Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:242

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
CUR201802491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Detentie in het buitenland in afwachting van uitlevering, ontvankelijkheid in civielrechtelijk kort geding, met voldoende rechtswaarborgen omklede bijzondere rechtsgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISER],

verblijvende te Valencia, Venezuela,

eiser,

gemachtigden: mr. S.P. Osepa en dr. R.S.J. Martha,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

gevestigd te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigden: mr. S.N.I. Francisco en mr. C.A.D. Jänsch.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Land worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 1 augustus 2018, met producties;

  • -

    de aanvullende producties van [eiser];

  • -

    de producties van het Land;

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 augustus 2018;

  • -

    de door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft bij brief van 17 augustus 2018 aan het gerecht te kennen gegeven gebruik te willen maken van zijn bevoegdheid op grond van de artikelen 40 en 42 Rv om de processtukken in te zien en ter zitting te worden gehoord. De op dat moment ingediende stukken zijn op 20 augustus 2018 aan het OM ter beschikking gesteld. Het OM heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Beliën, officier van justitie.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

eiser] is door het OM aangemerkt als verdachte van een aantal strafbare feiten.

2.2. [

eiser] verblijft in Venezuela.

2.3.

Op 19 oktober 2016 heeft de Officier van Justitie een internationaal verzoek om aanhouding van [eiser] uitgevaardigd.

2.4.

Op diezelfde datum heeft de Officier van Justitie de Venezolaanse autoriteiten verzocht [eiser] aan te houden en over te gaan tot zijn uitlevering.

2.5.

Het aanhoudings- en uitleveringsverzoek is door de Nederlandse ambassade in Venezuela op 7 november 2016 aan de Venezolaanse autoriteiten aangeboden.

2.6.

Op 17 maart 2017 is [eiser] aangehouden in Venezuela en aldaar gedetineerd.

2.7.

Bij beslissing van 12 mei 2017 heeft de Sala de Casación Penal van het Tribunal Supremo de Justicia van Venezuela beslist, weergegeven voor zover van belang en vertaald uit het Spaans,

[…] de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, […] OP DE HOOGTE TE STELLEN van de bindende termijn van zestig (60) ononderbroken dagen, die zij heeft, vanaf de dag volgend op de datum waarop diens kennisgeving is gedaan om het formele verzoek van uitlevering in te dienen, en de nodige juridische documentatie in de uitleveringsprocedure van de burger [EISER] , […], met uitdrukkelijke standvastigheid dat, in het geval dat de vereiste documentatie in die periode niet wordt aangeboden, de onbeperkte vrijheid van genoemde burger wordt bevolen […].

2.8.

Een proces-verbaal van een zitting van ditzelfde college van 3 juli 2017 luidt als volgt, weergegeven voor zover van belang en vertaald uit het Spaans:

Op 12 mei 2017, vaardigde deze Strafrechtelijke Cassatie Zitting, beschikking […] uit, middels welke werd ingestemd:

[…]

Op 14 juni 2017, middels officieel document nummer 7428, stelde de Algemeen Directeur (E) van het Kantoor van Consulaire Relaties van het Ministerie Van Volksmacht voor Buitenlande Betrekkingen het Proces Verbaal nummer 024-ME/gd op, gedateerd 9 juni 2017 en ingediend door de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, […] welke inhield de formele aanvraag voor uitlevering van de burger [eiser], om aan een strafproces te worden onderworpen met de nodige gerechtelijke documentatie; hetgeen was verzonden en naar behoren geauthentiseerd, en ondersteunde het bovengenoemd verzoek om uitlevering.

Op 3 juli 2017, werd de bijbehorende hoorzitting gehouden in overeenstemming met de bepalingen van het artikel 390 van het Organieke Wetboek van Strafvordering […]

2.9.

