Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:293

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
CUR201702623
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inmiddels verbroken affectieve relatie. Bepaling definitieve zorgregeling en kinderalimentatie. Uitgebreide berekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Afdeling civiel

Zaaknummer: CUR201702623

Beschikking d.d. 9 mei 2018

Inzake:

[VERZOEKER],

wonende te Curaçao,

verzoeker, tevens verweerder in het zelfstandig verzoek,

hierna ook: de man,

gemachtigde: mr. H.M. van Rossum,

tegen

[VERWEERSTER],

wonende te Curaçao,

verweerster, tevens zelfstandig verzoekster,

hierna ook: de vrouw,

gemachtigde: mr. E. Kleist.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het inleidend verzoekschrift met producties, op 29 mei 2017 ter griffie ingediend;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

  • -

    het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 7 december 2017;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling op 18 januari 2018;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling op 15 februari 2018;

  • -

    de door de gemachtigde van de man overgelegde pleitnotities, met als bijlage een conceptouderschapsplan.

1.2.

De uitspraak is naderhand bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie van partijen zijn geboren de nu nog minderjarige kinderen: [kind 1], geboren op [geboortedatum] [geboorte jaar] te Aruba en [kind 2], geboren op [geboortedatum] [geboorte jaar] te Curaçao (hierna ook: de minderjarigen).

2.2.

De man heeft de minderjarigen erkend en partijen oefenen het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk uit.

2.3.

Ter zitting van 7 december 2017 zijn partijen een voorlopige zorgregeling overeengekomen die, voor zover nu van belang, het volgende inhoudt:

- de man haalt de minderjarigen elke vrijdag van de crèche/school op, waarna zij het weekend bij de man verblijven. Op maandagochtend brengt de man de kinderen weer naar de crèche/school. In de middag haalt de vrouw de kinderen op van de crèche/school en dan verblijven ze de rest van de week bij de vrouw met uitzondering van de woensdag. Op woensdagmiddag haalt de man de kinderen op van de crèche/school om ze na het avondeten weer terug te brengen naar de vrouw.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek van de man, zoals aangevuld ter zitting, strekt tot:

  1. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem;

  2. vaststelling van een zorgregeling inhoudende:

a. primair: dat de minderjarigen van donderdagmiddag na school tot en met maandagochtend bij hem verblijven en vanaf maandagmiddag na school tot donderdagochtend bij de vrouw;

b. subsidiair: de bovenstaande regeling met dien verstande dat de minderjarigen voorts één weekend per maand bij de vrouw verblijven;

c. meer subsidiair: een co-ouderschapsregeling waarbij de minderjarigen de ene week bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw;

vaststelling van een vakantie- en feestdagenregeling zoals vastgelegd in bijlage 1 van het overgelegde conceptouderschapsplan;

voor wat betreft de uitvoering van de zorg- en vakantieregeling door de vrouw: oplegging van de verplichting aan de vrouw om telkens zelf aanwezig te zijn als zij ervoor kiest om de minderjarigen te laten verblijven bij hun oma moederszijde.

3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen (onderdelen van) het verzoek van de man en verzoekt zelfstandig om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van

NAf 400,- per kind per maand.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Hoofdverblijfplaats

4.1.

Ter zitting van 15 februari 2018 heeft de man aangegeven dat hij (alsnog) akkoord gaat met het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw. Het gerecht zal dienovereenkomstig beslissen.

Zorgregeling

4.2.

Het antwoord op de vraag welke zorgregeling moet worden bepaald, blijft partijen verdeeld houden.

4.3.

Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan het Gerecht op verzoek van de ouders of een van hen een zorgregeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.4.

