Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:344

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
555.00058/18, 555.00203/18 (ttz gevoegd) en 555.00057/15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grootschalige oplichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 555.00058/18, 555.00203/18 (ttz gevoegd) en 555.00057/15 (TUL)

Uitspraak: 24 augustus 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op

24 augustus 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw,

mr. M.O. Gomes, advocate in Curaçao.

Aan de verdachte is op 15 augustus 2018 een aparte dagvaarding met parketnummer 555.00203/18 in persoon betekend. Het Gerecht beveelt ter terechtzitting in het belang van het onderzoek voeging van de op deze dagvaarding afzonderlijk aangebrachte zaak.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14], [benadeelde 15], [benadeelde 16] en [benadeelde 17], is ter terechtzitting door mr. G.C.A. Scheperboer-Parris, advocaat in Curaçao, een vordering tot schadevergoeding ingediend.

De benadeelde partij [benadeelde 18] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. E. de Groot, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Haar vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen uitgaande van het opgenomen bedrag in de tenlastelegging en de oplegging van een bij de toewijsbare vorderingen behorende schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft bewijsverweren en een strafmaatverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging en na een ter terechtzitting toegewezen nadere omschrijving van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

Dagvaarding met parketnummer 555.00058/18:

(oplichting meermalen gepleegd)

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode december 2017 tot en met januari 2018 te Curaçao, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een/die ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) opzettelijk, een of meerdere van de hierna te noemen personen (18) heeft bewogen tot afgifte van een of meerdere geldbedragen, te weten:

1. [benadeelde 1] [toevoeging benadeelde 1]  totaal Naf. 6.000,-, te weten: NAF. 2.000,- en/of NAF. 4.000,-, althans enig geldbedrag, en/of

2. [ [benadeelde 2] (woning te Juan Domingo)  totaal NAF. 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 4.000,- althans enig geldbedrag en/of,

3. [ [benadeelde 3](woning te Mahuma)  totaal NAF. 1.000,- althans enig geldbedrag, en/of

4. [ [benadeelde 4] (woning [adres 1])  totaal Naf. 1.000,- althans enig geldbedrag, en/of,

5. [ [benadeelde 5] (woning te Gosieweg)  totaal Naf. 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 4000,- althans enig geldbedrag, en/of,

6. [ [benadeelde 6] ( woning te Mexicoweg)  totaal Naf. 1.000,- althans enig geldbedrag en/of

7. [ [benadeelde 7] ( woning Orchillaweg)  totaal NAF. 9.500,- te weten: NAF. 2.000,- en/of NAF. 5.000,- en/of NAF. 2.500,- althans enig geldbedrag en/of,

8. E. Sainlus (woning te Sun Valley)  totaal 5.345,- te weten: NAF. 2000,- en/of NAF. 5.000,- en/of NAF. 2.500,- NAF. 345,- althans enig geldbedrag en/of,

9. [ [benadeelde 9] (woning Hispanolaweg)  totaal NAF. 4.000,- te weten: NAF 1.500,- en NAF 2.500,-, althans enig geldbedrag en/of,

10. [ [benadeelde 10] (woning te Mahuma)  totaal 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 4.000,- althans enig geldbedrag en/of,

11. [ [benadeelde 11] (woning te Maishiweg)  totaal 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 2.500,- en/of NAF. 2.500,- althans enig geldbedrag en/of,

12. [ [slachtoffer 1] (woning te Orchillaweg)  totaal NAF. 3.830,- te weten: NAF. 650,- en/of NAF. 3.180,- althans enig geldbedrag en/of

13. [ [benadeelde 12] (woning te Androsweg)  totaal 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 2.500,- en/of NAF. 1.500,- althans enig geldbedrag en/of

14. [ [benadeelde 13] (woning te Orchillaweg)  totaal 1.000,- althans enig geldbedrag en/of,

15. [ [benadeelde 14] (woning te Blenchiweg)  totaal 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 2.500,- en/of NAF. 1.500,- althans enig geldbedrag en/of,

16. [ [benadeelde 15] (woning te [adres 2])  totaal 5.000,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 2.500,- en/of NAF. 1.500,- althans enig geldbedrag en/of,

17. [ [benadeelde 16] (woning te Juan Domingo)  totaal 4.500,- te weten: NAF. 1.000,- en/of NAF. 1.800,- en/of NAF. 700,- en/of NAF. 800,- en/of NAF. 200,- althans enig geldbedrag en/of,

18. [ [benadeelde 17] (woning te Maishiweg)  totaal NAF. 5.500,- te weten NAF. 1.000,- en/of NAF. 4.000,- en/of NAF 500,-, althans enig geldbedrag en/of

19. J. Louis Enel (woning te Mahuma)  totaal NAF. 1.000,-, althans enig geldbedrag,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen aldaar op één of meer tijdstippen in of omstreeks voornoemde periode met voren omschreven oogmerk zakelijk weergegeven (telkens) opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

 tegen (een of meerdere) voornoemde personen gezegd:

- dat zij [alias 1 verdachte] of [alias 2 verdachte] heet, en/of

- dat zij een woning te koop heeft (gelegen te Juan Domingo en/of Mahuma en/of [adres 1 en/of adres 2] en/of Gosieweg en/of Mexicoweg en/of Orchillaweg en/of in de wijk Sun Valley en/of Hispanolaweg en/of Maishiweg en/of Androsweg en/of Blenchiweg), en/of

- dat zij deze woning(en) uit een erfenis van haar vader heeft verkregen, en/of,

- dat voor het reserveren van de woning (een of meerdere) geldbedrag(en) (als hierboven genoemd) moest(en) worden betaald en/of op een de rekening (van een notaris) moest(en) worden overgemaakt, en/of

