Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:241

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
CUR201601434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoedingen uit hoofde van casinovergunning, verjaring, erkenning, stuiting, rechtsverwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de stichting

STICHTING GAMING CONTROL BOARD,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigden: mr. M.F. Bonapart en mr. P.Ch.M. Tweeboom,

tegen

de naamloze vennootschap

HATO VASTGOED N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.C. Small.

Partijen zullen GCB en Hato Vastgoed genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 11 juli 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, met productie;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte uitlating producties, tevens vermeerdering van eis, met producties;

- de antwoordakte;

- de behandeling ter zitting van 6 juli 2018;

- de door beide gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Hato Vastgoed is de rechtsopvolger van Exploitatiemaatschappij Airporthotel Holland N.V. (hierna: Airporthotel Holland).

2.2.

Op 3 september 2002 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

In aanmerking nemende:

[…]

- dat het totaal per 1 augustus 2002 aan openstaande speelvergunningsrecht over 2001 en 2002 alsmede boeteaanslagen derhalve in totaal naf. 316.927,36 bedraagt,

[…]

- dat Airporthotel Holland met de naamloze vennootschap Airport Casino Management i.o. een casino operating contract is overeengekomen,

- dat voormeld contract geldt voor de duur van 15 jaar en Airport Casino Management i.o. aan Airporthotel Holland voor het exploiteren van het casino een exploitatievergoeding zal moeten betalen, welke vergoeding – voormelde duur van de overeenkomst in aanmerking genomen alsmede rekening

houdend met de aanloopkosten en de kosten in de opstartfase van het bedrijf – gedurende het eerste en tweede jaar is bepaald op een gereduceerd bedrag ad $ 20.000, - per maand,

[…]

- dat in het derde jaar, van de alsdan verhoogde exploitatievergoeding, bedragende $ 25.000,- per maand, een bedrag ad flat 10.000, - (zegge: tien duizend gulden) rechtstreeks door Airport Casino Management i.o. namens Airporthotel Holland aan de Board zal worden betaald ter aflossing van het

door Airporthotel Holland verschuldigd resterend boetebedrag,

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1.Airporthotel Holland verplicht zich tot betaling aan de Board van een bedrag van naf. 150.000,-- welk bedrag onmiddellijk na ondertekening van deze overeenkomst per cheque zal worden gestort op rekening van de Board en welk bedrag strekt tot delging van het achterstallig speelvergunningsrecht over 2001 en 2002 (naf. 92.601,91 + naf, 22.298,27), voor betaling van de proceskosten die verband houden met de beslaglegging als vermeld en die zoals door partijen is overeengekomen ten laste van Airporthotel Holland komen alsmede voor gedeeltelijke betaling van de resterende boete-aanslagen over 2001.

2.Airporthotel Holland dient voorts voormeld saldo boete-aanslagen te betalen in maandelijkse termijnen van naf. 10.000,- aanvangende – de in de considerans vermelde omstandigheden in aanmerking genomen – in het derde jaar dat de naamloze vennootschap Airport Casino Management i.o., zoals door partijen bij casino operating contract is overeengekomen, de exploitatievergoeding ad $25.000,-- per maand aan Airporthotel Holland zal moeten betalen, en totdat de resterende boeteschuld in zijn geheel zal zijn voldaan.

[…]

3.Uiterlijk op 1 oktober 2002 zal Airporthotel Holland een akkoord tot overdracht van de exploitatie van het casino met de naamloze vennootschap Airport Casino Management i.o. dienen te hebben bereikt.

2.3.

Tussen partijen heeft nadien veelvuldig contact plaatsgevonden over de financiële verplichtingen en over de exploitatie door de nieuwe exploitant. Bij e-mail van 26 juli 2011 heeft GCB aan Hato Vastgoed het volgende bericht, weergegeven voor zover van belang:

Tijdens onze bespreking van vandaag ten kantore van de heer Ribeiro, heeft u zich enkele malen laten ontvallen dat Hato Vastgoed geen schulden heeft bij de GCB en dus in “good standing” is bij die instantie. Ik vond die opmerkelijk vanwege het feit dat volgens de administratie van de GCB, Hato Vastgoed ettelijke tonnen verschuldigd is in het kader van achterstallige speelvergunningsrecht. […]

[…] Hij verzoekt dan ook om (een kopie van) de brief […]. Zodat uiterlijk vrijdag 29 juli 2011 aanstaande de definitieve schuldpositie van Hato Vastgoed vastgesteld kan worden. Op basis hiervan zal de overheid zekerheden eisen ter inning van het verschuldigde bedrag.

