Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:251

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
CUR201702640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging duurovereenkomst, omstandigheden van belang om te bepalen of langere opzegtermijn in acht had moeten worden genomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de besloten vennootschap

CEPHACU B.V.,

gevestigd te Curacao,

eiseres,

gemachtigden: mr. L.A.M. Leeuwe en mr. N.V.R. Doekhie,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

LIBBY’S INTERNATIONAL – AMERICAS LCC,

gevestigd in Miami, Verenigde Staten van Amerika,

verweerster,

gemachtigden: mr. R.G. Saleh en mr. E.P.A. Romer.

Partijen zullen hierna Cephacu en LIA genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het vonnis in incident van 23 april 2018 en de daarin genoemde processtukken;

- de aanvullende producties van Cephacu;

- de behandeling ter comparitie van 29 juni 2018;

- de door beide gemachtigden overgelegde comparitie-aantekeningen.

1.2.

Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

Cephacu is distributeur van voedingsproducten in Curaçao. Bij haar in dienst is de heer J. [vertegenwoordiger] in de functie van sales manager.

2.2.

LIA is producent van voedingsproducten van onder andere het merk Libby’s.

2.3.

Producten van het merk Libby’s werden tussen 2000 en 2013 in Curaçao gedistribueerd door Hanapi Foods and Liquor N.V. (hierna: Hanapi). [vertegenwoordiger] was destijds directeur van Hanapi.

2.4.

In januari 2014 is tussen partijen een distributieovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst is aangegaan voor de periode tot 31 december 2014, met de mogelijkheid van verlenging. De overeenkomst bevat onder andere de volgende bepaling:

Company [LIA; toevoeging gerecht] reserves the right to terminate this Agreement prior to the normal expiration date by providing thirty (30) days prior written notice.

2.5.

Bij brief van 15 oktober 2014 heeft LIA de schriftelijke overeenkomst opgezegd, waarbij LIA tegelijkertijd heeft te kennen gegeven dat de samenwerking op basis van een mondelinge overeenkomst voor onbepaalde tijd zal worden voortgezet. De samenwerking tussen partijen is daadwerkelijk gecontinueerd.

2.6.

In de loop van 2016 en tot en met het voorjaar van 2017 heeft LIA door middel van diverse e-mails haar zorgen aan Cephacu kenbaar gemaakt over de (in de ogen van LIA) tegenvallende cijfers.

2.7.

In het voorjaar van 2017 heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden over nieuwe marketing initiatieven van Cephacu, waarbij LIA een marketingplan van Cephacu heeft goedgekeurd.

2.8.

Bij brief van 21 augustus 2017 heeft LIA de (mondelinge) overeenkomst opgezegd met ingang van 19 september 2017. Als reden voor de opzegging wordt in de brief vermeld dat Cephacu “has not met expectations for the last few years.”

2.9.

Bij brief van 29 september 2017 heeft de advocaat van Cephacu geprotesteerd tegen de opzegging en aanspraak gemaakt op het in acht nemen van een redelijke opzegtermijn door LIA.

3 Het geschil

3.1.

Cephacu vordert, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, veroordeling van LIA tot betaling van:

  1. NAf 313.557,86 althans NAf 147.556,64;

  2. NAf 16.309,44;

  3. NAf 16.188,44;

  4. NAf 25.037,02;

  5. de proceskosten.

3.2.

LIA voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, kosten rechtens.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting is komen vast te staan dat deze zaak moet worden beoordeeld naar Curaçaos recht.

4.2.

De vordering onder 1 betreft schadevergoeding, die volgens Cephacu bestaat uit de gederfde winst gedurende de opzegtermijn die LIA in acht had moeten nemen. In de visie van Cephacu had LIA niet zonder meer kunnen opzeggen, maar had zij daarvoor een zwaarwegende grond nodig. Die zwaarwegende grond is er niet, aldus Cephacu. In elk geval had Cephacu een langere opzegtermijn in acht moeten nemen. Door zonder die zwaarwegende grond dan wel met inachtneming van een te korte opzegtermijn op te zeggen, is LIA schadeplichtig geworden. LIA heeft dit betoog bestreden.

4.3.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat hun overeenkomst opzegbaar is. Evenmin staat ter discussie dat die overeenkomst en de wet niet voorzien in een regeling van de opzegging. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie laatstelijk HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141) geldt dat op grond van artikel 6:248 lid 1 BW de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

4.4.

Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader overweegt het gerecht verder als volgt.

4.5.