- dat een persoon genaamd [persoon 1] zou zorgen voor de verdere afhandeling, en/of

 borden met “for sale” bij (een of meerdere van) voornoemde woning(en) gezet, en/of

 bezichtigingen geregeld bij (een of meerdere van) voornoemde woning(en),

waardoor (een of meerdere van) voornoemde perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

(Artikel 2:305 Wetboek van Strafrecht)

Dagvaarding met parketnummer 555.00203/18:

oplichting

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode oktober 2017 – februari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een/die ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, opzettelijk [benadeelde 18] heeft bewogen tot afgifte van totaal Naf. 3.100,- te weten: 2.500,- en/of NAF. 600,-, althans enig geldbedrag,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen aldaar op één of meer tijdstippen in of omstreeks voornoemde periode met voren omschreven oogmerk zakelijk weergegeven (telkens) opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (wetende dat [benadeelde 18] voornoemd dringend een woning nodig had),

  • -

    tegen die [benadeelde 18] gezegd dat zij een woning te Juan Hato te koop had en/of woning aan de [adres 3] voor huurkoop had, en/of

  • -

    die [benadeelde 18] een rondleiding in die woning(en) heeft gegeven, en/of

  • -

    tegen die [benadeelde 18] gezegd dat NAF 2.500,- overgemaakt moest worden voor notariskosten, alsmede NAF 600,- als voorschot voor de eerste maand,

waardoor [benadeelde 18] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n) en/of aangaan tot bovenvermeld inschuld;

(Artikel 2:305 Wetboek van Strafrecht).

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande:

Dagvaarding met parketnummer 555.00058/18:

dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode december 2017 tot en met januari 2018 te Curaçao, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een/die ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) opzettelijk, een of meerdere van de hierna te noemen personen (18) heeft bewogen tot afgifte van een of meerdere geldbedragen, te weten:

1. [benadeelde 1] [toevoeging benadeelde 1] totaal NAf 6.000,-, te weten: NAf 2.000,- en/of NAf 4.000,-, althans enig geldbedrag, en/of,

2. [benadeelde 2]woning te Juan Domingo)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 4.000,- althans enig geldbedrag en/of,

3. [ [benadeelde 3](woning te Mahuma)  totaal NAf 1.000,- althans enig geldbedrag, en/of,

4. [ [benadeelde 4] (woning [adres 1])  totaal NAf 1.000,- althans enig geldbedrag, en/of,

5. [ [benadeelde 5] (woning te Gosieweg)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 4000,- althans enig geldbedrag, en/of,

6. [ [benadeelde 6] (woning te Mexicoweg)  totaal NAf 1.000,- althans enig geldbedrag, en/of,

7. [ [benadeelde 7] (woning Orchillaweg)  totaal NAf 7.500,- te weten: NAf 2.000,- en/of NAf 1.500,- en/of NAf 1.500,- en/of NAf 2.500,- althans enig geldbedrag en/of,

8. [ [benadeelde 8] (woning te Sun Valley)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 4.000,- en/of NAF. 2.500,- NAF. 345,- althans enig geldbedrag en/of,

9. [ [benadeelde 9] (woning Hispanolaweg)  totaal NAf 4.000,- te weten: NAf 1.500,- en NAf 2.500,-, althans enig geldbedrag en/of,

10. [ [benadeelde 10] (woning te Mahuma)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 4.000,- althans enig geldbedrag en/of,

11. [ [benadeelde 11] (woning te Maishiweg)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 1.500,- en/of NAf 2.500,- althans enig geldbedrag en/of,

12. [ [slachtoffer 1] (woning te Orchillaweg)  totaal NAf 3.180,- te weten: NAF. 650,- en/of NAf 3.180,- althans enig geldbedrag en/of,

13. [ [benadeelde 12] (woning te Androsweg)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 2.500,- en/of NAf 1.500,- althans enig geldbedrag en/of,

14. [ [benadeelde 13] (woning te Orchillaweg)  totaal NAf 1.000,- althans enig geldbedrag en/of,

15. [ [benadeelde 14] (woning te Blenchiweg)  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 2.500,- en/of NAF. 1.500,- althans enig geldbedrag en/of,

16. [ [benadeelde 15] (woning te [adres 2])  totaal NAf 5.000,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAF. 2.500,- en/of NAf 1.500,- althans enig geldbedrag en/of,

17. [ [benadeelde 16] (woning te Juan Domingo)  totaal NAf 4.500,- te weten: NAf 1.000,- en/of NAf 1.800,- en/of NAf 700,- en/of NAf 800,- en/of NAf 200,- althans enig geldbedrag en/of,

18. [ [benadeelde 17] (woning te Maishiweg)  totaal NAf 5.500,- te weten NAf 1.000,- en/of NAf 4.000,- en/of NAf 500,-, althans enig geldbedrag en/of,

19. [ [slachtoffer 2] (woning te Mahuma)  totaal NAf 1.000,-, althans enig geldbedrag,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen aldaar op één of meer tijdstippen in of omstreeks voornoemde periode met voren omschreven oogmerk zakelijk weergegeven (telkens) opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

 tegen (een of meerdere) voornoemde personen gezegd:

- dat zij [alias 1 verdachte] of [alias 2 verdachte] heet, en/of

- dat zij een woning te koop heeft (gelegen te Juan Domingo en/of Mahuma en/of [adres 1 en/of adres 2] en/of Gosieweg en/of Mexicoweg en/of Orchillaweg en/of in de wijk Sun Valley en/of Hispanolaweg en/of Maishiweg en/of Androsweg en/of Blenchiweg), en/of