De minderjarigen zijn allebei onder de zes jaar oud. In het algemeen geldt dat het voor dit soort jonge kinderen vaak beter is om regelmatig (een paar keer per week) contact met beide ouders te hebben, dan af en toe een lang contact. De stelling van de man dat de minderjarigen niet in het weekend bij de vrouw zouden moeten verblijven dan wel hooguit één weekend per maand, omdat - zo begrijpt het Gerecht zijn opmerkingen ter zitting – hij beter dan de vrouw in staat is om die (vrije) tijd op een voor de minderjarigen interessante/leuke manier in te vullen, iets wat de vrouw overigens betwist, is weinig overtuigend. Immers, uiteraard hebben kinderen baat bij een aantal vaste basisregels waar ouders het over eens zijn, maar ouders mogen verder best hun eigen opvoedstijl hebben (wat zich onder andere kan uiten in verschillende keuzes voor wat betreft vrijetijdsbesteding). Ieder mens is anders en het is alleen maar goed wanneer kinderen daarmee leren omgaan. Op grond van dit alles vindt het gerecht het voorstel van de vrouw ter zitting van 15 februari 2018 om een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen doordeweeks de eerste helft van de week bij de man verblijven en de tweede helft van de week bij de vrouw en voorts afwisselend om en om het weekend bij de man en de vrouw verblijven, het meest in hun belang.

Vakantie- en feestdagenregeling

4.5.

De vrouw verzet zich niet tegen de door de man voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling, zodat het Gerecht dienovereenkomstig zal beslissen.

Aanwezigheidsplicht

4.6.

Het verzoek van de man tot het opleggen van een aanwezigheidsplicht van de vrouw tijdens bezoeken van de minderjarigen aan (de woning van) oma moederszijde, wordt afgewezen.

De vrouw heeft ter zitting toegezegd dat zij ervoor zorg zal dragen dat de omheining van het terrein waarop de woning van haar moeder staat geen gebreken (meer) vertoont en adequaat wordt afgesloten op de momenten dat de minderjarigen daar verblijven, zodat de minderjarigen niet het risico lopen om in een onbewaakt moment in aanraking te komen met het verkeer op de nabijgelegen weg. Het Gerecht heeft er vooralsnog voldoende vertrouwen in dat de vrouw deze toezeggingen zal nakomen. Dat de broer van de vrouw, die op het terrein van oma moederszijde woont en kampt met een verslavingsverleden, op dit moment een reëel gevaar vormt voor de minderjarigen, heeft de man wel gesteld, maar niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Vooralsnog heeft het Gerecht dan ook geen reden om te twijfelen aan het vermogen en de bereidheid van de vrouw om al het mogelijke te doen om de veiligheid van de minderjarigen te waarborgen gedurende de tijd dat ze onder haar hoede zijn in het kader van de uitvoering van de zorg- dan wel vakantie- en feestdagenregeling; tijd die zij - evenals de man - in beginsel naar eigen inzicht mag invullen.

Kinderalimentatie

4.7.

Ouders zijn op grond van de wet verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen (artikel 1:392 lid 1 BW). artikel 1:395a BW. Uitgangspunt daarbij is dat de ouders naar verhouding van hun draagkracht dienen bij te dragen in die kosten.

4.8.

Nu partijen het samen niet eens worden over de hoogte van die onderhoudsbijdrage, zal die worden vastgesteld door het Gerecht aan de hand van de wettelijke maatstaven.

4.9.

De wettelijke maatstaven voor de bepaling van de omvang van de kinderalimentatie zijn de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) en de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n).

Behoefte

4.10.

De man heeft de behoefte van de minderjarigen aan de hand van het door hem overgelegde kostenoverzicht berekend op een bedrag van NAf 2.355,- per maand.1 De vrouw heeft dit overzicht niet betwist, zodat de behoefte op dit bedrag zal worden vastgesteld.

Draagkracht

4.11.

Bij het bepalen van het aandeel van de man/vrouw in de behoefte van de minderjarigen dient hun draagkracht te worden betrokken.

4.12.

