5

Art. 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) erkent het recht van werknemers op collectief optreden in geval van belangengeschillen, inclusief het stakingsrecht. De bescherming van het stakingsrecht als bedoeld in dit artikel strekt ertoe een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen.

2.6

Het stakingsrecht wordt (onder meer) begrensd door het beginsel van proportionaliteit. Beoordeeld dient te worden of het belang van het inzetten van het stakingsrecht opweegt tegen de nadelen die de staking - ook voor derden - meebrengt. Naar het oordeel van het Gerecht was de staking reeds om die laatste reden - het belang van de staking weegt niet op tegen de nadelen - onrechtmatig. Daargelaten de vraag naar de gerechtvaardigdheid en de haalbaarheid van de eisen van ABVO, is niet aannemelijk geworden dat nader beraad en nader overleg niet zinvol was. Dit, alsmede de evidente nadelige en potentieel zelfs catastrofale gevolgen van een staking door brandweerlieden, had ABVO moeten weerhouden van het oproepen tot een staking. Het oproepen tot een staking en het voortzetten daarvan moet als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Rechtens was staking in dit geval geen toelaatbaar middel om de standpunten van ABVO kracht bij te zetten.

2.7

Tot een bevel aan ABVO zoals door het Land gevorderd heeft het in dit kort geding niet hoeven komen. Ter zitting is immers afgesproken dat ABVO het personeel zou oproepen het werk te hervatten en dat het overleg tussen het Land en ABVO zou worden voortgezet.

2.8

ABVO heeft verzocht het Land in de proceskosten te veroordelen, omdat, samengevat, het Land zonder aanmaning en waarschuwing tot het instellen van dit kort geding is overgegaan en omdat van een staking geen sprake was.

2.9

Dit laatste argument is hiervoor reeds verworpen: het neerleggen van het gebruikelijke werk voor overleg met de vakbond, waardoor, naar aannemelijk is geworden, brandweerposten onderbezet waren of zelf gesloten werden, komt neer op een staking. Het spoedeisend belang van het Land bij de ingestelde vordering was daarmee gegeven.

2.10

Juist is wel dat het Land rauwelijks tot indiening van het kort geding is overgegaan, en ABVO niet eerst heeft gesommeerd het personeel op te roepen weer aan het werk te gaan. Doorgaans heeft dit als consequentie dat - indien de gedaagde dadelijk met de vordering instemt - de proceskosten als nodeloos gemaakt voor rekening van de eiser komen. Tegen de achtergrond van de urgentie van deze zaak en ook gelet op de aanvankelijke betwisting door ABVO ter zitting dat er iets aan de hand was, ligt het niet in de rede het Land in de proceskosten te veroordelen.

2.11

Bij het procesverloop, het oordeel over de onrechtmatigheid van de staking en de ter zitting getroffen regeling, past een compensatie van proceskosten zoals in het dictum van dit vonnis omschreven.

3 De beslissing

Het Gerecht,

rechtdoende in kort geding

3.1

verstaat dat niet meer beslist hoeft te worden op de vorderingen van het Land;

3.2

compenseert de kosten van dit kort geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.