Cephacu heeft gewezen op de lange tijd dat partijen hebben samengewerkt. Cephacu rekent in dit verband vanaf 2000. Weliswaar werden de Libby’s-producten toen nog niet door Cephacu gedistribueerd, maar vanaf dat jaar speelde wel de betrokkenheid van [vertegenwoordiger] een centrale rol en dat is ongewijzigd voortgezet toen Cephacu de distributie van Hanapi overnam. Om die reden moet volgens Cephacu gerekend worden met een feitelijke samenwerking die zeventien jaar heeft bestaan.

4.6.

Het gerecht verwerpt dit betoog. Ter zitting is gebleken dat tussen Hanapi en Cephacu geen enkele band bestaat. Het zijn twee verschillende vennootschappen met andere bestuurders. In beginsel ligt het daarom niet voor de hand dat voor het bepalen van de duur van de samenwerking de periode dat LIA met Hanapi heeft samengewerkt op te tellen bij de duur van de samenwerking met Cephacu. Het enkele feit dat dezelfde persoon ([vertegenwoordiger]) zich zowel bij Hanapi (als directeur) als bij Cephacu (als sales manager) met de distributie van Libby’s-producten heeft bezig gehouden is onvoldoende om daarover anders te oordelen. Ook als zou moeten worden aangenomen dat Cephacu de positie van distributeur van Libby’s-producten heeft weten te verkrijgen omdat [vertegenwoordiger] bij haar in dienst trad, dan nog kunnen Cephacu en Hanapi niet met elkaar worden vereenzelvigd. Kennelijk zag Cephacu commerciële mogelijkheden met het in dienst nemen van [vertegenwoordiger]. Het niet volledig verzilveren van die mogelijkheden behoort echter tot het normale ondernemersrisico dat Cephacu dient te dragen.

4.7.

Een en ander zou wellicht anders zijn als van de zijde van LIA uitlatingen zijn gedaan op grond waarvan Cephacu erop zou hebben mogen vertrouwen dat de samenwerking langdurig(er) zou zijn, maar dat is niet gesteld of gebleken. Integendeel: in de schriftelijke overeenkomst die partijen begin 2014 hebben gesloten heeft LIA zich het recht voorbehouden om de overeenkomst, om welke reden ook, op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van dertig dagen. Hieruit volgt dat Cephacu er destijds mee akkoord is gegaan dat LIA de toen begonnen samenwerking met Cephacu met een relatief korte opzegtermijn kon beëindigen, hetgeen er niet op wijst dat partijen uitgingen van een samenwerking die feitelijk al veel langer bestond.

4.8.

Naar het oordeel van het gerecht moet daarom worden uitgegaan van een samenwerking die van begin 2014 tot najaar 2017 heeft geduurd. Dit is niet een zodanig lange periode dat mede om die reden een gegronde reden voor de opzegging zou moeten bestaan of een lange opzegtermijn in acht genomen had moeten worden.

4.9.

In de tweede plaats heeft Cephacu gesteld dat de door haar gegenereerde omzet met Libby’s-producten 14% van haar totale omzet beloopt, en dat ook om die reden een langere opzegtermijn in acht genomen had moeten worden. Het gerecht verwerpt ook dit standpunt. In een geval waarin een distributeur volledig of grotendeels afhankelijk is van de desbetreffende principaal, kan in die omstandigheid een grond zijn gelegen om van de principaal op grond van de redelijkheid en billijkheid te verwachten alleen bij een zwaarwegende grond op te zeggen dan wel een langere termijn in acht te nemen. Een omzet van 14% is echter niet zodanig dat van een dergelijke afhankelijkheid kan worden gesproken. Daarmee is niet gezegd dat Cephacu geacht moest worden het wegvallen van die omzet probleemloos te kunnen opvangen, maar ook het verliezen van klanten behoort in beginsel tot het ondernemersrisico van Cephacu.

4.10.

In de derde plaats meent Cephacu dat zij wel degelijk aan de verwachtingen van LIA voldeed en dat zij bovendien, met medeweten van LIA, fors heeft geïnvesteerd terwijl zij die investeringen nog niet heeft terug verdiend. Tegenover deze stellingen heeft LIA gewezen op het feit dat zij vanaf 2016 bij herhaling heeft gewezen op haar grote zorgen over de achterblijvende cijfers. Uit de door LIA overgelegde e-mails blijkt dat van de zijde van Cephacu die zorgen zijn bevestigd, zelfs in die zin dat een general manager van Cephacu om die reden bij Cephacu is vertrokken. Dat Cephacu in deze omstandigheden activiteiten heeft ontplooid om de verkoop van Libby’s-producten te stimuleren, kan niet als een bijzondere investering worden beschouwd waarmee LIA rekening diende te houden bij de afweging om al dan niet en met welke termijn op te zeggen. Dat de investeringen van Cephacu verder gingen dan wat van haar in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, kan niet uit haar stellingen worden afgeleid.

4.11.