- dat zij deze woning(en) uit een erfenis van haar vader heeft verkregen, en/of,

- dat voor het reserveren van een woning (een of meerdere) geldbedrag(en) (als hierboven genoemd) moest(en) worden betaald en/of op een de bankrekening (van een notaris) moest(en) worden overgemaakt, en/of

- dat een persoon genaamd [persoon 1] zou zorgen voor de verdere afhandeling, en/of

borden met “for sale” bij (een of meerdere van) voornoemde woning(en) gezet, en/of

 bezichtigingen geregeld bij (een of meerdere van) voornoemde woning(en),

waardoor (een of meerdere van) voornoemde perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

Dagvaarding met parketnummer 555.00203/18:

dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode oktober 2017 – februari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een/die ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, opzettelijk [benadeelde 18] heeft bewogen tot afgifte van totaal NAf 3.100,- te weten: NAf 2.500,- en/of NAf 600,-, althans enig geldbedrag,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen aldaar op één of meer tijdstippen in of omstreeks voornoemde periode met voren omschreven oogmerk zakelijk weergegeven (telkens) opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (wetende dat [benadeelde 18] voornoemd dringend een woning nodig had),

  • -

    tegen die [benadeelde 18] gezegd dat zij een woning te Juan Hato te koop had en/of een woning aan de [adres 3] voor huurkoop had, en/of

  • -

    die [benadeelde 18] een rondleiding in de woning(en) aan de [adres 3] heeft gegeven, en/of

  • -

    tegen die [benadeelde 18] gezegd dat NAf 2.500,- overgemaakt moest worden voor notariskosten, alsmede NAf 600,- als voorschot voor de eerste maand,

waardoor [benadeelde 18] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n) en/of aangaan tot bovenvermeld inschuld.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1 De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Met betrekking tot parketnummer 555.00058/18.

1. benadeelde 1] deed op 7 februari 2018 aangifte. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Ik kwam via een kerkgenoot in contact met [verdachte]. Zij vertelde dat haar vader in 2016 was overleden en dat hij een bedrijf en enkele woningen had, welke hij aan haar en haar twee zusters heeft achtergelaten. Daar zij en haar zusters financieel de woningen niet konden onderhouden, wilden ze de woningen verkopen. Op 20 december 2017 had ik een afspraak met [verdachte] gemaakt en haar op haar woonadres, aan de [adres], ontmoet. Zij stelde zich voor als [alias 1 verdachte] en vertelde mij dat als ik in aanmerking voor de woning wil komen, ik een bedrag van NAf 1.000,00 contant moest betalen en NAf 4.000,00 op de rekening van notaris Kleinmoedig moest overmaken. Ik heb op dat moment NAf 2.000,00 betaald. [verdachte] gaf mij een kwitantie, het bankrekeningnummer en telefoonnummer van voornoemde notaris. Daar ik graag de woning wilde kopen, heb ik op 22 december 2017 NAf 4.000,00 overgemaakt.

Op 23 december 2017 ging ik naar het woonadres van [verdachte] en verzocht haar mijn geld terug te geven. Zij wilde mij mijn geld niet teruggeven. Zij vertelde mij dat de notaris een cheque moest uitschrijven en dat zij vervolgens deze voor mij zal verzilveren bij de bank. In de periode van 5 januari 2018 tot en met 25 januari 2018 heb ik diverse afspraken met [verdachte] gemaakt teneinde mijn geld terug te krijgen, maar ze kwam telkens niet opdagen.” 2

2. benadeelde 2] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Ik kwam via een kerkgenoot in contact met [verdachte]. Op 20 december 2017 ging ik naar de woning van [verdachte], aan de [adres]. Zij vertelde mij dat ze bij een bank werkte. In gesprek met haar hadden wij het over de verkoop van een woning. Haar vader was in 2016 overleden en ze was niet geïnteresseerd in de woning. Ze wilde deze verkopen. Ik vertelde haar dat ik de woning wilde kopen. [verdachte] vertelde mij dat ik moest wachten totdat de huidige bewoners de woning zouden verlaten en dat ik daarbij NAf 1.000,00 contant moest betalen en binnen vier dagen NAf 4.000,00 op de rekening van de notaris moest overmaken. Ze heeft mij een woning in de wijk Juan Domingo getoond. Ik heb NAf 1.000,00 contant aan haar gegeven en kreeg van haar een kwitantie. Op 21 december 2017 heb ik NAf 4.000,00 op de door haar opgegeven bankrekeningnummer overgemaakt. Ik zag later op het stortingsbewijs dat het bankrekeningnummer niet van een notaris was, maar van [verdachte] zelf.

Op het moment dat ik van mijn kerkgenoten heb vernomen dat [verdachte] hen heeft opgelicht wilde ik mijn geld terug, maar ik werd door [verdachte] van het kastje naar de muur gestuurd. Sinds 21 december 2017 kon ik haar niet meer bereiken.” 3

3. benadeelde 3] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een kennis de vrouw, die later bleek te zijn [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik had van haar vernomen dat zij een woonhuis gelegen te Mahuma voor NAf 80.000,00 te koop had. Daar ik veel interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] de woning bezichtigen. Om de woning voor mij te reserveren heb ik NAf 1.000,00 aan haar overhandigd.

