Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:336

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
500.00269/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

DEF (diefstal geweld, dood tot gevolg, vwp)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 500.00269/17

Uitspraak: 2 augustus 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2017, 16 mei 2018 en 12 juli 2018. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.S.M. Blonk.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. Na de voeging van [benadeelde partij 2] is zij komen te overlijden en is door een medewerker van Slachtofferhulp aan het Gerecht medegedeeld dat haar vordering overgenomen wordt door haar erfgenamen.

De officier van justitie, mr. I. Out, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren met aftrek van voorarrest.

Zijn vordering behelst voorts:

  • -

    de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van NAf 20.000,-, de kosten van executie en de wettelijke rente vanaf 3 april 2017 en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel en de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen overigens is gevorderd;

  • -

    de toewijzing van de vordering van de erven van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van NAf 28.213,33, de kosten van executie en de wettelijke rente vanaf 3 april 2017 en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel en de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen overigens is gevorderd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 april 2017, althans in of omstreeks de maand april 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], en/of [slachtoffer 4] gepleegd door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1], heeft gedwongen tot afgifte van een of meerdere sieraden, in elk geval (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan anderen of een ander dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het alleen en/of met zijn mededaders :

 gewapend en/of gemaskerd, en/of onverhoeds de woning van [slachtoffer 1] binnen te dringen en/of

 bij [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] sieraden van hun lijf wegrukken;

 richten van één of meer vuurwapen op [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], en/of [slachtoffer 4] en/of

 [slachtoffer 4] aanmanen om op de grond te gaan liggen;

 houdende een vuurwapen in zijn/hun handen met [slachtoffer 1] te worstelen (waarbij dat vuurwapen is afgegaan) en/of één of meerdere schoten op [slachtoffer 1] af te vuren

tengevolge van welk bovenomschreven feit [slachtoffer 1] is overleden.

(artikelen 2:288, 2:289, 2:290, 2:291 lid 1/2/3 jo 2:294 lid 1/3 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2

dat hij op of omstreeks 3 april 2017, althans in of omstreeks de periode van april 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 3 april 2017, althans in of omstreeks de maand april 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en [benadeelde partij 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], en/of [slachtoffer 4] gepleegd door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1], heeft gedwongen tot afgifte van een of meerdere sieraden, in elk geval (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan anderen of een ander dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het alleen en/of met zijn mededaders :

 gewapend en/of gemaskerd, en/of onverhoeds de woning van [slachtoffer 1] binnen te dringen en/of

 bij [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] sieraden van hun lijf wegrukken;

 richten van één of meer vuurwapens op [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], en/of [slachtoffer 4] en/of

 [slachtoffer 4] aanmanen om op de grond te gaan liggen;

houdende met een vuurwapen in zijn/hun handen met [slachtoffer 1] te worstelen (waarbij dat vuurwapen is afgegaan) en/of één of meerdere een schoten op [slachtoffer 1] af te vuren

tengevolge van welk bovenomschreven feit [slachtoffer 1] is overleden.

Feit 2

dat hij op of omstreeks 3 april 2017, althans in of omstreeks de periode van april 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad;.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen expliciete landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. Proces-verbaal van bevinding plaats delict, p. 35 en 36, opgemaakt en op 3 april 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten voornoemd:

Op 3 april 2017 omstreeks 10:00 uur werden wij door de centrale meldkamer naar het adres [adres 1] gestuurd voor een geval van beroving met dodelijke afloop. Bij een onderzoek ter plaatse bleek het slachtoffer te zijn genaamd [slachtoffer 1]. Hij vertoonde een schotwond aan de rechterzijde van zijn hals. Door politiearts dr. A.H.E. Maduro werd ter plaatse de dood van het slachtoffer geconstateerd.

2. Proces-verbaal van forensisch onderzoek, los stuk, p. 25 en 26, opgemaakt en op 16 november 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten voornoemd:

Lijkschouwer A.H.E. Maduro heeft vastgesteld dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] een inschot aan de rechterkant van de hals vertoonde en een uitschotwond bij de grens achterhoofd en nek. Op 5 april 2017 is door dr. L. Althaus werkzaam als arts patholoog bij ADC sectie verricht op [slachtoffer 1]. De sectie werd door ons, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6], bijgewoond. Het intreden van de dood kon worden verklaard door een letsel aan de ruggengraat in combinatie met verbloeding. De verwondingen zijn veroorzaakt door perforatie van een kogel.

