Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:292

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-10-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
CUR201702118
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging overeengekomen kinderalimentatie. Overeenkomst aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven? Uitgebreide berekening”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201702118

Beschikking d.d. 26 oktober 2018

Inzake:

[VERZOEKER],

wonende te Curaçao,

verzoeker,

hierna (ook) te noemen: de man,

gemachtigde: mr. V.S. La Fleur,

tegen

[VERWEERSTER],

wonende te Curaçao,

verweerster,

hierna (ook) te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. M.J. Eisden.

1
1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop van het geding tot 10 april 2018 verwijst het Gerecht naar zijn (tussen)beschikking van die datum.

1.2.

In die beschikking heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de hoofdverblijfplaats van de drie kinderen van partijen (waarvan de oudste inmiddels meerderjarig is) bepaald bij de vrouw, een voorlopige zorgregeling tussen de man en de drie kinderen vastgesteld, een bevel gegeven tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap ten overstaan van de notaris met benoeming van een onzijdig persoon, partijen verlof verleend om kosteloos te procederen en de zaak voor wat betreft het verzoek van de man om vaststelling van een definitieve zorgregeling en het zelfstandig verzoek van de vrouw om kinderalimentatie, aangehouden.

1.3.

Het verdere verloop blijkt uit:

- de brief van 26 juni 2018 van de Voogdijraad Curaçao;

- de akte financiële gegevens van de zijde van de man;

- de akte overlegging financiële gegevens van de zijde van de vrouw;

- de (voortzetting van de) mondelinge behandeling op 17 augustus 2018 en de ter zitting door de gemachtigden van partijen overgelegde schriftelijke pleitnotities;

- de akte DUO-schuld van de zijde van de man

- de akte aanvullende financiële gegevens van de zijde van de vrouw.

1.4.

De uitspraak is naderhand bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Er moet nog worden beslist over de definitieve zorgregeling en de kinderalimentatie.

De definitieve zorgregeling

2.2.

Het oudste kind van partijen is deze maand achttien jaar en dus meerderjarig geworden, zodat er enkel nog een definitieve zorgregeling moet worden vastgesteld tussen de man en de twee minderjarige kinderen van partijen.

De huidige - voorlopige - zorgregeling houdt in dat de minderjarigen om de twee weken vanaf vrijdag na schooltijd tot en met zondag 18.00 uur bij de man verblijven. Partijen zijn het erover eens dat deze zorgregeling goed loopt. Ter zitting is afgesproken dat deze regeling wordt uitgebreid in die zin dat de minderjarigen voortaan om de twee weken vanaf vrijdag na schooltijd tot dinsdagochtend bij de man zullen verblijven. De vrouw zal de minderjarigen op dinsdagochtend ophalen bij de man en naar school brengen. Het Gerecht zal de gemaakte afspraken opnemen in het dictum van deze beschikking.

De kinderalimentatie

2.3.

Vast staat dat de man al enige tijd een totaalbedrag van NAf 450,- per maand betaalt aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun drie kinderen. Bij gebreke van een andersluidende mededeling door partijen beschouwt het Gerecht deze maandelijkse betalingen als zijnde gebaseerd op een (stilzwijgende) overeenkomst tussen hen.

2.4.

In deze procedure stelt de vrouw dat die bijdrage ontoereikend is en verzoekt zij om vaststelling van een door [de man] te betalen kinderalimentatie van NAf 400,- per kind per maand. De man vindt dit te veel, maar heeft wel aangeboden om een bedrag van NAf 200,- per kind per maand te betalen aan de vrouw. Zij heeft dit aanbod niet geaccepteerd, zodat een beslissing van de rechter nodig is.

2.5.

Op grond van artikel 1:404 lid 1 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt.

2.6.

Ingevolge artikel 1:401 vijfde lid BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, als zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Er is sprake van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, als er een duidelijke wanverhouding is tussen de bijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het Gerecht zal hierna de kinderbijdrage berekenen aan de hand van de wettelijke maatstaven en aldus vaststellen of de overeenkomst van partijen in overeenstemming daarmee is gesloten.

2.7.

De wettelijke maatstaven voor de bepaling van kinderalimentatie zijn de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders.

a. Behoefte

2.8.

De vrouw heeft de behoefte van de kinderen aan de hand van het door haar overgelegde kostenoverzicht1 berekend op een bedrag van in totaal NAf 2.975,- per maand. Het Gerecht zal dit overzicht hieronder per punt bespreken.

 Niet betwiste posten

Tussen partijen zijn niet in geschil de opgevoerde maandelijkse posten: verjaardagen kinderen ad. NAf 25,-, kosten van verzorgingsproducten ad. NAf 150,-, kledingkosten ad. NAf 100,-, transportkosten ad. NAf 150,-, woonkosten ad. NAf 787,50 en schoolkosten ad. NAf 37,50, in totaal NAf 1.250,-.

 Opvang

De vrouw stelt dit bedrag op NAf 300,- per maand. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van NAf 50,- per maand. Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw haar stelpost van NAf 300,- onvoldoende onderbouwd, zodat het Gerecht zal uitgaan van het door de man gestelde bedrag van

NAf 50,- per maand.