2.4.

Bij mail van 28 juli 2011 heeft Hato Vastgoed als volgt gereageerd, weergegeven voor zover van belang:

Blijkbaar is er door mijn uitspraak eea niet duidelijk naar voren gekomen en is hierdoor misverstand ontstaan. […] Zoals is afgesproken zal Hato Vastgoed en GCB op korte termijn een afspraak maken om eea in kaart te brengen vwb eventuele openstaande speelvergunningsrechten van Hato Vastgoed.

2.5.

Bij brief van 10 augustus 2011 heeft Hato Vastgoed onder andere het volgende aan het departement van financiën bericht, welke brief in kopie aan GCB is gestuurd:

Momenteel is Hato Vastgoed in een afrekening met de GCB om alle openstaande casino belastingen af te rekenen.

3 Het geschil

3.1.

Bij verzoekschrift heeft GCB gevorderd dat het gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Hato Vastgoed veroordeeld tot betaling van NAf 114.900,18 alsmede de in de overeenkomst genoemde termijnen van NAf 10.000 en de in de overeenkomst genoemde exploitatievergoeding van USD 25.000, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente en de vertragingsrente met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, kosten rechtens.

3.2.

Bij aktevermeerdering van eis heeft GCB haar eis als volgt aangevuld, samengevat:

  • -

    primair: dat het gerecht voor recht verklaart dat Hato Vastgoed speelvergunningsrechten is verschuldigd aan GCB en gehouden is tot nakoming van de overeenkomst dan wel tot schadevergoeding op grond van wanprestatie;

  • -

    subsidiair: veroordeling van Hato Vastgoed tot schadevergoeding op grond van wanprestatie;

  • -

    meer subsidiair: veroordeling van Hato Vastgoed tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.

3.3.

Hato Vastgoed voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van GCB in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Hato Vastgoed heeft betoogd dat GCB niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat zij sinds 10 oktober 2010, met de totstandkoming van Curaçao als autonoom land binnen het Koninkrijk, niet meer namens het eilandgebied als uiteindelijk gerechtigde kan optreden en de vordering niet aan het land Curaçao is overgedragen. Het gerecht verwerpt dit verweer. De vordering in deze procedure is in alle opzichten gebaseerd op de overeenkomst. Ter zitting heeft GCB dit uitdrukkelijk bevestigd. Partij bij de overeenkomst is GCB. Niet valt in te zien om welke reden GCB haar (gestelde) aanspraken uit de overeenkomst niet in rechte zou mogen afdwingen. Niet van belang is dus of het voormalige eilandgebied dan wel het land belang heeft bij deze procedure.

4.2.

Hato Vastgoed heeft zich beroepen op verjaring. Bij conclusie van antwoord heeft zij gesteld dat na 13 oktober 2010 geen stuitingshandelingen zijn verricht. Het gerecht leidt hieruit af dat Hato Vastgoed ervan uit gaat dat de vordering van GCB voor het laatst is gestuit op die datum. Aldus moet worden beoordeeld of de verjaring binnen vijf jaar na 13 oktober 2010 opnieuw is gestuit (artikel 3:307 BW). Het gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Relevant zijn hier de brieven en e-mails zoals weergegeven onder de feiten. Volgens GCB volgt uit die brieven dat Hato Vastgoed de vordering van GCB heeft erkend (artikel 3:318 BW). Een erkenning hoeft niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Wel is vereist dat het gaat om een handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent. Voor het bepalen van de betekenis van genoemde correspondentie is van belang dat deze niet op zichzelf stond, maar plaatsvond in een lange reeks brieven en overlegmomenten gedurende de jaren vanaf 2002. Deze contacten, waarbij ook het eilandgebied respectievelijk het land en de exploitant betrokken waren, gingen steeds over de financiële verplichtingen van Hato Vastgoed jegens GCB uit hoofde van de casinovergunning.

4.4.

In deze context moeten de e-mail van 27 juli 2011 van GCB aan Hato Vastgoed en de reactie daarop van 28 juli 2011 worden begrepen. In de eerste e-mail schrijft GCB het “opmerkelijk” te vinden dat Hato Vastgoed in een overleg met derden heeft laten weten dat zij geen schulden heeft bij GCB, terwijl “volgens de administratie van GCB Hato Vastgoed ettelijke tonnen verschuldigd is in het kader van achterstallige speelvergunningsrecht.” De reactie hierop Hato Vastgoed houdt min of meer een excuus in voor het “misverstand” dat blijkbaar door die uitspraak is ontstaan. Hato Vastgoed merkt op:

Zoals is afgesproken zal Hato Vastgoed en GCB op korte termijn een afspraak maken om eea in kaart te brengen vwb eventuele openstaande speelvergunningsrechten van Hato Vastgoed.