3. Proces-verbaal van aangifte, p. 37 t/m 39, opgemaakt en op 3 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 2], voor zover inhoudende als de op 3 april 2017 afgelegde verklaring van [benadeelde partij 1]:

Op 3 april 2017 was ik met mijn zoon [roepnaam slachtoffer 2] van vijf jaar (het Gerecht begrijpt [slachtoffer 2]) bij mijn ouders (het Gerecht begrijpt op het adres [adres 1]). Ik was in de kamer bij mijn moeder. Plotseling hoorde ik lawaai in de woonkamer. Ik deed de kamerdeur open en werd door de dader met een pet op aangevallen. Met zijn ene hand duwde hij mij in het gezicht en stootte mijn hoofd verschillende keren tegen de muur. Hij zei luidkeels en meerder malen tegen mij: “geef mij geld, geef mij goud.” Hij heeft mijn gouden ketting en mijn gouden armband weggerukt. Later merkte ik dat hij ook mijn gouden oorbellen had weggenomen. Er waren nog meer daders. Ik zag dat mijn beide zonen onder bedreiging van een vuurwapen in de woonkamer werden gehouden. Toen ze weggingen hoorde ik een schot van een vuurwapen. Toen ik naar de achterporch ging zag ik mijn vader op de grond liggen in een plas bloed.

4. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 43 en 44, opgemaakt en op 24 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 7], voor zover inhoudende als de op 24 april 2017 afgelegde verklaring van [benadeelde partij 2]:

Van mijn echtgenoot [slachtoffer 1] hebben ze een gouden ketting, een gouden horloge en een gouden armband weggenomen.

5. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 45 t/m 47, opgemaakt en op 3 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 8], voor zover inhoudende als de op 3 april 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik sliep bij mijn grootouders in de woning gelegen te [adres 1]. Op een gegeven moment hoorde ik geluiden alsof men met elkaar aan het worstelen was. Ik stond op om te kijken wat er gaande was. Ik zag dat twee gemaskerde mannen met mijn grootvader aan het worstelen waren. Beiden waren in het bezit van een zwart vuurwapen. Ik zag nog een andere man zonder gezichtsbedekking. Hij droeg een rood/blauwe pet op zijn hoofd. De man met de pet liep met snelle passen in mijn richting. Een van de andere daders gaf mijn vijfjarige broertje die in de woning rondliep een stoot ter hoogte van zijn hoofd en een van hen richtte zijn vuurwapen in mijn richting. Mijn oom die vanuit zijn slaapkamer kwam werd door een van de daders gemaand om op de grond te gaan liggen. Opeens hoorde ik knallen van een vuurwapen. Kort hierna zag ik de daders uit de woning wegrennen en ik zag dat een grijze Toyota Vitz vanuit het erf met hoge snelheid wegreed. Ik liep naar de porch en zag mijn grootvader die op de vloer lag.

6. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 48 t/m 53, opgemaakt en op 3 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9], voor zover inhoudende als de op 3 april 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 4]:

Op 3 april 2017 lag ik omstreeks 10:00 uur te slapen bij mijn ouders op het adres [adres 1]. Ik hoorde een harde klap. Toen ik de slaapkamerdeur open deed zag ik [roepnaam slachtoffer 3] in mijn richting komen rennen. Achter hem zag ik een man met een vuurwapen in zijn hand. Hij richtte het vuurwapen op [roepnaam slachtoffer 3] en rende achter [roepnaam slachtoffer 3] aan in mijn richting. De man zei tegen mij dat ik op de grond moest gaan liggen, wat ik ook deed. Toen ik later opstond laadde de man het vuurwapen door en zei met dreigende stem dat ik op de grond moest gaan liggen. Ik hoorde dat mensen aan het rennen waren en ik hoorde twee a drie schoten van een vuurwapen. Ik rende naar buiten en zag een licht grijze Toyota/Vitz de achtertuin uitrijden. De ruiten van de auto waren zeer donker tot zwart getint. Op dat moment begreep ik dat het om een beroving ging. Ik ging terug naar binnen en zag mijn vader in een plas bloed lag. Ik pakte een vuurwapen, rende naar buiten en schoot twee keer op de Toyota Vitz.