Toen ik verder ging informeren over de woning, vernam ik dat de woning voor NAf 320.000,00 te koop stond en de verkoop daarvan niet door [verdachte] geschiedde. Ik heb haar daarmee geconfronteerd en zij verwees mij naar [persoon 1] te Pos Cabai Office.” 4

4. benadeelde 4] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Ik kwam via een kerkgenoot in contact met [verdachte]. Zij vertelde mij dat ze samen met twee zussen eigenaar was van de woning aan het adres [adres 1]. Ik was geïnteresseerd in de woning en ben op 28 december 2017 naar het woonadres van [verdachte], aan de [adres], gegaan. Ze vertelde mij dat haar vader in 2016 was overleden en dat de woning van haar vader was. Zij vertelde dat zij samen met haar zussen erfgenamen waren van de woning en dat zij bereid waren om de woning te verkopen. Ik vertelde [verdachte] dat ik de woning wilde bekijken en ze vertelde mij dat zij de woning voor mij kan vasthouden nadat ik NAf 1.000,00 heb betaald. Ik heb haar op dat moment NAf 1.000,00 gegeven. Vervolgens gingen [verdachte] en ik naar de woning. Daar aangekomen vertelde [verdachte] dat de woning op dat moment bewoond was en dat de bewoners binnenkort de woning moesten verlaten. Zij vertelde mij dat ik later, in de namiddag, de woning samen met haar kon bekijken, omdat zij de huissleutel moest regelen.

Ik ken toevallig de bewoners van de woning en ben later naar de woning teruggegaan. De bewoners vertelden mij dat zij niet wisten dat zij de woning moesten verlaten en dat [verdachte] niet de eigenaar van de woning was. Ik wilde mijn geld terug en ik kwam later er achter dat andere kerkgenoten ook de dupe waren van [verdachte]. Enkelen werden door [verdachte] naar makelaar [persoon 1] gestuurd, omdat [persoon 1] ons moest betalen.” 5

5. benadeelde 5] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017, heb ik via een nicht de vrouw, die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Gosieweg, voor NAf 75.000,00 te koop had. Daar ik veel interesse had in het kopen van een woonhuis, ging ik met [verdachte] voormelde woning bezichtigen. Ik betrad de woning samen met [verdachte] vergezeld door de huurder van de woning. Om voormelde woning voor mij te reserveren heeft [verdachte] mij bewogen om haar NAf 1.000,00 te geven.

Op een andere dag moest ik met [verdachte] naar een zekere [persoon 1] bij een kantoor te Pos Cabai Office Park gaan voor verdere afhandeling van de verkoop. Aldaar werd ik te woord gestaan door [persoon 1], wie mij heeft aangezegd dat dit serieus was, reden waarom ik NAf 4.000,00 op de bankrekening van [verdachte] heb gestort.” 6

6. benadeelde 6] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Ik ben via een kennis in contact gekomen met [verdachte]. [verdachte] vertelde mij dat zij een woning van haar overleden vader aan het verkopen was. Haar vader was in 2016 overleden en hij had drie kinderen. Zij waren niet geïnteresseerd in de woning en waren de woning aan het verkopen. Daar ik al jarenlang op zoek was naar een woning raakte ik geïnteresseerd. [verdachte] heeft mij op 28 december 2017 bij haar woonadres, aan de [adres], uitgenodigd om over de aanbetaling van de woning te praten. Zij overtuigde mij om een aanbetaling van NAf 1.000,00 te doen. Ik heb op 28 december 2017 NAf 1.000,00 contant aan [verdachte] gegeven. Zij gaf mij een kwitantie. Vervolgens ging ik samen met haar de woning bezichtigen. Het betrof een bouwvallige woning aan de Mexicoweg. Sinds 28 december 2018 heb ik [verdachte] niet meer aan de telefoon getroffen. [verdachte] heeft aan enkele kerkgenoten verteld dat het geld bij makelaar [persoon 1] was en dat [persoon 1] ons zal betalen.” 7

7. benadeelde 7] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een nicht van mij de vrouw, die later bleek te zijn [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Orchillaweg, voor NAf 60.000,00 te koop had. Daar ik veel interesse had in het kopen van een woonhuis, ging ik met [verdachte], de woning bezichtigen. Ik zag bij de woning een ‘te koop’ reclamebord met opschrift “Salas Real Estate”staan. [verdachte] heeft mij toen bewogen om haar NAf 2.000,00 te geven om de woning voor mij te reserveren. Op een andere dag ging ik naar [persoon 1] bij een kantoor te Pos Cabai Office Park. Ik heb nog NAf 5.000,00 en daarna NAf 2.500,00 op de bankrekening van [verdachte] gestort.” 8

8. benadeelde 8] deed op 7 februari 2018 aangifte. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Ik heb via een kennis een telefoonnummer van [verdachte] gekregen omdat ik geïnteresseerd was in een woning. Op 18 december 2017 kwam [verdachte] naar mijn woonadres en zij heeft mij er van overtuigd dat ik een aanbetaling van NAf 1.000,00 moest doen en NAf 4.000,00 op een bankrekening moest storten, indien ik in aanmerking voor een woning wilde komen. [verdachte] vertelde mij dat de woning van haar overleden vader was. Ik heb NAf 1.000,00 contant aan haar gegeven en NAf 4.000,00 op de door haar opgegeven bankrekening overgemaakt. Ik kreeg een kwitantie van haar. We reden naar de woning die zij aan mij wilde verkopen in de woonwijk Sun Valley. Zij vroeg NAf 85.000,00 voor de woning.