Korte tijd later, bij brief van 10 augustus 2011 aan het departement van financiën en met kopie aan GCB, informeert Hato Vastgoed de geadresseerde over een bericht dat zij van de exploitant had ontvangen met betrekking tot het al dan niet moeten betalen van “de toezichthouderkosten op basis van het profijtbeginsel.” Hato Vastgoed voegt daaraan toe:

Momenteel is Hato Vastgoed in een afrekeningfase met de GCB om alle openstaande casino belastingen af te rekenen.

4.5.

In onderlinge samenhang beschouwd moeten deze uitlatingen van Hato Vastgoed aldus worden begrepen dat ook voor haar uitgangspunt was dat zij nog financiële verplichtingen jegens GCB had. In elk geval geldt dat GCB deze uitlatingen in deze zin heeft mogen begrijpen. Deze uitlatingen moeten daarom redelijkerwijs worden begrepen als een erkenning van de schuld uit hoofde van de overeenkomst. Dat de overeenkomst in deze uitlatingen niet uitdrukkelijk wordt genoemd en dat na 2002 mogelijkerwijs ook nieuwe verplichtingen zijn ontstaan waarop de overeenkomst geen betrekking had, doet hier niet aan af. Het gaat immers om de erkenning door Hato Vastgoed van het bestaan van financiële verplichtingen jegens GCB in verband met de casinovergunning en de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst maken daar onmiskenbaar deel van uit. Evenmin is van belang dat er mogelijk nog discussie bestond over de precieze hoogte van de vorderingen van GCB uit hoofde van de overeenkomst. Dat doet immers niet af aan het bestaan van de vordering als zodanig.

4.6.

De slotsom moet zijn dat Hato Vastgoed de vordering eind juli en begin augustus 2011 nog heeft erkend. Daarmee is de lopende verjaring gestuit. Binnen vijf jaar nadien heeft GCB een daad van rechtsvervolging gepleegd, te weten door het indienen van het inleidend verzoekschrift op 11 juli 2016. De vordering is dus niet verjaard.

4.7.

Hato Vastgoed heeft een beroep gedaan op rechtsverwerking. Volgens haar heeft GCB het recht verwerkt om nog nakoming te vorderen van de overeenkomst, omdat zij na het tot stand komen van de overeenkomst heeft nagelaten invorderingshandelingen te plegen en zij bovendien heeft meegewerkt aan het voortzetten van een casinobedrijf in het gebouw van Hato Vastgoed en aan de verkoop hiervan inclusief casinovergunning aan een derde. Het gerecht verwerpt dit standpunt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is vereist dat de schuldeiser zich zodanig heeft gedragen dat daarmee het alsnog te gelde maken van zijn aanspraken niet verenigbaar is. De in dat verband door Hato Vastgoed gestelde feiten zijn daarvoor onvoldoende, allereerst omdat enkel stilzitten niet tot rechtsverwerking kan leiden en in de tweede plaats omdat in redelijkheid niet valt in te zien dat het meewerken aan continuering van het casinobedrijf bij Hato Vastgoed het vertrouwen kan hebben gewekt dat GCB geen aanspraak meer zou maken op betaling. Dat geldt te meer nu, zoals hiervoor overwogen, bij verschillende gelegenheden aan de orde is gekomen dat Hato Vastgoed nog schulden had aan GCB.

4.8.

Uit de bespreking van de zaak ter zitting is duidelijk geworden dat uit de overeenkomst de volgende financiële verplichtingen voortvloeien. In de eerste plaats is Hato Vastgoed gehouden tot betaling van NAf 150.000, waarmee in elk geval het achterstallig speelvergunningsrecht over 2001 en 2002 zou worden voldaan. Blijkens de overeenkomst is deze vordering direct opeisbaar. In de tweede plaats volgt uit de overeenkomst dat het resterende “saldo boete-aanslagen” moet worden voldaan in maandelijkse termijnen van NAf 10.000, te beginnen in het derde jaar dat, kort gezegd, de nieuwe exploitant van het casino aan Hato Vastgoed een exploitatievergoeding van USD 25.000 dient te betalen. Het gerecht leidt hieruit af dat deze verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde.

4.9.

