Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:284

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
15-10-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
CUR201701676
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek is een lex specialis die voorrang heeft op de in de Landsverordening administratieve rechtspraak neergelegde regels over bekendmaking van beschikkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

de naamloze vennootschap [naam],

eiseres,

gemachtigden: mrs. R.R. Frans en S.C. Limon, advocaten,

en

de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Curaçao,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van der Plank, advocaat.

Procesverloop

Bij beschikking van 25 april 2017 heeft verweerder de naamloze vennootschap [naam] (de vennootschap) met toepassing van artikel 2:25, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) per 25 april 2017 ontbonden (de bestreden beschikking).

Bij beroepschrift, bij het Gerecht ingediend op 11 september 2017, heeft eiseres beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 4 juli 2018 plaatsgevonden. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld door de heer [secretaris van verweerder], secretaris van verweerder.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 2:25, eerste lid, van het BW wordt een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting of stichting particulier fonds, door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Nijverheid ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste één van de navolgende omstandigheden zich voordoet:

a. gedurende ten minste een jaar staan geen bestuurders van de rechtspersoon in het register ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan.

b. blijkens de administratie van de Kamer heeft de rechtspersoon gedurende ten minste een jaar niet voldaan aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen.

Op grond van het tweede lid maakt de Kamer het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, bekend, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. Op grond van het derde lid vindt de bekendmaking van het voornemen plaats door opname van de statutaire naam van de rechtspersoon op een lijst, aan te duiden als ontbindingslijst, die geplaatst wordt op de webpagina van de Kamer. Op grond van het vierde lid doet de Kamer tevens van de plaatsing van de ontbindingslijst mededeling in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer hier te lande verschijnende dagbladen. Op grond van het vijfde lid ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking na verloop van zes weken na de mededeling, bedoeld in het vierde lid, tenzij voordien aan de Kamer is gebleken dat de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zich niet of niet meer voordoen. Op grond van het zesde lid wordt de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon bekendgemaakt door opname daarvan in het handelsregister en door bekendmaking overeenkomstig het derde en vierde lid.

Op grond van artikel 2:25a, eerste lid, van het BW zijn ten aanzien van een beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van het BW de artikelen 55 en 75 van Lar niet van toepassing.

1.1

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Op grond van het tweede lid geldt de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt als de dag waarop deze is gegeven. Op grond van het derde lid blijft, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kan worden.

2. De bekendmaking van de bestreden beschikking heeft op 28 april 2017 plaatsgevonden op de bij artikel 2:25, zesde lid, van het BW voorgeschreven wijze. Die voorziet niet in verzending of uitreiking zoals vermeld in artikel 16, tweede lid, van de Lar, maar dat doet er naar het oordeel van het Gerecht niet aan af dat na de bekendmaking met toepassing van artikel 2:25 van het BW de beroepstermijn is aangevangen. Uit de ontbindingsprocedure die de wetgever voor dit geval heeft bepaald, leidt het Gerecht af dat artikel 2:25 BW een lex specialis vormt die voorrang heeft op de in de Lar neergelegde regels met betrekking tot bekendmaking van beschikkingen.

3. Aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beschikking komt het Gerecht niet toe. Op grond van het voorgaande is de beroepstermijn op 12 juni 2017 verstreken. Eiseres heeft op 11 september 2017, dus na het verstrijken van de beroepstermijn, beroep ingesteld. Dat de aandeelhouder van de vennootschap in Frankrijk woont en niet op de hoogte was van het aftreden van het trustkantoor als bestuur maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De aandeelhouder is immers verantwoordelijk voor het benoemen van het bestuur en draagt derhalve het risico voor het al dan niet aftreden van dat bestuur. Andere omstandigheden op grond waarvan die termijnoverschrijding verschoonbaar dient te worden geacht, zijn niet gesteld. Het beroep is derhalve te laat ingesteld en daarom niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, rechter in het Gerecht, en bekend gemaakt te Curaçao op 15 oktober 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. Zie artikel 2:25a BW.