Toen ik [verdachte] belde en haar vroeg om mijn geld omdat ik de situatie niet vertrouwde, vertelde zij mij dat ik op haar moest wachten. Ik heb sindsdien nooit meer iets van haar gehoord.” 9

9. benadeelde 9] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via de echtgenote van mijn broer de vrouw, die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Hispanolaweg, voor NAf 95.000,00 te koop had. Zij vertelde mij dat de woning aan haar zus, wie in Bonaire woonachtig is, toebehoord, reden waarom zij niet over de huissleutels beschikte. Daar ik veel interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] de woning bezichtigen. [verdachte] heeft me toen bewogen om haar NAf 1.000,00 te geven om de woning voor mij te reserveren. Ik kreeg een bankrekeningnummer van [verdachte] om geld op te storten, als huurkoop van de woning. Ik heb op de bankrekening van [verdachte] NAf 1.500,00 en NAf 2.500,00 gestort. Toen ik [verdachte] confronteerde verwees zij mij naar [persoon 1].” 10

10. benadeelde 10] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een kennis, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Mahuma, voor NAf 99.000,00 te koop had. Zij vertelde dat de woning aan haar zus, wie in Bonaire woonachtig is, toebehoord, reden waarom zij niet over de huissleutels beschikte. Daar ik veel interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] de woning bezichtigen. Zij heeft mij toen bewogen om haar eerst NAf 1.000,00 te betalen om de woning te reserveren. Ik kreeg een bankrekeningnummer om geld op te storten als huurkoop voor de woning. Ik heb NAf 4.000,00 op de bankrekening van [verdachte] gestort. Toen ik [verdachte] confronteerde verwees zij mij naar [persoon 1].” 11

11. Op 27 februari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 1] het volgende gerelateerd:

“Op 26 februari 2018, nam ik, verbalisant, contact op met [benadeelde 10], die mij vertelde dat het opgelichte bedrag NAf 5.000,00 bedraagt.” 12

12. benadeelde 11] deed op 7 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een kennis, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Maishiweg, voor NAf 140.000,00 te koop had. Zij vertelde dat de woning aan haar overleden vader toebehoord, doch dat zij samen met twee zussen wie woonachtig zijn in Aruba en Bonaire, eerst voor de overdacht van de woning aan mij moest tekenen. [verdachte] heeft mij bewogen om haar eerst NAf 1.000,00 te geven om de woning voor mij te reserveren. Ik kreeg bankrekeningnummers om geld op te storten, als huurkoop van de woning. Ik heb in totaal NAf 5.000,00 op de bankrekening van [verdachte] gestort. Op het moment dat ik merkte dat het niet goed ging, ben ik naar de notariskantoor te Santa Rosaweg gegaan, waar ik een keer met [verdachte] naartoe ben geweest. [verdachte] verwees mij toen naar [persoon 1].” 13

13. slachtoffer 1] deed op 8 februari 2018 aangifte. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Op 3 december 2017 leerde ik via een kennis, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Orchillaweg, voor NAf 140.000,00 te koop had. Zij vertelde dat de woning aan haar zus toebehoord, dat haar zus in Aruba woonachtig is en dat zij eerst moest tekenen voor de overdacht van de woning aan mij. [verdachte] heeft mij bewogen om haar eerst NAf 650,00 te geven om de woning voor mij te reserveren. Ik kreeg een bankrekeningnummer om geld op te storten, als huurkoop, van de woning. Ik heb in totaal NAf 3.180,00 op de bankrekening gestort. Op het moment dat ik merkte dat het niet goed ging, begon ik van [verdachte] mijn geld terug te eisen. Zij vertelde mij telkens een ander verhaal.” 14

14. benadeelde 12] deed op 9 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een vriend van mij, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Androsweg 12 en 13, voor NAf 80.000,00 te koop had. Daar ik interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] de woning bezichtigen. Ik zag dat de woning bewoond was en ik kreeg een rondleiding van [verdachte] en de bewoner. [verdachte] heeft mij toen bewogen om haar NAf 1.000,00 te geven om de woning voor mij te reserveren. Op een andere dag ging ik naar [persoon 1] bij een kantoor te Pos Cabai Office Park. Ik heb nog NAf 2.500,00 en daarna NAf 1.500,00 gestort.” 15

15. benadeelde 13] deed op 9 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een vriend van mij, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Orchillaweg, voor NAf 75.000,00 te koop had. Daar ik interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] de woning bezichtigen. Ik zag dat de woning bewoond was. [verdachte] heeft mij toen bewogen om haar NAf 1.000,00 te geven om de woning voor mij te reserveren.” 16

16. benadeelde 14] deed op 9 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik bij de ingang van Alves Supermarkt, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Blenchiweg, voor NAf 70.000,00 te koop had. Daar ik interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] naar de kantoor van [persoon 1] te Pos Cabai, waar [verdachte] de sleutels van de woning ging ophalen. Hierna gingen wij de woning bezichtigen. Ik zag dat de woning bewoond was en ik kreeg een rondleiding van [verdachte] en de bewoner. [verdachte] heeft mij toen bewogen om haar NAf 1.000,00 te geven om de woning voor mij te reserveren. Op een andere dag ging ik naar het kantoor van [persoon 1]. Ik heb nog NAf 2.500,00 en daarna NAf 1.500,00 gestort.” 17

17. benadeelde 15] deed op 15 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 kwam ik via een kennis in contact met [verdachte]. [verdachte] vertelde mij dat zij bepaalde woningen aan het verkopen was, maar dat ik eerst een geldbedrag moest betalen. Ik heb [verdachte] op haar woonadres, aan de [adres], ontmoet en raakte geïnteresseerd in de door haar aangeboden woning aan de [adres 2]. [verdachte] vertelde mij dat zij de woning voor NAf 75.000,00 zal verkopen. Ik heb op 13 december 2017 NAf 1.000,00 contant betaald. Ik heb een kwitantie van [verdachte] ontvangen en samen met haar de woning bezichtigd. [verdachte] vertelde mij dat ik nog NAf 2.500,00 moest betalen en dat dit bedrag op een bankrekeningnummer gestort moest worden indien ik spoedig in aanmerking wilde komen voor de woning. Ik heb op 15 december 2017 NAf 2.500,00 overgemaakt. Op 21 december 2017 heb ik NAf 1.500,00 contant aan [verdachte] overhandigd nadat zij tegen mij heeft gezegd dat ik bepaalde urgentie op de woning zou krijgen. Ik tracht sedert januari 2018 [verdachte] te bereiken zonder het gewenste resultaat.” 18