De eerste vordering van GCB heeft betrekking op een bedrag van NAf 114.900,18. Vaststaat dat dit het saldo is van het achterstallig speelvergunningsrecht over de jaren 2001 en 2002, waarop mede de in de overeenkomst genoemde betalingsverplichting van NAf 150.000 betrekking heeft. Tot aan het pleidooi heeft Hato Vastgoed op geen enkel moment gesteld dat zij deze verbintenis uit hoofde van de overeenkomst al was nagekomen. Ook het overigens concreet geformuleerde bewijsaanbod in de conclusie van dupliek heeft hierop geen betrekking. Pas in de pleitnota heeft Hato Vastgoed in een bijzin gesteld dat zij het bedrag van Naf 150.000 na de ondertekening van de overeenkomst per cheque aan GCB heeft voldaan. Hato Vastgoed heeft haar stelling niet onderbouwd, ook niet door middel van een betalingsbewijs. Dit had wel op haar weg gelegen, nu zij immers de stelplicht heeft van de gestelde betaling. Mede gelet op het late moment waarop Hato Vastgoed dit feit heeft gesteld, ziet het gerecht geen aanleiding om haar alsnog in de gelegenheid te stellen deze stelling te onderbouwen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat Hato Vastgoed de onderhavige verplichting uit de overeenkomst al is nagekomen, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

4.10.

De vordering met betrekking tot de maandelijkse termijnen van NAf 10.000 is opeisbaar vanaf het derde jaar dat de exploitant een exploitatievergoeding van USD 25.000 verschuldigd was. Ter zitting heeft GCB gesteld dat het aanvangsmoment voor het bepalen van het derde jaar ligt op 1 oktober 2002, omdat per die datum een exploitatiecontract met de nieuwe exploitant van kracht zou worden. GCB heeft in dit verband gewezen op artikel 3 van de overeenkomst. Hato Vastgoed heeft dit niet betwist. Wel heeft Hato Vastgoed bevestigd dat vanaf het derde jaar de door de nieuwe exploitant verschuldigde exploitatievergoeding omhoog ging, zodat daaruit de maandelijkse termijn van NAf 10.000 kon worden voldaan. Het gerecht neemt gelet hierop tot uitgangspunt dat de maandelijkse termijnen van NAf 10.000 opeisbaar werden vanaf 1 oktober 2004, en vervolgens steeds per de eerste van de maand.

4.11.

Het totale bedrag dat betaald moest worden door middel van de maandelijkse termijnen beloopt (316.927,36 – 114.900,18 =) NAf 202.027. Partijen verschillen hierover klaarblijkelijk niet van mening.

4.12.

Hato Vastgoed heeft erop gewezen dat ingevolge de overeenkomst de maandelijkse termijnen rechtstreeks door de nieuwe exploitant aan GCB zouden moeten worden voldaan. Dit is juist, maar doet er niet aan af dat het gaat om een betalingsverplichting van Hato Vastgoed. Dat partijen afspreken dat de betalingen door een ander voor de schuldenaar worden gedaan, laat onverlet dat het de schuldenaar is die de verplichtingen op zich heeft genomen en tot nakoming daarvan kan worden aangesproken. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de exploitant de maandelijkse termijnen niet heeft voldaan. De vordering is dus in zoverre toewijsbaar.

4.13.

GCB vordert de wettelijke rente met ingang van de datum van het verzoekschrift. Deze vordering is toewijsbaar. Daarnaast vordert GCB “vertragingsrente”. Die vordering is niet toewijsbaar. Omdat dus niet de rente per vervaldatum van de termijnen wordt gevorderd en bovendien inmiddels zoveel tijd verstreken is dat alle termijnen verschuldigd zijn geworden, komt het erop neer dat Hato Vastgoed het totaalbedrag van NAf 316.927,36 verschuldigd is. Tot betaling daarvan zal zij worden veroordeeld.

4.14.

Ter zitting heeft GCB de vordering ter zake de betaling van USD 25.000 ingetrokken.

4.15.

De vorderingen zoals aangevuld bij akte vermeerdering van eis voegen niets toe ten opzichte van hetgeen al toewijsbaar is geoordeeld. Deze zullen dus worden afgewezen. Zo bezien heeft Hato Vastgoed geen belang bij haar bezwaar tegen de eiswijziging.

4.16.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Hato Vastgoed worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 1.150 aan griffierecht, NAf 328,45 aan explootkosten en NAf 9.000 aan salaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

veroordeelt Hato Vastgoed tot betaling aan GCB van NAf 316.927,36, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 11 juli 2016 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt Hato Vastgoed in de proceskosten van GCB, begroot op

NAf 10.478,45;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018.