Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:286

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
CUR201700185
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke gezinsband is verbroken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[Naam]

verblijvend buiten Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. G.C.A. Scheperboer-Parris, advocaat,

en

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mrs. K. Leito-Rosario en A. Irausquin, beiden werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 23 augustus 2016, op 31 augustus 2016 per post aan eiser verzonden, heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel gezinsvorming/gezinshereniging afgewezen (de afwijzende beslissing).

Bij beschikking van 23 februari 2017 heeft verweerder ongegrond verklaard de door eiser tegen de afwijzende beslissing gemaakte bezwaren (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 22 augustus 2018 plaatsgevonden. Voor eiser is daar zijn gemachtigde verschenen. Verweerder is bij zijn gemachtigden verschenen.

Overwegingen

1

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Curaçao toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister van Justitie worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

1.1

Op grond van het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1966, no. 17), zoals gewijzigd en het Toelatingsbesluit (P.B. 1985, no. 57) zoals gewijzigd, van juni 2006 (de HI) is onder paragraaf 3.2.2 bepaald dat indien de vreemdeling niet eerder is toegelaten, dan zal niet-inwilligen van de aanvraag in beginsel geen inmenging in het familie- of gezinsleven opleveren. Hier geldt dat de vreemdelingen hun familieleven in hun land van herkomst kunnen voortzetten en dat een ander land niet verplicht kan worden op basis van artikel 8 EVRM gezinshereniging toe te laten. In een dergelijk geval dient alleen bezien te worden of er voor de Nederlandse Antillen (lees: Curaçao) een positieve verplichting bestaat de aanvraag tot toelating in te willigen, om zodoende de vreemdeling in staat te stellen het familie- of gezinsleven in Curaçao voort te zetten.

Bij de HI is voorts onder paragraaf 4.10 bepaald dat het uitgangspunt is dat op het moment de moeder c.q. de vader de kinderen achterlaat de feitelijke gezinsband wordt geacht te zijn verbroken. Heeft de scheiding van ouders en kind langer geduurd dan 5 jaar, dan wordt aangenomen dat de gezinsband is verbroken. Paragraaf 4.11 bepaalt dat kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en meerderjarig zijn (18 jaar) dienen te worden toegelaten, mits is aangetoond dat het kind nog studerend is en financieel afhankelijk van zijn ouders.

2

Eiser, geboren op [datum], van Haïtiaanse nationaliteit, is zoon van [naam] (de vader) en [naam] (de moeder), die sinds 2002 onderscheidenlijk 2013 in Curaçao verblijven. Bij het vertrek van de vader in 2002 uit Haïti is eiser bij de moeder in Haïti achtergebleven. Bij het vertrek van de moeder naar Curaçao is eiser bij de zus van vaderskant achtergebleven.

De op 18 juli 2016 door eiser ingediende aanvraag betreft een aanvraag om eerste toelating met als doel ‘gezinshereniging/-vorming’ bij de vader.

Verweerder heeft aan de afwijzende beslissing, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, ten grondslag gelegd dat eiser niet aan de eisen zoals vermeld in hoofdstuk 4, onder paragraaf 4.11 van de HI voldoet, nu eiser niet feitelijk tot het gezin van de vader als garantsteller behoort.

3

Anders dan eiser betoogt, is het Gerecht met verweerder van oordeel dat eiser niet geacht kan worden nog feitelijk te behoren tot het gezin van de vader, zodat hij geen aanspraak heeft op gezinshereniging met hem.

Op grond van verweerders beleid, zoals neergelegd in paragraaf 4.10 van de HI, is sprake van verbreking van het gezinsverband wanneer de scheiding tussen ouder en kind langer heeft geduurd dan vijf jaar.

Nu de vader als garantsteller optreedt wordt zijn moment van vertrek uit Haïti als peilmoment genomen voor het bepalen van het moment waarop de feitelijke gezinsband geacht moet worden te zijn verbroken. Eiser heeft aldus van 2002 tot en met 2016 niet met de vader samengewoond. De omstandigheid dat de vader eiser jaarlijks heeft bezocht maakt dat niet anders.

4

Eiser betoogt voorts tevergeefs dat bij het bestreden besluit ten onrechte zijn recht op “family life” zoals is vastgelegd in artikel 8 EVRM niet is gerespecteerd. Ten aanzien daarvan overweegt het Gerecht als volgt.

4.1

Niet in geschil is dat aan eiser niet eerder een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van het Hof (vergelijk onder meer de uitspraken van 30 mei 2005 in zaak nr. 56 HLAR 25/04, 19 juli 2010 in de zaak nr. HLAR 079/09 en 25 januari 2011 in de zaak nr. HLAR 038/10) is het Gerecht van oordeel dat nu eiser geen verblijfstitel wordt ontnomen die hem tot het gezinsleven hier te lande in staat stelde, de weigering van zijn aanvraag geen inmenging in de zin van artikel 8 EVRM oplevert.

4.2

Voorts is niet gebleken dat in dit geval van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden sprake is, dat uit het recht op respect voor familie- of gezinsleven een positieve verplichting zou voortvloeien om ten behoeve van eiser, in weerwil van de afwijzingsgrond, niettemin een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

5

De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

6

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2018 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. zie hoofdstuk 5 van de Lar.