Bij beslissing van 4 augustus 2017 heeft de Sala de Casación Penal van het Tribunal Supremo de Justicia de “toepassing” bevolen van het verzoek tot uitlevering van [eiser] en daarbij overwogen dat de maatregel van preventieve gerechtelijke vrijheidsontneming van [eiser] wordt gehandhaafd tot de “aflevering” van hem aan het Koningrijk der Nederlanden (beide geciteerde begrippen volgens de overgelegde vertaling uit het Spaans).

2.10.

Bij beschikking van 20 juni 2018 heeft de rechter-commissaris beslist op een verzoek van [eiser] als bedoeld in artikel 43 Sv (strafvorderlijk kort geding). [eiser] had verzocht de intrekking te gelasten van de bevelen tot aanhouding ter fine van uitlevering, zijn vrijheidsbeneming te beëindigen, te bepalen dat er geen vrijheidsbeneming mag plaatsvinden zolang er geen onherroepelijke veroordeling van [eiser] is, aan de autoriteiten in Venezuela te berichten dat hij in vrijheid dient te worden gesteld alsmede dat de bevelen tot aanhouding zijn ingetrokken en tot slot het Land een som te doen verbeuren indien [eiser] in detentie zal blijven.

2.11.

De rechter-commissaris heeft zich deels onbevoegd verklaard, heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in enkele van zijn verzoeken en de verzoeken voor het overige afgewezen. Bij beschikking van 24 juli 2018 op het hoger beroep van [eiser] heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie hem niet-ontvankelijk verklaard.

2.12.

Bij brief van 25 juli 2018 is namens [eiser] aan het Land verzocht om binnen drie dagen, door tussenkomst van Interpol alsook langs diplomatieke kanalen, de vraag zoals neergelegd in de beschikking van 12 mei 2017 van de Sala de Casación Penal aan de autoriteiten van Venezuela te beantwoorden, met dien verstande dat aan de Venezolaanse autoriteiten wordt bericht dat geen enkele instantie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in Curaçao de uitleveringsdetentie van [eiser] heeft bevolen.

2.13.

Het Land heeft aan voormelde brief geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, het Land te gelasten (i.) door tussenkomst van Interpol als ook langs diplomatieke kanalen de autoriteiten van Venezuela de uit de beschikking van 12 mei 2017 van de Sala de Casación Penal blijkende vraag te beantwoorden in die zin dat aan die autoriteiten wordt bericht dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie te Curaçao de uitleveringsdetentie van [eiser] niet heeft bevolen en dat de Staatsregeling van Curaçao de vrijheidsontneming van [eiser] daarom niet toelaat en (ii.) hem afschriften te doen toekomen van deze berichten.

3.2.

Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiser in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering is gebaseerd op het standpunt dat [eiser] onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

4.2.

De vordering strekt er toe dat wordt bereikt dat alsnog antwoord wordt gegeven op de “vraag” die volgens [eiser] is neergelegd in de beschikking van de Venezolaanse cassatierechter van 12 mei 2017. In de tweede plaats strekt de vordering ertoe dat dit antwoord de in het petitum omschreven inhoud zal hebben. Aan deze vordering ligt klaarblijkelijk de opvatting ten grondslag dat het Land onrechtmatig handelt door dit antwoord achterwege te laten. De gewenste inhoud van het antwoord is gebaseerd op het standpunt dat de Officier van Justitie niet bevoegd was om een bevel tot aanhouding van [eiser] in het buitenland uit te vaardigen en dat [eiser] niet tijdig aan een Curaçaose rechter is voorgeleid, zodat zowel de aanhouding als de voortdurende detentie onrechtmatig zijn.

4.3.