Een en ander leidt het gerecht tot het oordeel dat het LIA vrij stond om de overeenkomst met Cephacu op te zeggen en dat zij daarbij niet gehouden was om een langere opzegtermijn in acht te nemen dan zij heeft gedaan. Hierop stuit de vordering onder 1 af.

4.12.

De vorderingen onder 2 en 3 hebben betrekking op door Cephacu gemaakte marketingkosten. Cephacu heeft aangevoerd dat tot en met 2016 de afspraak bestond dat LIA 50% van de marketingkosten vergoedt. Met ingang van 2017 heeft LIA die afspraak gewijzigd, in die zin dat LIA voortaan 3% van de inkopen van Cephacu bij LIA per kwartaal ter beschikking zou stellen voor marketingkosten. De vordering onder 2 betreft het bedrag dat nog openstaat over 2016 op basis van de 50%-regel en het bedrag dat LIA over 2017 dient te vergoeden op basis van de 3%-regel. De vordering onder 3 betreft het restant van de vergoeding over 2017 als ook voor dat jaar uitgegaan zou worden van de 50%-regel.

4.13.

Met betrekking tot het gewijzigde regime in 2017 ten opzichte van de jaren daarvoor heeft Cephacu gesteld dat dit eenzijdig door LIA is afgedwongen. Cephacu was het hiermee niet eens, zo heeft zij verklaard. Desgevraagd ter zitting heeft Cephacu verklaard dat het nieuwe regime een kwestie van “slikken of stikken” was. Het gerecht leidt hieruit af dat het nieuwe regime van de 3%-regel daadwerkelijk tussen partijen is overeengekomen. Uit de verklaring ter zitting van Cephacu moet worden afgeleid dat zij zich naar het voorstel van LIA heeft gevoegd. Dat zij weinig ruimte had of meende te hebben om zich tegen het voorstel te verzetten, maakt niet dat op dit punt niet van wilsovereenstemming gesproken kan worden. Niet gebleken is dat Cephacu aan LIA op enigerlei wijze heeft laten weten dat zij niet akkoord ging met het nieuwe regime. Dit betekent dat de vordering onder 3 niet toewijsbaar is. Dat is immers gebaseerd op het oude 50%-regime dat in 2017 niet meer van kracht was.

4.14.

De vordering onder 2 (gebaseerd op de 50%-regel over 2016 en op de 3%-regel over 2017) heeft Cephacu onderbouwd met stukken. LIA heeft haar betwisting niet geconcretiseerd en niet onderbouwd met stukken. Dat verweer is daarom onvoldoende. Ook het ter zitting gevoerde verweer dat tussen partijen gebruikelijk was dat een claim als de onderhavige binnen dertig dagen werd ingediend, is niet onderbouwd of geconcretiseerd, laat staan dat duidelijk is geworden dat Cephacu hieraan niet heeft voldaan (hetgeen Cephacu heeft betwist) en wat de consequenties daarvan zouden moeten zijn. Als onvoldoende gemotiveerd betwist is de vordering daarom toewijsbaar.

4.15.

De vordering onder 4 betreft commissies uit zogenoemde orderverkopen. Het betreft vergoedingen van bepaalde percentages voor de bemiddeling door Cephacu bij rechtstreekse verkopen door LIA aan supermarkten in Curaçao. Cephacu heeft gesteld dat LIA facturen over 2015 en 2016 onbetaald heeft gelaten. Zij heeft deze stelling onderbouwd met stukken. Ook hierop heeft LIA onvoldoende concreet gereageerd. Bij conclusie van antwoord heeft zij gesteld dat in “een telefoongesprek” tussen een medewerker van LIA en de directeur van Cephacu door laatstgenoemde is bevestigd “dat er geen andere bedragen verschuldigd waren”. Ter zitting heeft LIA naar dit verweer verwezen. In het licht van de aanvullende producties van Cephacu is dit verweer onvoldoende. Uit die producties blijkt immers dat Cephacu LIA nog in augustus 2017 erop attent heeft gemaakt dat er nog sprake is van “missing commission payments”, waarbij de desbetreffende facturen aan LIA zijn verzonden. Hierop heeft LIA gereageerd met het bericht dat zij “currently” bezig is met “reviewing” de informatie. Gelet hierop had van LIA – op wie ter zake het al dan niet betaald hebben van de commissies de stelplicht rust – verwacht mogen worden concreet en onderbouwd duidelijk te maken dat de desbetreffende betalingen zijn gedaan. Haar verweer is daarom onvoldoende onderbouwd en de vordering is toewijsbaar.

4.16.

In totaal is een bedrag van (16.309,44 + 25.037,02 =) NAf 41.346,46 toewijsbaar.

4.17.

Nu beide partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

veroordeelt LIA tot betaling aan Cephacu van NAf 41.346,46;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 september 2018.