7. Proces-verbaal van verhoor van bedreigde getuige H41 in juli 2017, met bijlagen, p. 143 t/m 156, opgemaakt door mr. S.M. Christiaan, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, voor zover inhoudende als verklaring van deze getuige:

De NLS heeft twee kopstukken. De verhouding binnen de Army is als volgt: [bijnaam 1], [bijnaam 2], [bijnaam 3], [bijnaam 4], [bijnaam medeverdachte 1], [bijnaam 5] en [bijnaam verdachte] ([bijnaam verdachte]).

Aan mij wordt fotoblad 9 getoond en aan mij wordt gevraagd wie de persoon is die op het fotoblad te zien is. Dat is [bijnaam medeverdachte 1]. [medeverdachte 1].

Aan mij wordt foto blad 10 getoond en aan mij wordt gevraagd wie de persoon is die op het fotoblad te zien is. Dat is [bijnaam verdachte], alias [bijnaam verdachte].

Aan mij wordt fotoblad 11 getoond en aan mij wordt gevraagd wie de persoon is die op het fotoblad te zien is. Dat is [bijnaam medeverdachte 2].

[bijnaam verdachte], [bijnaam medeverdachte 2], de zwager van [bijnaam medeverdachte 2] en [bijnaam 4] hebben mij afzonderlijk over de atrako te [adres 1] verteld. Hun verhaal komt met elkaar overeen. [bijnaam medeverdachte 1], [bijnaam verdachte] en [bijnaam medeverdachte 2] zijn betrokken bij de overval op de [adres 1]. Ze hadden geld nodig. Ze wisten dat de man van [adres 1] in geldbonnen handelde en geld in de woning had. Ze waren twee keer langs de woning gereden. [bijnaam medeverdachte 2] fungeerde als chauffeur. Hij was onder invloed van drugs. [bijnaam medeverdachte 1] is als eerste naar binnen gegaan, met een ‘[wapenmerk 1] lachi largu’. [bijnaam verdachte] volgde met een [wapenmerk 2]. [bijnaam medeverdachte 2] is in de auto blijven zitten. Kort nadat ze binnen waren gekomen begon [bijnaam medeverdachte 1] te worstelen met die oude man. Omdat het te lang duurde is [bijnaam medeverdachte 2] op een gegeven moment zelf ook naar binnen gegaan. Hij begon met een dame te vechten en heeft geprobeerd haar ketting los te rukken. [bijnaam medeverdachte 2] zag en hoorde dat [bijnaam medeverdachte 1] opeens een schot loste op de man. [bijnaam medeverdachte 1] zat onder het bloed en heeft de ketting van de oude man gepakt. [bijnaam 4] heeft bevestigd dat [bijnaam medeverdachte 1] degene is die de oude man heeft doodgeschoten. Na het schot zijn ze gevlucht. [bijnaam medeverdachte 1] had zijn gezichtsbedekking eraf gehaald. [bijnaam medeverdachte 2] had alleen een pet op. [bijnaam verdachte] had wel zijn hele gezicht bedekt. Het was onmogelijk hem op de beelden te herkennen.

De zoon van de oude man is tijdens de overval een vuurwapen gaan halen en heeft meerdere keren op de auto geschoten. Het was een Toyota Vitz. [bijnaam medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte] zaten achterin de auto. [bijnaam medeverdachte 2] had de auto van zijn zwager ([bijnaam zwager medeverdachte 2]) geleend. De zwager wist niet dat ze de auto gingen gebruiken voor een overval.

8. Eigen waarneming van de rechter:

Ik herken de persoon op fotoblad 9, pagina 154 van het dossier, als de verdachte [medeverdachte 1].

Ik herken de persoon op fotoblad 10, pagina 155 van het dossier, als de verdachte [verdachte].

Ik herken de verdachte op fotoblad 11, pagina 156 van het dossier, als de verdachte [medeverdachte 2].

9. Een proces-verbaal bevinding camerabeelden [adres 1], met bijlagen, p. 62 t/m 67, opgemaakt en op 13 april 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 10], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

De camerabeelden afkomstig van de camera’s te [adres 1] zijn in beslag genomen. Op de beelden is (onder meer) het volgende te zien.

