Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:235

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
CUR201702263
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende organiseert met een charter zeilschip vaartochten voor toeristen. De Gouverneur heeft het verzoek om een belastingvrijstelling ingevolge de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw (LBBH) afgewezen omdat belanghebbende niet bijdraagt aan de verbreding van de economische basis van Curaçao. Het Gerecht onderschrijft deze beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 4 september 2018

BBZ nr. CUR201702263

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] N.V., gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN CURAÇAO,

de Gouverneur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Belanghebbende heeft op 2 december 2016 verzocht om een belastingvrijstelling ingevolge de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw (LBBH)

1.2

De Gouverneur heeft bij landsbesluit van 10 augustus 2017 het verzoek afgewezen.

1.3

Belanghebbende heeft op 15 september 2017 beroep ingesteld tegen het Landsbesluit. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

1.4

De Gouverneur heeft op 14 mei 2018 een verweerschrift ingediend.

1.5

De Gouverneur heeft op 24 augustus 2018 een nader stuk ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2018. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [ A ] en [ B ] van [ Q ]. Namens de Gouverneur zijn verschenen [ C ] en [ D ] werkzaam bij het Ministerie van Financiën, sector fiscale zaken. De Gouverneur heeft ter zitting met instemming van belanghebbende het advies van het Ministerie van Economische Ontwikkeling van 16 maart 2017 ingebracht.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is op 29 november 2016 opgericht.

2.2

Blijkens de oprichtingsakte van 29 november 2016 heeft belanghebbende onder meer ten doel:

(…)

“het organiseren, bemiddelen en verkopen van watersport- en bootreizen, zowel in het binnenland als naar het buitenland en het verrichten van de daarbij behorende activiteiten, zoals het huren van hotels, het charteren van vliegtuigen, autobussen en schepen – geheel of gedeeltelijk – en alles wat hiermede in de ruimste zin des woords verband houdt.” (…)

2.3

Belanghebbende heeft voor haar bedrijfsactiviteiten onder meer een catamaran met twee binnenboord motoren aangeschaft. De investeringen bedragen in totaal circa NAf 1.500.000.

2.4

In het Businessplan van belanghebbende is onder meer het volgende opgemerkt:

“Doel: Aanbieden van zeil en motor yacht charters in de wateren van Curaçao met een all inclusive tint.

Huidig aanbod: Er zijn al aardig wat charter boten op Curaçao. Deze varen voornamelijk op Klein Curaçao.

Waarin wij ons gaan onderscheiden: Het aanbieden van zeil charter langs de kust in westelijke richting van Curaçao.

Huidige spelers op de markt: Na telling zijn we gekomen op ongeveer (…) 30 charterboten (…). Dit zijn bedrijven die in de sector zitten waar wij ons in willen vestigen.

Waarom zeil motor combinatie? Enige die onder zeil vaart is de [ N ]. De andere aanbieders zijn allemaal motorjachten.

2.5

Naar aanleiding van het verzoek van belanghebbende om een belastingvrijstelling ingevolge de LBBH heeft de Gouverneur advies ingewonnen bij het Ministerie van Economische Ontwikkeling. In het advies van 16 maart 2017 is onder meer het volgende opgemerkt:

“Gelet op het businessplan en de toelichting verschaft bij het verzoek zou [belanghebbende] in beginsel voldoen aan de vereisten ter zake van investering en arbeidsplaatsen. Echter voldoet ons inziens [belanghebbende] niet aan de hierna volgende vereisten:

Substantiële bijdrage aan het genereren van deviezen voor Curaçao;

Het concept van het bedrijf is niet nieuw en overtuigt niet van het gebruik van voldoende nieuwe technologie dan wel innovatie;

Er is geen garantie en voldoende inzicht in de macro-economische toegevoegde waarde van het project;

Het toekennen van deze belastingfaciliteit aan dit bedrijf zal concurrentieverstorend werken voor soortgelijke andere bedrijven in de branche die nimmer gebruik hebben gemaakt van deze faciliteit dan wel deze faciliteit niet meer hebben;

Voorts gaat het niet om een bedrijf in de sectoren die juist gestimuleerd dienen te worden door deze faciliteit, zijnde landbouw, veeteelt en visserij;

Tenslotte gaat het juist om bedrijfsactiviteiten in de branche van ontspanning en recreatie die op de negatieve lijst staan.

Gelet op de hiervoor genoemde redenen stellen wij u voor om [belanghebbende] niet in aanmerking te laten komen voor belastingfaciliteiten van genoemde landsverordening.”

2.6

De Gouverneur heeft in het landsbesluit van 10 augustus 2017 het verzoek om een belastingvrijstelling ingevolge de LBBH afgewezen, omdat belanghebbende geen bedrijf is waarvan verwacht kan worden dat zij zal bijdragen tot de verbreding van de economische basis van Curaçao.

2.7

In beroep heeft de Gouverneur een door het Ministerie van Economische Ontwikkeling opgestelde macro-economische impact analyse van belanghebbende, ingebracht. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

Analyse

Deze analyse is gebaseerd op een aantal uitgangspunten. Deze uitgangspunten vormen de basis van de macro-economische resultaten die gepresenteerd worden. Veranderingen in de uitgangspunten zullen leiden tot andere macro-economische resultaten. Het volgend uitgangspunt werd gehanteerd om de verwachte macro-economische effecten van de activiteiten van [belanghebbende] door te rekenen:

1. Er werd een initiële investering gepleegd van Naf 1,5 miljoen ten behoeve van het aanschaffen van reddingsmiddelen, motoronderdelen en constructieonderdelen. De vertaalslag van deze investering in percentage betekent een toename van 0.1% op de landelijk investeringen.