 Levensmiddelen

De vrouw stelt dit bedrag op NAf 900,- per maand. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met 4/5 deel van dit bedrag. Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw haar stelpost van NAf 900,- onvoldoende onderbouwd, zodat het Gerecht zal uitgaan van het door de man gestelde bedrag van NAf 720,- per maand.

 Water en elektra

De vrouw stelt dit bedrag op NAf 375,- per maand. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van NAf 250,- per maand. Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw haar stelpost van NAf 370,- onvoldoende onderbouwd, zodat het Gerecht zal uitgaan van het door de man gestelde bedrag van

NAf 250,- per maand.

 Internet

De vrouw stelt dit bedrag op NAf 75,- per maand. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van NAf 67,50 per maand.

De stelpost van NAf 75,-- per maand komt het Gerecht niet onredelijk voor. Nu de man zijn betwisting van dit bedrag niet verder heeft onderbouwd, zal het Gerecht rekening houden met het gestelde bedrag van NAf 75,-- per maand.

 Mobiele telefoonkosten

De vrouw stelt dit bedrag op NAf 75,- per maand. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van NAf 25,-- per maand.

De stelpost van NAf 75,-- per maand komt het Gerecht niet onredelijk voor. Nu de man zijn betwisting van dit bedrag niet verder heeft onderbouwd, zal het Gerecht rekening houden met het gestelde bedrag van NAf 75,-- per maand.

2.9.

Uit het voorgaande volgt dat de behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op (1250 + 50 + 720 + 250 + 75 + 75 =) NAf 2.420,- per maand.

b.Draagkracht

2.10.

Partijen moeten naar rato van hun draagkracht bijdragen in de behoefte van de kinderen. Het Gerecht berekent hun draagkracht als volgt. Uitgangspunt is het netto besteedbaar inkomen (NBI). Dit inkomen bestaat uit het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies en belasting. Van dit inkomen gaan de volgende lasten af: een redelijke netto woonlast van 30% van het NBI, het bestaansminimum van NAf 1036,002 en eventuele andere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten. De netto woonlast, het bestaansminimum en de eventuele andere relevante lasten worden samen het draagkrachtloos inkomen genoemd (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert). Het verschil tussen inkomen en draagkrachtloos inkomen wordt draagkrachtruimte genoemd.

Bij een positieve draagkrachtruimte wordt de onderhoudsplichtige in beginsel in staat geacht om kinderalimentatie te betalen. Van de gevonden draagkrachtruimte wordt slechts een percentage van 70% bestempeld als draagkracht. Deze draagkracht vormt het bedrag dat een onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen missen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde. De beschikbare draagkracht wordt aldus vastgesteld volgens de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + NAf 1.036,00 + eventuele niet verwijtbare niet vermijdbare lasten)].

2.11.

Toegepast op de onderhavige zaak betekent dit het volgende. Het NBI van de vrouw wordt bepaald op (afgerond) NAf 1.766 (regulier)3 + NAf 250,- (fooi)4 =

NAf 2.016,- per maand.

2.12.

De vrouw stelt dat bij de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met een schuld van NAf 3.000,- in verband met de huur van een auto. De man is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat de vrouw deze kosten onnodig heeft gemaakt, omdat hij haar eerder een bedrag van NAf 3.000,- heeft betaald voor de aankoop van een auto. De vrouw ontkent dit niet, maar stelt dat dit geldbedrag is gestolen voordat zij tot de aankoop kon overgaan. Volgens de man is maar een klein deel van dit geldbedrag gestolen.

Het Gerecht stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de vrouw ten tijde van de huur van de auto niet (meer) kon beschikken over het totaal verstrekte bedrag van NAf 3.000,-. Het is dan niet onaannemelijk dat het restantbedrag onvoldoende was om een deugdelijke auto te kunnen kopen.

Evenmin staat ter discussie dat de vrouw er belang bij heeft om te kunnen beschikken over een auto om de kinderen goed en veilig te vervoeren. Onder deze omstandigheden wordt de opgevoerde schuld dan ook aangemerkt als een niet verwijtbare niet verwijtbare last.

Terzake van deze schuld zal rekening worden gehouden met een (fictieve) aflossing van NAf 75,- per maand.

2.13.

Het NBI van de man wordt bepaald op (afgerond) NAf 2.927,-5 per maand.

2.14.

De man heeft tegenover de betwisting door de vrouw met het overleggen van het huurcontract van 31 september 2017 in samenhang met de nadere uitleg ter zitting over de reden waarom zijn moeder thans, anders dan voorheen, huur van hem vraagt, welke uitleg het Gerecht niet onaannemelijk voorkomt, in deze procedure voldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk huurlasten heeft. Ter zitting heeft de man verklaard dat de huur, anders dan staat vermeld in het contract, NAf 500,- per maand bedraagt. Nu dit bedrag lager is dan de forfaitaire woonlast zal het Gerecht bij de berekening van de draagkracht van man uitgaan van de feitelijke woonlast. De man heeft ook verklaard dat hij samenwoont met zijn nieuwe partner die recent een eigen bedrijf is gestart. Het ligt voor de hand dat zij daaruit in de nabije toekomst inkomen zal ontvangen. In redelijkheid kan dan van haar worden verwacht dat zij een bijdrage levert in de woonlasten van de man, zodat in de draagkrachtberekening slechts met de helft van de feitelijke woonlast rekening wordt gehouden.