18. benadeelde 16] deed op 15 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een kennis [verdachte] leren kennen. Ik ben naar haar woonadres, aan de [adres], gegaan en ze bood mij een woning in de woonwijk Juan Domingo aan. Het aanbod voor de woning was NAf 80.000,00 onder voorwaarde dat ik NAf 1.000,00 contant zou betalen en NAf 4.000,00 op haar bankrekening zou storten. Op 20 december 2017 heb ik NAf 1.000,00 aan [verdachte] gegeven, nadat zij mij er van had overtuigd dat ik in aanmerking zou komen voor de woning. Ik heb een kwitantie van haar ontvangen. Op 27 december 2017 heb ik NAf 1.800,00 en op 28 december 2017 NAf 700,00 op haar bankrekening gestort. Op 5 januari 2018 heb ik NAf 800,00 en tenslotte op 10 januari 2018 NAf 200,00 op haar rekening gestort. Sedert 10 januari 2018 heb ik geen contact meer met [verdachte] kunnen krijgen.” 19

19. benadeelde 17] deed op 20 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand december 2017 heb ik via een vriend van mij, de vrouw die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een in aanbouw zijnde woonhuis, gelegen te Mahumaweg, voor NAf 65.000,00 te koop had. Daar ik interesse had in het kopen van een woonhuis ging ik met [verdachte] de woning bezichtigen. [verdachte] heeft mij toen bewogen om haar NAf 1.000,00 te geven om de fundering van de woning voor mij te reserveren. Ook bood zij mij een woonhuis te Maishiweg te Mahuma aan. Ik trachtte mijn geld terug te krijgen en werd door [verdachte] naar [persoon 1] verwezen.” 20

20. slachtoffer 2] deed op 22 februari 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Ik kwam via een landgenoot in contact met [verdachte]. Op 19 januari 2018 ging ik samen met mijn landgenoot naar het woonadres van [verdachte] aan de [adres]. Zij vertelde mij dat zij een woning in de woonwijk Mahuma voor een bedrag van NAf 150.000,00 wilde verkopen. Zij vertelde mij dat haar vader was overleden en dat zij enkele woningen van hem heeft geërfd. Zij vertelde dat indien ik geïnteresseerd was in de woning ik NAf 1.000,00 voor de woning moest betalen. Wij gingen de woning bezichtigen. Ik zag dat de woning in aanbouw was. Ik besloot [verdachte] NAf 1.000,00 te betalen. [verdachte] gaf mij een kwitantie en vertelde dat ik tevens NAf 4.000,00 op de bankrekening van de notaris moest overmaken, opdat de notaris de procedure kon opstarten.” 21

Met betrekking tot parketnummer 555.00203/18.

21. benadeelde 18] deed op 1 maart 2018 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“In de maand oktober 2017 heb ik een vrouw, die zich als [alias 2 verdachte] voorstelde, die later bleek te zijn, [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte]), leren kennen. Ik heb van haar vernomen dat zij een woonhuis, gelegen te Juan Hato, te koop had. Later ging ze met mij mee en wees mij een andere woning gelegen aan de [adres 3] aan voor het bedrag van NAf 600,00 per maand, als huurkoop tot een maximaal van 20 jaren. Daar ik op 1 november 2017 in het huwelijk zou treden en veel interesse had in een woonhuis, ging ik met haar akkoord en kreeg een rondleiding. Zij heeft mij toen bewogen om haar NAf 2.500,00, te betalen voor notariskosten en nog NAf 600,00 als voorschot voor de eerste maand.” 22

22.De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

“Ik weet dat ik een strafbaar feit heb gepleegd. Het klopt dat ik tegen de mensen heb gezegd dat ik een huis te koop had en dat ik geld heb aangenomen voor de verkoop van het huis. Er staan echter geen huizen op mijn naam. Het klopt dat ik de mensen een aanbetaling heb laten doen en ze geld heb laten overmaken. Het bedrag van NAf 1.000,00 dat ze aan mij hebben gegeven heb ik gebruikt.” 23

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte enkel een geldbedrag van aangevers [benadeelde 11] (het Gerecht begrijpt: [benadeelde 11]) en [benadeelde 14] (het Gerecht begrijpt: [benadeelde 14]) heeft geleend en hun geen woning te koop heeft aangeboden. Ten aanzien van deze aangevers dient derhalve vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

Schakelbewijs

De tenlastelegging is opgebouwd uit een reeks van verschillende verdenkingen van oplichting. Iedere afzonderlijke verdenking vloeit voort uit een aparte aangifte. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient voor iedere aangifte aan het bewijsminimum te zijn voldaan. Bij iedere aangifte, met uitzondering van die waarop het verweer zich richt, wordt dit minimum gehaald door de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte. Daarnaast maakt het Gerecht voor het bewijs gebruik van steunbewijs in de vorm van het zogenaamd schakelbewijs. Aldus wordt ook voor de twee aangevers waar het vrijspraakverweer zich op richt voldaan aan het bewijsminimum. Ter nadere toelichting geldt het volgende.