Er zijn drie verdachten te zien. Verdachte VE1 draagt lichtkleurige schoenen, hij heeft een bruinkleurige broek en een blauwe jack met op de schouders drie witte strepen. Hij draagt handschoenen en hij heeft een witkleurig shirt/doek om zijn hoofd heen. Hij heeft een donkerkleurig vuurwapen in zijn hand.VE2 draagt wit met donkerkleurige schoenen, heeft een donkere lange broek en heeft een blauwkleurige trui aan met de capuchon over zijn hoofd. Hij heeft een zwart shirt/doek over zijn gezicht en een donkerkleurig vuurwapen in zijn hand. VE3 draagt rood met wit kleurige schoenen, heeft een blauwkleurige lange spijkerbroek aan en een blauwkleurige blouse met lange mouwen. Hij draagt een donkerkleurige pet met rode klep.

08:29:36: Een grijs kleurige Toyota Vitz komt vanuit de camerapositie gezien vanaf de rechterzijde aangereden en rijdt de oprit door naar de achterzijde van de woning.

08:29:54: Voornoemd voertuig rijdt achteruit de oprit af en verdwijnt in dezelfde richting als waar hij vandaan kwam.

09:08:28: Voornoemde Vitz rijdt voorbij de woningen de richting van [straatnaam 1] en slaat de [straatnaam 1] in.

09:10:08: Voornoemde Vitz komt vanuit de [straatnaam 1] en rijdt de oprit van de woning op door naar de achterzijde van de woning.

09:10:25: VE2 stapt als eerste links achter uit het voertuig. VE1 stapt als tweede rechtsachter uit het voertuig. Beiden lopen in de richting van de achterporch.

09:10:30: VE1 en VE2 trekken een vuurwapen en richten deze op de bewoner die op de achterporch bezig is.

09:10:31: VE3 stapt als derde rechtsvoor uit als bestuurder en loopt ook richting de achterporch.

09:10:31: VE1 loopt als eerste de achterporch op en VE2 volgt.

09:10:38: VE1 en VE2 zijn bezig met de bewoner en VE3 komt ook de achterporch op.

09:10:42: een persoon komt vanuit de woning de achterporch op en VE2 richt zijn vuurwapen op deze persoon, waardoor deze persoon weer naar binnen gaat. VE2 en VE3 lopen achter deze persoon aan.

09:10:44: VE1 is nog steeds bezig met de bewoner op de achterporch.

09:11:01: VE1 richt nog steeds zijn vuurwapen op hem.

09:11:28: de bewoner zoekt toenadering tot VE1 en er volgt een worsteling.

09:11:31: In de deur/hekopening van de achterporch is te zien dat de bewoner op de grond valt en dat er tegelijkertijd een grote rode vlek ontstaat op de muur ernaast.

10. Proces-verbaal van forensisch onderzoek, los stuk, p. 2 en 17, opgemaakt en op 16 november 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten voornoemd:

Op de videobeelden die zijn opgenomen door de beveiligingscamera’s van het huis [adres 1] is te zien dat de verdachte die het dodelijke schot heeft afgevuurd een pistool in handen heeft. Wat opviel op de videobeelden is dat het pistool dat hij hanteerde een extra lange patroonhouder heeft. Dit is kenmerkend voor pistolen van het merk “[wapenmerk 1]”. Aan de hand van de uiterlijke vorm van het pistool is te zien dat dit pistool zeer waarschijnlijk een pistool van het merk “[wapenmerk 1]” kan zijn.

11. Proces-verbaal van verhoor [ naam zwager medeverdachte 2], p. 126 t/m 131, opgemaakt en op 19 mei 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 12], voor zover inhoudende als verklaring van [naam zwager medeverdachte 2]:

Ik word [bijnaam zwager medeverdachte 2] genoemd. Mijn Toyota Vitz werd door mijn zwager bijgenaamd [bijnaam medeverdachte 2] gebruikt als vluchtauto bij de dodelijke roofoverval bij [adres 1].

12. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 290 t/m 295, opgemaakt en op 13 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 8], voor zover inhoudende als de op 13 april 2017 afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte 2]:

Mijn bijnaam is [bijnaam medeverdachte 2]. Op 3 april 2017, de dag van de beroving met dodelijke afloop te [adres 1], trad ik op als bestuurder van de grijze Vitz. Ik was samen met twee andere mannen. Zij zaten achterin.

13. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 300 t/m 303, opgemaakt en op 15 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 11], voor zover inhoudende als de op 15 april 2017 afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte 2]:

Toen ik de auto tot stilstand had gebracht bij de [adres 1] zodat de andere twee mannen uit de auto konden stappen, had ik gezien dat de een in het bezit was van een zwart pistool en de ander had een zwarte [wapenmerk 1]. Ze hadden deze vuurwapens ook in de woning in hun bezit. Toen ik uit de auto stapte en naar binnen liep bleef ik in de woonkamer van de woning staan. Binnen zag ik een bejaarde persoon. Er waren ook een kindje, een ander kind en een vrouw.

14. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 309 t/m 313, opgemaakt en op 22 april 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 7], voor zover inhoudende als de op 22 april 2017 afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte 2]:

Ik heb tegen een dame in de woning gelegen te [adres 1] gezegd dat ze haar mond dicht moest houden. Ik was onder invloed van alcohol en drugs. Ik heb geprobeerd haar gouden ketting weg te rukken.

15. Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 423 t/m 426, opgemaakt en op 8 juni 2017 gesloten en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 8], voor zover inhoudende als de op 8 juni 2017 afgelegde verklaring van de verdachte:

Mijn kennissen en familieleden noemen mij [bijnaam verdachte].

Bewijsoverwegingen

De verklaring van de bedreigde getuige H41:

Het Gerecht stelt voorop dat ingevolge artikel 385, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de verklaring van deze getuige alleen als bewijsmiddel gebezigd mag worden indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.

De bedreigde getuige heeft zijn informatie uit vier verschillende bronnen, waaronder de verdachte en een medeverdachte. De verklaring van de getuige komt overeen met hetgeen te zien is op de beelden, maar daarnaast geeft de getuige in zijn verklaring informatie die als daderwetenschap kan worden aangemerkt, namelijk wat zich in de woning heeft afgespeeld en wat niet op de beelden te zien is. Zo heeft de getuige verklaard dat [bijnaam medeverdachte 2] (opmerking Gerecht: verdachte [medeverdachte 2]) onder invloed was van drugs, dat hij met een dame begon te vechten en heeft geprobeerd haar ketting los te rukken. Dit onderdeel van de verklaring van de getuige wordt ondersteund door de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] en van de aangeefster. Gelet hierop is volgens het Gerecht voldaan aan de voorwaarde dat de verklaring van de getuige belangrijke steun ontleend aan ander gebezigd bewijsmateriaal.

Het Gerecht acht de verklaring van de bedreigde getuige H41 ook overigens betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het Gerecht overweegt daartoe allereerst dat de rechter-commissaris afdoende heeft gemotiveerd waarom de anonimiteit van deze getuige dient te worden gewaarborgd. Voorts is door de rechter-commissaris aangegeven dat de redenen van wetenschap van deze getuige bij haar, de rechter-commissaris, bekend zijn.

Alibi

De verdachte heeft verklaard dat hij op de bewuste ochtend van 3 april 2017 thuis aan het slapen was.2 Zijn vriendin is bij de rechter-commissaris als getuige verhoord3. In het kort heeft zij verklaard dat zij op 3 april 2017 rond 12:30 uur thuis is gekomen van het werk, dat [roepnaam verdachte](het Gerecht begrijpt: de verdachte) toen in bed lag met een bloot bovenlijf en een boxer aan, net zoals zij hem had achtergelaten om 7:00 uur.

Het gerecht overweegt als volgt.

Gelet op het tijdstip van de overval is het Gerecht van oordeel dat de verklaring van de getuige niet uitsluit dat de verdachte de overval kan hebben gepleegd. De verdediging heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:291 juncto artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Diefstal, voorafgaand en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde is zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen, als ten aanzien van het voorhanden hebben van de munitie voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening.

Medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige overval op een woning waarin meerdere personen aanwezig waren, waaronder een kind van vijf jaar oud. De personen zijn bedreigd met een vuurwapen en er is geweld toegepast. Ten gevolge van deze overval is [slachtoffer 1], een man van 69 jaren oud, overleden. Een heftige overval als de onderhavige heeft grote impact op het leven van de betrokken slachtoffers en de nabestaanden. De nabestaanden zullen moeten leren leven met de omstandigheid dat het leven van hun dierbare op een dergelijk brute wijze is geëindigd. Daarnaast schokt een dergelijke overval de samenleving in hoge mate en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid. De verdachte is aan deze gevolgen volledig voorbij gegaan en heeft zich kennelijk louter laten leiden door eigen financieel gewin. Door zijn handelen is de verdachte (mede)verantwoordelijk voor alle schade en ellende die de overval heeft aangericht. Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren passend en geboden.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 40.000,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten om het vonnis te executeren. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij (inmiddels wijlen) [benadeelde partij 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal

NAf 52.025,24, bestaande uit een bedrag van NAf 12.025,24 wegens materiële schade en een bedrag van NAf 40.000,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten om het vonnis te executeren. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Gedurende het strafproces is [benadeelde partij 2] komen te overlijden. Ter terechtzitting van 12 juli 2018 heeft een medewerker van Slachtofferhulp (die namens [benadeelde partij 2] de vordering heeft ingediend) medegedeeld dat de erven van [benadeelde partij 2] de vordering overnemen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1]

Het Gerecht is gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] immateriële schade heeft geleden. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. Vergoeding van deze immateriële schade tot een bedrag van NAf 20.000,00 komt het Gerecht redelijk en billijk voor. Bij het vaststellen van de hoogte van dit bedrag heeft het Gerecht rekening gehouden met de bedragen zoals die in soortgelijke zaken door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zijn toegekend wegens geleden immateriële schade. In zoverre zal dit deel van de vordering dan ook, hoofdelijk, worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient hoofdelijk te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Het Gerecht ziet aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van wijlen [benadeelde partij 2]

Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van een benadeelde partij die zich reeds in het strafgeding heeft gevoegd, de erfgenamen de (proces)positie van benadeelde partij overnemen. Dit betekent dat ook indien degene die zich als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter dient te beslissen op diens vordering. (HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917, Vlg. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105).

Wijlen [benadeelde partij 2] had zich vóór haar overlijden reeds gevoegd in het strafgeding. Het Gerecht dient dus op die vordering te beslissen. De omstandigheid dat zij gedurende het strafproces is overleden, maakt dit niet anders.

Ten aanzien van de immateriële schade:

Gelet op de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat wijlen [benadeelde partij 2] immateriële schade heeft geleden. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. Vergoeding van deze immateriële schade tot een bedrag van NAf 20.000,00 komt het Gerecht redelijk en billijk voor. Bij het vaststellen van de hoogte van dit bedrag heeft het Gerecht rekening gehouden met de bedragen zoals die in soortgelijke zaken door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zijn toegekend wegens geleden immateriële schade. In zoverre zal dit deel van de vordering dan ook, hoofdelijk, worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De erfgenamen van de benadeelde partij kunnen dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de materiële schade:

De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van lijkbezorging en de reiskosten die in verband daarmee zijn gemaakt. Deze kosten komen op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten staan in verband met het bewezenverklaarde feit en de verdachte is daarvoor aansprakelijk. Het Gerecht acht vergoeding van de gevorderde bedragen redelijk en billijk. De vordering zal dan ook, hoofdelijk, worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële en de materiële schade:

De verdachte dient hoofdelijk te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken.

Het Gerecht ziet voorts aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de dertien (13) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 20.000,00 (zegge: twintigduizend gulden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2017, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, met dien verstande dat indien die kosten geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van van NAf 20.000,00 (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2017 tot aan de dag van de voldoening;

bepaalt dat indien en voor zover een van de mededaders van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van in totaal

NAf 32.025,24 (zegge: tweeëndertigduizend en vijfentwintig gulden en 24 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2017, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de erfgenamen de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, met dien verstande dat indien die kosten geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van in totaal NAf 32.025,24 (zegge: tweeëndertigduizend en vijfentwintig gulden en 24 cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 195 (honderdvijfennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2017 tot aan de dag van de voldoening;

bepaalt dat indien en voor zover een van de mededaders van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.J. de Kort, bijgestaan door mr. L.M. Tjong-A-Tjoe, zittingsgriffier, en op 2 augustus 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao opgemaakt d.d. 29 oktober 2017, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 217/17 en de onderzoeksnaam “[ONDERZOEKSNAAM 1]”.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 425.

3 Proces-verbaal verhoor van getuige [naam vriendin verdachte] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 januari 2018.