Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:28

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
CUR201500338
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aangifte had moeten worden gedaan op uiterlijk 31 juli 2011. Dat betekent dat de boete voor het niet tijdig doen van aangifte uiterlijk op 31 juli 2012 opgelegd had moeten worden. De boete is opgelegd met dagtekening 23 december 2014. Het Gerecht is van oordeel dat, nu de verzuimboete te laat door de Inspecteur is opgelegd, de boete dient te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 1 maart 2018

BBZ nr. CUR201500338

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] N.V., gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 23 december 2014 een

naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2010 opgelegd naar een bedrag van Naf. 27.362. Gelijktijdig is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van Naf. 2.736.

1.2

Belanghebbende is op 19 januari 2015 tegen de aanslag en de boetebeschikking

in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 12 juni 2015 uitspraken op bezwaar gedaan en de

aanslag en de boete gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 24 juni 2015 in beroep gekomen tegen de uitspraken op

bezwaar.

1.5

De Inspecteur heeft op 6 september 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 12 september 2017 en 8 februari 2018 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen [ A ]. Namens belanghebbende is verschenen [ B ], verbonden aan [ Z ].

1.7

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaak.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een NV. Belanghebbende zit in een fiscale eenheid en fungeert als moedermaatschappij.

2.3

Belanghebbende heeft op 29 juli 2011 verzocht om uitstel van de indiening van het aangiftebiljet- en formulier. De Inspecteur heeft het verzoek om uitstel afgewezen, omdat het te laat gedaan is. De uiterste indieningsdatum is 31 juli 2011.

2.4

Belanghebbende heeft op 27 december 2011 het definitieve aangiftebiljet over het jaar 2010 ingediend.

2.5

Aan belanghebbende is op 23 december 2014 een naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd van Naf. 27.362 en een verzuimboete van Naf. 2.736.

2.6

Met dagtekening 9 juni 2015 is de naheffingsaanslag verminderd naar nihil en de boete is verminderd naar een bedrag van Naf. 500.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Belanghebbende is van mening dat belanghebbende geen winstbelasting verschuldigd is. Verder is belanghebbende van mening dat de boete onterecht is opgelegd, omdat in vergelijkbare gevallen de boete is verminderd naar nihil. De Inspecteur stelt dat er sprake is van een verzuim omdat niet tijdig aangifte winstbelasting is gedaan. Zij is van mening dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

4.1

Bij beschikking van 9 juni 2015 is de aanslag winstbelasting verminderd naar nihil.

Aangezien belanghebbende geen belang meer heeft bij haar beroep nu gegrondbevinding niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden, zal het Gerecht het beroep met betrekking tot de aanslag niet- ontvankelijk verklaren.

4.2

De Inspecteur heeft een boete opgelegd voor het niet tijdig doen van de aangifte winstbelasting. In artikel 18, lid 3 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) staat dat de bevoegdheid tot het opleggen van een dergelijke boete vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan. De aangifte had moeten worden gedaan op uiterlijk 31 juli 2011. Dat betekent dat de boete uiterlijk op 31 juli 2012 opgelegd had moeten worden. De boete is opgelegd met dagtekening 23 december 2014. Het Gerecht is van oordeel dat, nu de verzuimboete te laat door de Inspecteur is opgelegd, de boete dient te vervallen.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 2 x ½ punt voor het verschijnen ter comparitie met een waarde per punt van Naf. 700 en een wegingsfactor van 1). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen de aanslag niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de boete gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boete;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op Naf. 1.400.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen en mr. J. Sap, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting 1 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier, Nohely Noël- van der Biezen BSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).