Het Gerecht zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen hun netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen bestaat uit het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies en belastingen. Van dit inkomen gaan de volgende lasten af: een redelijke netto woonlast van 30% van het NBI, het bestaansminimum van

NAf 1.036,- 2 en eventuele andere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten. De netto woonlast, het bestaansminimum en de eventuele andere relevante lasten worden samen het draagkrachtloos inkomen genoemd (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert). Het verschil tussen het NBI en het draagkrachtloos inkomen wordt draagkrachtruimte genoemd. Bij een positieve draagkrachtruimte wordt de onderhoudsplichtige in beginsel in staat geacht om alimentatie te betalen. Van de gevonden draagkrachtruimte wordt slechts een percentage van 70% bestempeld als draagkracht. Deze draagkracht vormt het bedrag dat een onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen missen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde. De beschikbare draagkracht wordt aldus vastgesteld volgens de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + NAf 1.036,- + eventuele niet verwijtbare niet vermijdbare lasten)].

Draagkracht van de man

4.13.

De vrouw heeft gesteld dat het inkomen van de man NAf 3.500,- netto per maand bedraagt. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat zijn nettoloon iets lager ligt, maar nu hij dit verder niet heeft gespecificeerd en/of onderbouwd, gaat het Gerecht aan deze stelling voorbij.

4.14.

Het Gerecht gaat bij het bepalen van de woonlast van de man uit van een redelijke netto woonlast van 30% van het NBI, zijnde NAf 1.050,- (30% van

NAf 3.500,-) per maand.

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat aan de zijde van de man sprake is van extra lasten waarmee het draagkrachtloos inkomen moet worden verhoogd.

4.16.

Het deel van het inkomen van de man dat beschikbaar is voor de onderhoudsverplichting ten behoeve van de minderjarigen wordt dan als volgt berekend:

• 70% [3.500 - (1.050 + 1.036] = (afgerond) NAf 990,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

4.17.

Uit de door de vrouw overgelegde loonstroken blijkt dat haar inkomen (inclusief vakantiegeld) NAf 2.373,00 netto per maand bedraagt.

4.18.

Het Gerecht gaat bij het bepalen van de woonlast van de vrouw uit van een redelijke netto woonlast van 30% van het NBI, zijnde (afgerond) NAf 712,- (30% van

NAf 2.373-) per maand.

4.19.

De door de vrouw opgevoerde maandelijkse lasten ter zake van Aflossing autolening ad NAf 300,-, Kompa Leon Card ad NAf 25,- en VISA Card ad NAf 62,- (USD 35,-) zullen bij de bepaling van de hoogte van de draagkracht van de vrouw worden meegenomen, nu het gaat om niet vermijdbare en niet verwijtbare schulden.

4.20.

Het deel van het inkomen van de vrouw dat beschikbaar is voor de onderhoudsverplichting ten behoeve van de minderjarigen wordt dan als volgt berekend:

• 70% [2.373 - (712 + 1.036 + 387] = (afgerond) NAf 167,- per maand, dus

NAf 83,50 per kind per maand.

Draagkrachtvergelijking

4.21.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt NAf 1.157,00 per maand. Nu dit (fors) minder is dan de behoefte van de minderjarigen hoeft er geen draagkrachtvergelijking te worden gemaakt en moeten partijen conform hun draagkracht in de behoefte van de minderjarigen bijdragen.

Betalingsverplichting

4.22.

Ter zitting heeft de man in het kader van zijn verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw verzocht om te bepalen dat de vrouw wordt verplicht om het bedrag dat zij volgens het Gerecht in de onderlinge verhouding moet bijdragen in de behoefte van de minderjarigen, te betalen aan de man. Hij heeft dit verzoek onderbouwd door te stellen dat hij tijdens de relatie van partijen degene was die de financiën regelde en ook na het verbreken van de relatie halverwege het jaar 2016 tot op heden alles regelt voor de minderjarigen qua financiën. De vrouw heeft die stellingen onvoldoende betwist. Gesteld noch gebleken is dat de man tekortschiet in dit financieel beheer. Hoewel de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen is bepaald bij de vrouw, heeft dat met name symbolische waarde nu de hierna vast te stellen zorgregeling inhoudt dat de minderjarigen in de praktijk ongeveer evenveel bij de man als bij de vrouw zullen verblijven. Het voorgaande brengt mee dat het Gerecht het in het belang van de minderjarigen vindt dat de vrouw kinderalimentatie gaat betalen aan de man en dienovereenkomstig zal beslissen.

