Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:288

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
CUR201800484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet ongeloofwaardige ontkenning van bestuursorgaan dat het over niet meer stukken beschikt. Eiser moet aannemelijk maken dat dit niet klopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

de stichting [Naam],

eiseres,

gevestigd in Curaçao,

gemachtigde: mr. J.F.A. Silvania, voorzitter van eiseres,

en

de minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.R. Flocker, advocaat.

Procesverloop

Bij brief van 18 januari 2018 (het verzoek) heeft eiseres verweerder verzocht om openbaarmaking van alle op grond van artikel 53 van de Landsverordening voortgezet onderwijs (Lvo; P.B. 1979, no. 29, zoal laatstelijk gewijzigd bij P.B. 2008, no. 84) aan onderwijstellingen verleende aanwijzingen, almede van aan hen op grond van artikelen 3 en 4 van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie (Lsboe; P.B. 2008, no. 37, zoals gewijzigd bij P.B. 2008, no. 84) verleende erkenningen van opleidingen onderscheidenlijk licenties voor het verzorgen van cursussen educatie, alsmede intrekkingsbeschikkingen daarvan en verder heeft eiseres daarbij verzocht om openbaarmaking van het door verweerder gehanteerde beleid ten aanzien van verlening onderscheidenlijk intrekking van aanwijzingen, erkenningen en licenties (alles tezamen: de bestuurlijke aangelegenheid).

Bij beroepschrift van 16 februari 2018 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek.

Bij brief van 22 februari 2018 heeft verweerder een stuk ingestuurd.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 28 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van verweerder werd vergezeld door C. de Witt-Hamer, werkzaam op het betrokken ministerie.

Aldaar is gebleken dat bij brief van 8 februari 2018 in reactie op het verzoek ter zake van de bestuurlijke aangelegenheid stukken bekend zijn gemaakt (de bestreden beslissing). Daarop heeft het Gerecht de verdere behandeling van het beroep aangehouden om met toepassing van artikel 9c van de Lar eiseres in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de bestreden beslissing.

Bij brief van 9 maart 2018 heeft eiseres dat gedaan en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 11 april 2018 heeft verweerder van verweer gediend en nadere stukken ingediend. Bij brief van 23 april 2018 heeft verweerder dit aangevuld en nog een nader stuk overgelegd, te weten een ministeriële beschikking van 24 september 2013, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 53 van de Lvo (het nadere stuk).

Bij brieven van 1 en 14 mei 2018 heeft eiseres nadere reacties en stukken ingediend.

Op 23 mei 2018 is de openbare behandeling van het beroep, nu mede gericht tegen de bestreden beslissing, ter zitting voortgezet in aanwezigheid van de reeds vermelde personen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (de Lob) kan een ieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of tot de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame directies, departementen, diensten, bureaus, secretariaten en instellingen.

Op grond van artikel 6 beslist het bestuursorgaan op het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste drie weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

1.1

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lar wordt met een beschikking gelijkgesteld een weigering om een beschikking te geven. Op grond van het derde lid geldt, wanneer de wettelijke termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven, dat als het weigeren van het geven van een beschikking.

2. Het Gerecht stelt vast dat het verzoek op 22 januari 2018 werd ingediend. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 12 februari 2018 een beslissing op het verzoek had moeten nemen. Vastgesteld moet verder worden dat verweerder bij zijn schrijven van 15 februari 2018, aan eiseres uitgereikt op 20 februari 2018, niet tijdig mededeling heeft gedaan van de verdaging, zodat die als niet gedaan moet worden beschouwd. Dit brengt mee dat verweerder niet tijdig op het verzoek heeft beslist (de fictieve weigering) en dat eiseres daar terecht beroep tegen heeft ingesteld bij het Gerecht. Nu bij de bestreden beslissing, die, naar verweerder ter zitting heeft verklaard, namens hem is genomen, alsnog op het verzoek is beslist en niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij vernietiging van de fictieve weigering, kan het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Wat betreft het beroep gericht tegen de bestreden beslissing overweegt het Gerecht dat verweerder daarna nog het nadere stuk heeft overgelegd, dat ontegenzeggelijk een stuk is dat bij de bestreden beslissing had moeten worden geopenbaard. Gelet daarop is het beroep gegrond en moet de bestreden beslissing, omdat het onvolledig was, worden vernietigd.

4. Om dit geding zoveel mogelijk finaal te beslechten zal het Gerecht bezien of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden beslissing in stand te laten. Daarvoor is aanleiding als aangenomen kan worden dat verweerder verder geen stuk(ken) over de bestuurlijke aangelegenheid onder zich heeft, waarover eiseres nog niet beschikt.

4.1

Indien een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document of bepaalde documenten niet (meer) bij hem berust(en) en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document of die documenten toch bij dat bestuursorgaan berust(en).

4. De mededeling ter zitting van verweerder dat hij geen andere documenten over de bestuurlijke aangelegenheid waarop het verzoek betrekking heeft meer onder zich heeft, dan die eiseres thans reeds in haar bezit heeft, komt het Gerecht niet ongeloofwaardig voor.

Verweerder heeft wat betreft het beleid op navolgbare wijze uitgelegd dat en waar de betrokken, gehanteerde normen, voor zover nog niet aan eiseres ter beschikking gesteld, over de bestuurlijke aangelegenheid in de regelgeving zijn vastgelegd. Eiseres heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat er ter zake nog ander beleidsstukken zouden (moeten) zijn.

Wat betreft ministeriële beschikkingen aan individuele onderwijsinstellingen over de bestuurlijke aangelegenheid heeft verweerder evenzeer een navolgbare uitleg gegeven over de toepassing van relevante wetsbepalingen ter verklaring waarom in de door eiseres vermelde gevallen geen beschikkingen nodig waren en ook niet zijn genomen. De omstandigheid, waarop eiseres nog wijst, dat op een website van een onderwijsinstelling informatie staat die suggereert dat er ter zake een ministeriële beschikking zou moeten zijn genomen, vormt verder onvoldoende grond om het door eiseres aannemelijk gemaakt te achten dat verweerder ten onrechte ontkent daarover een beschikking te hebben genomen. Een onjuiste vermelding op de website acht het Gerecht waarschijnlijker.

5. De slotsom is dat er geen grond is om te oordelen dat verweerder nog stukken over de bestuurlijke aangelegenheid onder zich heeft, die bij eiseres nog niet bekend zijn. Bij die stand van zaken behoeft verweerder niet opnieuw op het verzoek te beslissen en kunnen de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden beslissing in stand worden gelaten.

6. Nu niet is gebleken van voor vergoeding daarvan in aanmerking komende kosten aan de zijde van eiseres, bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Het Gerecht zal het Land Curaçao opdragen de door eiseres voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, aan haar te vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen de fictieve weigering niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden beslissing gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden beslissing;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing in stand kunnen blijven en dat verweerder aldus niet opnieuw op het verzoek behoeft te beslissen;

  • -

    draagt het Land op het betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig Nederlands-Antilliaanse guldens) aan eiseres te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2018 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.