Aan de hand van het bovengenoemd uitgangspunt zijn de hiernavolgende macro-economische gevolgen te verwachten als resultaat van de economische activiteiten van [belanghebbende].

1. De gepleegde investeringen resulteren niet in een noemenswaardig effect op het reële BBP-groei.

2. Er is geen toename van de uitvoer.

3. Het effect van de gepleegde investeringen op de invoer en overheidsinkomsten is minimaal.

4. Er vindt een afname van de deviezenvoorraad plaats als resultaat van de bijkomende invoer als gevolg van geïmporteerde machinerie. (Naf 1.4 miljoen)

5. Er is geen noemenswaardig effect op de werkgelegenheid.

Conclusie

De economische impact van [belanghebbende] heeft geen merkbare invloed op de economie van Curaçao. De te plegen investeringen leiden niet tot een noemenswaardig effect op de reële BBP op macro-economisch niveau. Daarnaast moet er aangegeven worden dat de impact op nationaal niveau niet blijkt te resulteren in een verbreding van de economische activiteiten in term van additionele banen als gevolg van spin-off effecten. Hierdoor kan een Tax Holiday aanvraag niet gejustificeerd worden. Het toekennen van een Tax Holiday zal in dit geval tevens leiden tot gemis van inkomsten voor de overheidskas.

3 GESCHIL

In geschil is of de Gouverneur het verzoek van belanghebbende om belastingvrijstelling ingevolge de LBBH terecht heeft afgewezen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verwacht kan worden dat belanghebbende zal bijdragen tot verbreding van de economische basis van Curaçao. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Gouverneur ontkennend.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

4.1

Krachtens artikel 4 LBBH (tot 1 januari 2017) verklaart de Gouverneur, na overleg met de Minister van Economische Ontwikkeling, of een onderneming als (gekwalificeerd) bedrijf in de zin van artikel 1 LBBH kan worden aangemerkt.

4.2

Ingevolge artikel 1, lid 1, letter a, LBBH wordt onder bedrijf verstaan een onderneming (i) waarvan verwacht kan worden dat zij zal bijdragen tot verbreding van de economische basis van Curaçao, (ii) waarvan de oprichting een investering vergt van ten minste Naf 250.000 en (iii) die aan ten minste vijf op Curaçao geboren Nederlanders blijvend werk zal verschaffen.

4.3

Niet in geschil is dat de onderneming van belanghebbende voldoet aan de hiervoor omschreven voorwaarden (ii) en (iii). Uitsluitend voorwaarde (i) is in geschil.

4.4

Wat betreft de voorwaarde dat de onderneming zal bijdragen aan de verbreding van de economische basis, is in de wetsgeschiedenis onder meer het volgende opgemerkt:

“Bij het criterium van de verbreding van de economische basis van de Nederlandse Antillen werd tot nog toe in beginsel primair gekeken naar de vraag of de industrie als een nieuwe economische bedrijvigheid kon worden beschouwd. Gezien het in het Algemeen Deel van deze toelichting gestelde zal in de toekomst mede gelet dienen te worden op het netto-deviezen resultaat van het project.”

(MvT bij PB 1997/301, blz. 13-14)

4.5

De Gouverneur heeft het verzoek afgewezen omdat niet verwacht kan worden dat belanghebbende zal bijdragen tot verbreding van de economische basis van Curaçao. Ter motivering heeft de Gouverneur daarvoor aangedragen dat op Curaçao meerdere bedrijven op hetzelfde gebied actief zijn, dat deze bedrijven geen belastingfaciliteiten genieten, dat zodoende oneerlijke concurrentie in de hand wordt gewerkt, hetgeen zou leiden tot een verslechtering van het economisch klimaat van Curaçao. Bovendien betreft het bedrijf van belanghebbende geen nieuw concept, maakt het geen gebruik van nieuwe technologie of innovatie en levert het geen substantiële bijdrage aan het genereren van deviezen voor Curaçao, aldus de Gouverneur.

4.6

Belanghebbende heeft daartegen ingebracht dat zij pleziervaartochten aan de westkust van Curaçao en naar klein Curaçao aanbiedt, dat zij nagenoeg uitsluitend buitenlandse toeristen als klant heeft, dat haar activiteiten dus deviezen genereren voor Curaçao, en dat dit een verbreding van het toeristische product Curaçao tot gevolg heeft. Bovendien betwist belanghebbende dat sprake is van oneerlijke concurrentie.

4.7

Blijkens de wetsgeschiedenis dient voor het criterium van de verbreding van de economische basis mede te worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe economische bedrijvigheid. In haar Businessplan heeft belanghebbende zelf opgemerkt dat op Curaçao al meerdere aanbieders zijn van charterboten voor toeristen. Naar het oordeel van het Gerecht kan dan ook niet worden gesproken van een nieuwe economische bedrijvigheid. Dat belanghebbende zich richt op een andere vaarbestemming dan de andere charterboten, namelijk de westkust van Curaçao, doet aan dit oordeel niet af. Gelet op de omvang van belanghebbendes activiteiten acht het Gerecht bovendien niet aannemelijk dat daarmee een noemenswaardige bijdrage zal worden geleverd aan het genereren van deviezen voor Curaçao. Derhalve is ook in zoverre niet te verwachten dat belanghebbende zal bijdragen tot verbreding van de economische basis van Curaçao. Dit oordeel vindt bevestiging in de conclusie van de analyse door het Ministerie van Economische Ontwikkeling (zie 2.7).

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, en is uitgesproken op 4 september 2018, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500