Uit de rechtspraak vloeit voort dat het gebruik van schakelbewijs toelaatbaar is, mits de feiten soortgelijk zijn in de zin dat steeds dezelfde verdachte betrokken is en diens ‘modus operandi’ bij het ten laste gelegde feit op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met de gang van zaken bij andere bewezenverklaarde feiten, waarvoor een ‘volle’ bewijsconstructie voorhanden is. De sterke mate van overeenkomst in de voor de verdachte telkens kenmerkende manier van handelen, kan dan door middel van schakeling worden gebruikt om ten aanzien van bepaalde feiten - waarvoor bijvoorbeeld alleen een aangifte voorhanden is - te voldoen aan de bewijsminimumregel als bedoeld in artikel 385, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - het ‘unus testis nullus testis’ beginsel - en om de bewijsconstructie voor dat feit rond te krijgen.

Naar het oordeel van het Gerecht is in alle zaken sprake van een soortgelijk patroon van handelen dat voor de verdachte kenmerkend is. De verdachte is steeds volgens een bepaalde wijze te werk gegaan, waarbij haar gedragingen over het geheel beschouwd een herkenbaar patroon vormen in een steeds gelijksoortige context. Alle zaken vertonen op essentiële punten belangrijke overeenkomsten ten aanzien van de feitelijke gang van zaken. Immers is er telkens sprake van het afhandig maken van een geldbedrag door het slachtoffer, in strijd met de waarheid, te vertellen dat de verdachte - uit hoofde van een erfenis van haar vader - de beschikking heeft over een woning. Deze woning biedt ze vervolgens te koop aan, waarbij het slachtoffer de mogelijkheid krijgt om de woning te bezichtigen en voor verdere afhandeling wordt verwezen naar een notaris en/of makelaar. Het geld dat als ‘voorschot’ voor het reserveren van de woning betaald wordt, krijgt het slachtoffer niet meer terug. De woning wordt niet geleverd. De verklaringen van de aangevers zijn gedetailleerd, komen met elkaar overeen en worden bovendien ondersteund door de door de verdachte uitgeschreven kwitanties en/of stortingsbewijzen van de bank en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat ze het geld heeft ontvangen en dat ze de aangevers, tot op de dag van de terechtzitting, niet heeft terugbetaald.

Deze vaste manier van werken is ook gevolgd bij aangevers [benadeelde 11] en [benadeelde 14]. De stelling van de verdachte, dat het in hun geval ging om een lening en niet om oplichting, wordt dan ook als niet geloofwaardig gepasseerd.

Samenweefsels van verdichtsels

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de verdachte steeds heeft gehandeld volgens een bepaald vast patroon waaruit een criminele intentie kan worden afgeleid. De verdachte heeft telkens veelal bekenden van elkaars kerkgenootschap en/of familieleden - waarvan de meesten van [land van afkomst] afkomst zijn -, door onwaarheden geld afhandig gemaakt. De verdachte heeft telkens specifieke mededelingen gedaan over de wijze waarop de daarvoor benodigde betaling voor reservering en/of huurkoop van een woning zou moeten plaatsvinden, terwijl zij in werkelijkheid de betalingen voor zichzelf aanwendde. Dit patroon van handelen en de steeds gelijksoortige context waarin de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden, levert oplichting op. De uitlatingen van de verdachte jegens de aangevers zijn in onderling verband en samenhang bezien eveneens aan te merken als een samenweefsel van verdichtsels, omdat de mededelingen die ze deed steeds meerdere onwaarheden bevatten.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van de zaken met parketnummer 555.00058/18:

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:305 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 555.00203/18:

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:305 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Oplichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte valt te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Gerecht neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele weken schuldig gemaakt aan oplichting van tientallen personen. Het totale schadebedrag loopt in de tienduizenden guldens. De meeste slachtoffers waren van [land van afkomst] afkomst en niet bekend op Curaçao, waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt. De verdachte heeft de slachtoffers woningen in het vooruitzicht gesteld en zij werden hierdoor bewogen om tot duizenden guldens aan de verdachte te betalen. De verdachte is steeds op geraffineerde wijze te werk gegaan. Een eerdere veroordeling wegens oplichting, waar de verdachte voor in de proeftijd zat, heeft de verdachte er niet van weerhouden om haar oplichtingspraktijken, onverminderd op te pakken. Dit weegt mee als strafverzwarende omstandigheid. Het Gerecht acht het handelen van de verdachte schokkend en zorgelijk.

Het Gerecht houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bij de verdachte is er sprake van een antisociale persoonlijkheid met een ziekelijke leugenachtigheid. De pyschiater G.E. Matroos acht de verdachte (enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar en de kans op recidive wordt verhoogd aanwezig geacht. Ook de reclassering acht de kans op recidive hoog. De hulpverleningsmogelijkheden zijn gering, omdat de verdachte behandelingen vroegtijdig stopt.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding

De benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14], [benadeelde 16], [benadeelde 17], [benadeelde 15] (geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats]), [benadeelde 19] en [benadeelde 18] hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Het Gerecht stelt vast dat de aangevers [slachtoffer 1], [benadeelde 15] (geboren op [geboortedatum] 1964) en [slachtoffer 2] zich niet hebben gevoegd als benadeelde partij.