Proceskosten

4.23.

De familierechtelijke verhouding tussen partijen is aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw;

5.2.

stelt vast de volgende zorgregeling tussen partijen:

  • -

    week 1: de man haalt de minderjarigen vrijdagmiddag op van de crèche/school. Zij verblijven dan tot woensdagochtend bij de man. Op woensdagochtend brengt de man de minderjarigen naar de crèche/school. In de middag haalt de vrouw de kinderen op en dan verblijven zij tot maandagochtend bij haar. Op maandagochtend brengt de vrouw de minderjarigen naar de crèche/school;

  • -

    week 2: de man haalt de minderjarigen maandagmiddag op van de crèche/school. Zij verblijven dan tot woensdagochtend bij de man. Op woensdagochtend brengt de man de minderjarigen naar de crèche/school. In de middag haalt de vrouw de kinderen op en dan verblijven zij bij haar tot vrijdagochtend. Op vrijdagochtend brengt de vrouw de minderjarigen naar de crèche/school.

5.3.

stelt vast de volgende vakantie- en feestdagenregeling tussen partijen

Vakanties

De vrouw

De man

50%

50%

Zomervakantie: oneven jaren 1e keus

Even jaren: eerste 2 weken

Oneven jaren: laatste 2 weken

Vanaf 5e week zomervakantie treedt de kalenderregeling in.

Zomervakantie: even jaren 1e keus

Even jaren: laatste 2 weken

Oneven jaren: eerste twee weken

Vanaf 5e week zomervakantie treedt de kalenderregeling in.

Herfstvakantie: even jaren 1e keus

Herfstvakantie: oneven jaren 1e keus

Kerstvakantie: oneven jaren 1e keus

Kerstvakantie: even jaren 1e keus

Paasvakantie: even jaren 1e keus

Paasvakantie: oneven jaren 1e keus

Feestdagen

De vrouw

De man

Moederdag: zowel de dag als de daaraan opvolgende nacht

Vaderdag: zowel de dag als de daaraan opvolgende nacht

Verjaardag moeder: zowel de dag als de daaraan opvolgende nacht

Verjaardag vader: zowel de dag als de daaraan opvolgende nacht

Verjaardag kinderen: zowel de dag als de daaraan opvolgende nacht even jaren

Verjaardag kinderen: zowel de dag als de daaraan opvolgende nacht oneven jaren

5.4.

bepaalt dat de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], geboren op [geboortedatum] [geboorte jaar] te Aruba en [kind 2], geboren op [geboortedatum] [geboorte jaar] te Curaçao, een bedrag van NAf 83,50 (drieëntachtig gulden en vijftig cent) per kind per maand zal betalen aan de man, voor wat betreft de hierna te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen vóór de eerste dag van de maand waar de termijn betrekking op heeft;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de kosten van het geding, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, rechter, en op 9 mei 2018 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

Rs

1 Waarbij geldt dat, zoals besproken ter zitting de posten “eten/drinken” en “ontspanning” zijn geëxtrapoleerd naar 7 dagen per week en de post “kapper” is verhoogd met NAf 25,00 naar NAf 50,00 als zijnde de maandelijkse kapperskosten voor beide kinderen.

2 Zoals afgeleid uit de in 2008 gepubliceerde resultaten van het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de berekening van de armoedegrens voor Curaçao, geïndexeerd naar het jaar 2017.