2.15.

De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de maandelijkse aflossing van een schuld bij ACU ad. NAf 284,-, de maandelijkse aflossing van zijn studieschuld bij DUO ad. NAf 860,- en een belastingaanslag ad. NAf 875,- . De vrouw vindt dat deze lasten buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat ze onvoldoende zijn onderbouwd dan wel niet kunnen worden aangemerkt als niet verwijtbaar niet vermijdbaar.

2.16.

Uit het door de man overgelegde rekeningoverzicht van ACU over de maand november 20176 blijkt dat de uitstaande schuld op dat moment NAf 6.576,02 bedroeg en dat de man maandelijks NAf 193,- aflost op deze schuld. De man heeft onweersproken gesteld dat hij deze lening is aangegaan in verband met de aankoop van een auto. Gelet op wat hiervoor onder 2.12 is overwogen over het belang van het kunnen beschikken over een auto op Curaçao, zal met het aflossingsbedrag van

NAf 193,-, als zijnde niet verwijtbaar niet vermijdbaar, rekening worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man. Voor het overige strekken de maandelijkse betalingen aan ACU, voor zover het geen spaarinleg betreft, ter voldoening van kosten die vermijdbaar zijn, zoals de kosten van de uitvaartverzekering, zodat deze lasten buiten beschouwing worden gelaten.

2.17.

Met het overleggen van de nadere stukken7 heeft de man voldoende onderbouwd dat hij – na een eerder ingewilligd verzoek om verlaging van het maandbedrag – met ingang van dit jaar verplicht is om maandelijks een bedrag van (omgerekend) NAf 860,- af te lossen op zijn studieschuld.

Met dit bedrag zal, als zijnde niet verwijtbaar niet vermijdbaar, ook rekening worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man.

2.18.

Het betoog van de man dat voorts rekening moet worden gehouden met de belastingaanslag van NAf 875,- faalt, nu nog niet vast staat dat hij dit bedrag daadwerkelijk zal moeten betalen, gelet op het ingediende bezwaar.

2.19.

Het deel van het inkomen van de vrouw en de man dat beschikbaar is voor de onderhoudsverplichting ten behoeve van hun drie kinderen wordt dan als volgt berekend:

 de vrouw: 70% [2.016 – (605 + 1036 + 75) = 210

 de man: 70% [2.927 – (250 + 1036 +193 + 860] = 412

2.20.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt NAf 621,- per maand. Nu dit fors minder is dan de behoefte van de kinderen hoeft er geen draagkrachtverge-lijking te worden gemaakt en moeten partijen conform hun draagkracht in de behoefte van de minderjarigen bijdragen.

2.21.

Op grond van het voorgaande kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat de overeengekomen kinderalimentatie van NAf 450,- niet is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Dit betekent dat het zelfstandig verzoek van de vrouw zal worden afgewezen. Uiteraard staat het de man vrij om zijn eerdere aanbod gestand te doen en het door hem aan de vrouw maandelijks te betalen bedrag ten behoeve van de kinderen te verhogen van NAf 450,- naar NAf 600,-.

2.22.

De familierechtelijke verhouding tussen partijen is aanleiding om de proceskosten te compenseren.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

stelt vast een definitieve zorgregeling tussen de man en zijn twee jongste kinderen, inhoudende dat:

[kind 1], geboren op [geboorte datum] [geboorte jaar] te Apeldoorn (Nederland) en [kind 2], geboren op [geboorte datum] [geboorte jaar] te Apeldoorn (Nederland) om de twee weken vanaf vrijdag na schooltijd tot dinsdagochtend bij de man zullen verblijven. De vrouw zal de minderjarigen op dinsdagochtend ophalen bij de man en naar school brengen.

3.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, rechter en op 26 oktober 2018 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

1 Zoals opgenomen in de pleitnota van mr. Eisden ten behoeve van de zitting van 17 augustus 2018

2 Zoals afgeleid uit het rapport “Berekening van de armoedegrens voor Curacao” van 17 oktober 2008 en de “Povertyline Curacao by type of Household (ANG per month)”, geïndexeerd tot en met 2017.

3 Op basis van de door de vrouw overgelegde loonstroken van juni 2018 en juli 2018, waarbij geen rekening is gehouden met de ingehouden borg voor kleding.

4 Op basis van de verklaring van de vrouw ter zitting van 17 augustus 2018 dat zij gemiddeld NAf 55,- per week ontvangt aan fooi .

5 Zoals blijkt uit de door de man overgelegde loonstroken die betrekking hebben op de periode november 2017 tot en met april 2018.

6 Productie 5 van de op 14 februari 2018 van de zijde van de man ingediende aanvullende producties.

7 Zoals overgelegd bij de akte DUO-schuld van de zijde van de man.