De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 7],

[benadeelde 8] en [benadeelde 18] gedeeltelijk betwist. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte een bedrag van NAf 7,500,00 van [benadeelde 7], een bedrag van NAf 5.000,00 van [benadeelde 8], een bedrag van NAf 4.000,00 van

[benadeelde 9] en een bedrag van NAf 3.100,00 van [benadeelde 18] heeft ontvangen. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering van personen die niet op de tenlastelegging voorkomen dienen te worden afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3],

[benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14], [benadeelde 16], [benadeelde 17] en [benadeelde 18] als gevolg van de door de verdachte bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade hebben geleden als na te melden in het dictum. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Gerecht is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9] en [benadeelde 18] slechts tot het bewezenverklaarde bedrag kan worden toegewezen. De benadeelde partijen kunnen, voor zover hun vordering hoger is, daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Gerecht is voorts van oordeel dat de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 15] (geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats]) en [benadeelde 19] niet kan worden toegewezen, omdat hun vermeende schade geen deel uitmaakt van de bewezenverklaring. De benadeelde partijen kunnen daarom niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Gerecht ziet aanleiding om met betrekking tot de toe te wijzen vorderingen een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Ten aanzien van de door de raadsvrouw van de benadeelde partijen,

mr. G.C.A. Scheperboer-Parris, adcovaat in Curaçao, gemaakte kosten, wijst het Gerecht de kosten, tot op heden begroot op NAf 5.000,00, toe als proceskosten en veroordeelt de verdacht in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 2 oktober 2015 in de zaak met parketnummer 555.00057/15 heeft het Gerecht te Curaçao de verdachte ter zake van oplichting, meermalen gepleegd, en medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op 3 jaren bepaald onder - voor zover hier van belang - de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het Gerecht zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

Nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is het Gerecht van oordeel dat de tenuitvoerlegging van deze straf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 48 (achtenveertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

ten aanzien van de benadeelde partijen:

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 6.000,00 (zegge: zesduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 6.000,00 (zegge: zesduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 3]geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3]de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 5] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 6] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 7] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 7] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 8] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 8] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 9] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 4.000,00 (zegge: vierduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 9] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 4.000,00 (zegge: vierduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien versande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 10] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 10] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 12] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 12] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 16] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 2.700,00 (zegge: tweeduizendzevenhonderd gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 16] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 2.700,00 (zegge: tweeduizendzevenhonderd gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 18] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 3.100,00 (zegge: drieduizendhonderd gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 18] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 3.100,00 (zegge: drieduizendhonderd gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 12], [benadeelde 16] en [benadeelde 18] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 11] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 11] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 13] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 13] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 14] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 14] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [benadeelde 17] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 5.500,00 (zegge: vijfduizendvijfhonderd gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 17] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 5.500,00 (zegge: vijfduizendvijfhonderd gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf. 1.000,00 (zegge: duizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt, voor iedere hiervoor toegewezen vordering en opgelegde schadevergoedingsmaatregel, dat indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan het Land, daarmee haar verplichting tot betaling aan de betreffende benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de betreffende benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 15] en [benadeelde 19] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten, tot op heden begroot op NAf. 5.000,00 (zegge: vijfduizend gulden), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 555.00057/15 bij vonnis d.d. 2 oktober 2015 van dit Gerecht voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, te weten 12 (twaalf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters, bijgestaan door

R.A. Caupain, (zittingsgriffier), en op 24 augustus 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 19 februari 2018, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2018004768_181500/AMB en de onderzoeksnaam “Un Biaha Mas”.

2 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 7-11 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie en een stortingsbewijs van Maduro & Curiel’s Bank N.V.

3 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 12-15 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie en een stortingsbewijs van Maduro & Curiel’s Bank N.V.

4 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 16-18 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie.

5 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 19-22 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie.

6 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 23-25 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie en een stortingsbewijs van RBC Royal Bank.

7 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 26-29 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie.

8 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 30-33 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie en drie stortingsbewijzen van RBC Royal Bank.

9 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 34-37 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie en een stortingsbewijs van RBC Royal Bank.

10 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 38-41 in combinatie met een kopie van een stortingsbewijs van Maduro & Curiel’s Bank N.V. en een stortingsbewijs van RBC Royal Bank.

11 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 42-45 in combinatie met een kopie van een stortingsbewijs van Maduro Curiel’s Bank N.V.

12 Aanvullend proces-verbaal d.d. 27 februari 2018, los stuk.

13 Proces-verbaal d.d. 7 februari 2018, bijlage 1, pagina 46-49 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie, een stortingsbewijs van Maduro & Curiel’s Bank N.V. en een stortingsbewijs van ACU Credit Union.

14 Proces-verbaal d.d. 8 februari 2018, bijlage 1, pagina 50-52.

15 Proces-verbaal d.d. 9 februari 2018, bijlage 1, pagina 53-57 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie, stortingsbewijzen van RBC Royal Bank N.V.

16 Proces-verbaal d.d. 9 februari 2018, bijlage 1, pagina 58-61 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie.

17 Proces-verbaal d.d. 9 februari 2018, bijlage 1, pagina 62-65 in combinatie met een kopie van een stortingsbewijs van ACU Credit Union en een stortingsbewijs van Maduro & Curiel’s Bank N.V.

18 Proces-verbaal d.d. 15 februari 2018, bijlage 1, pagina 66-69 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie, een stortingsbewijs van ACU Credit Union en een stortingsbewijs van Maduro & Curiel’s Bank N.V.

19 Proces-verbaal d.d. 15 februari 2018, bijlage 1, pagina 70-74 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie en stortingsbewijzen van Maduro & Curiel’s Bank N.V.

20 Proces-verbaal d.d. 20 februari 2018, behorend bij het aanvullende proces-verbaal d.d. 27 februari 2018, pagina 3-7 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie, stortingsbewijzen van Maduro & Curiel’s Bank N.V. en een reclame van een aangeboden woning aan de Maishiweg te Mahuma.

21 Proces-verbaal d.d. 22 februari 2018, behorend bij het aanvullend proces-verbaal d.d. 27 februari 2018, pagina 11, in combinatie met kopie van een met de handgeschreven kwitantie.

22 Proces-verbaal d.d. 1 maart 2018, bijlage 1, pagina 135-138 in combinatie met een kopie van een met de handgeschreven kwitantie.

23 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 24 augustus 2018, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.