Het gerecht stelt voorop dat [eiser] niet kan worden gevolgd in zijn kennelijke uitgangspunt dat namens de Curaçaose autoriteiten niet is gereageerd op de beschikking van de Venezolaanse rechter van 12 mei 2017. De “vraag” van de cassatierechter hield in dat de Nederlandse ambassade binnen zestig dagen na kennisgeving het formele uitleveringsverzoek met betrekking tot [eiser] moest indienen. Uit het proces-verbaal van diezelfde rechter van 3 juli 2017 blijkt dat dit stuk op 14 juni 2017 is ingediend. Van daarna nog dateert de beslissing van de Sala de Casación Penal van 4 augustus 2017, waarin de “toepassing” is bevolen van het uitleveringsverzoek met betrekking tot [eiser]. Zo bezien lijkt de vordering strekkende tot het beantwoorden van de “vraag” van de Venezolaanse rechter achterhaald.

4.4.

Het Land heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat hij de weg van het strafvorderlijke kort geding (artikel 43 Sv) moet bewandelen en niet terecht kan bij de civiele rechter.

4.5.

Dit verweer slaagt. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.

4.6.

De civiele rechter heeft in strafvorderlijke aangelegenheden een taak als zogenoemde ‘restrechter’. Daaruit volgt dat een partij niet in een civiel kort geding kan worden ontvangen, als een bijzondere, met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang openstaat, die bovendien op korte termijn tot een rechterlijke beslissing kan leiden. Een dergelijke bijzondere rechtsgang is het strafvorderlijke kort geding als bedoeld in artikel 43 Sv. Met deze bepaling heeft de wetgever een bijzondere procesgang open gesteld, die toegang tot de strafrechter geeft teneinde een voorziening te treffen waarin het Wetboek van strafvordering zelf niet voorziet en die in het belang van een goede strafrechtsbedeling alsnog moet worden getroffen. Terecht staat niet ter discussie dat de rechtsgang van artikel 43 Sv een met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang is en dat binnen deze rechtsgang voldoende snel een rechterlijke beslissing kan worden verkregen. Dit betekent dat [eiser] in het onderhavige civiele kort geding niet-ontvankelijk is, indien voor hem de weg van artikel 43 Sv openstaat.

4.7.

Dat laatste is het geval. Zowel de vraag naar de bevoegdheid van de Officier van Justitie om een aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor iemand die in het buitenland verblijft als de vraag of [eiser] tijdig aan een Curaçaose rechter is voorgeleid zijn naar voorlopig oordeel strafvorderlijk van aard. Als een voorziening in verband met deze vragen nodig is, dan is dit nodig uit een oogpunt van een goede strafrechtsbedeling. Niet denkbaar is, en in elk geval volgt dit niet uit de stellingen van [eiser], dat wel grond zou bestaan voor het treffen van een voorziening, maar dat dit geheel los zou staan van een goede strafrechtsbedeling. Hierbij tekent het gerecht aan dat het begrip ‘strafrechtsbedeling’ betrekking heeft op elk stadium van strafvordering, dat wil zeggen van (het begin van) opsporing tot en met executie.

4.8.

Dit betekent dat [eiser] zich tot de strafrechter dient te wenden in het kader van een verzoek op grond van artikel 43 Sv. Hij is dus niet-ontvankelijk in de onderhavige procedure.

4.9.

Voor de goede orde wijst het gerecht erop dat [eiser] de weg van artikel 43 Sv ook daadwerkelijk bewandeld heeft. In zijn beschikking van 20 juni 2018 heeft de rechter-commissaris een inhoudelijk oordeel gegeven omtrent de bevoegdheid van de Officier van Justitie om de autoriteiten van een ander land te verzoeken over te gaan tot aanhouding van een verdachte tegen wie een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Ook bevat die beschikking een inhoudelijk oordeel over het beroep van [eiser] op artikel 17 van de Staatsregeling. In de beschikking is [eiser] deels niet-ontvankelijk verklaard, maar dit was blijkens die beschikking niet omdat zijn verzoeken en standpunten geen betrekking hadden op de strafrechtsbedeling als bedoeld in artikel 43 Sv.

4.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 1.500 voor advocaatkosten.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het Land, begroot op

NAf 1.500;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar

uitgesproken op 30 augustus 2018.