Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:229

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
810.00001-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging ontnemingsmaatregel aan voormalig minister-president van Curaçao. Wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op een bedrag van NAf 1.844.190,36.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 810.00001-18

Uitspraak: 30 augustus 2018

Tegenspraak

Beslissing van dit Gerecht

in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde A],
geboren op [een datum in het jaar] 1974 te Curaçao,
wonende in Curaçao, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018, 15 maart 2018, 1 augustus 2018 en 2 augustus 2018.

Bij de eerste twee terechtzittingen is de veroordeelde niet verschenen. Bij de eerste zitting werden zijn belangen behartigd door mr. M.C. Vaders, advocaat in Curaçao. Nadat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op de voet van artikel 57, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toegestaan dat mr. G.G.J.A. Knoops en mr. C.J. Knoops-Hamburger, advocaten in Nederland, in deze ontnemingszaak als advocaten zouden optreden, is de veroordeelde bij de tweede zitting vertegenwoordigd door zowel mr. Vaders als mr. Knoops. Bij de inhoudelijke behandeling op de derde (en twee dagen durende) zitting is de veroordeelde aanwezig geweest. Hij werd toen bijgestaan door mrs. Vaders, Knoops en Knoops-Hamburger, in aanwezigheid van raadsvrouw mr. E. de Witte (kantoorgenote van mrs. Knoops en Knoops-Hamburger).

De officieren van justitie, mr. G.H. Rip en mr. E. de Groot, hebben gevorderd dat het Gerecht de schatting van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op een bedrag van NAf 1.861.692,-- en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van dat bedrag aan het land Curaçao.

De verdediging heeft bepleit dat de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie zal worden afgewezen.

Grondslag ontnemingsvordering

Bij vonnis van 21 juli 2017 is de veroordeelde door het Hof in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (parketnummer 500.00086/14 en zaaknummer H-38/16,) onder meer veroordeeld voor

  • -

    (feit 1) “als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd”,

  • -

    (feit 2) “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”,

  • -

    en (feit 3) “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”.

Het onder 1 bewezen verklaarde feit ziet op het in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2010 als Eilandsraadslid van het Eilandsgebied Curaçao aannemen van twee giften, te weten een geldbedrag van $ 140.000,-- en een geldbedrag van $ 73.422,--, die zijn gedaan door of namens [C] via [aan C gelieerd bedrijf 1].

Het onder 2 bewezen verklaarde feit ziet op het in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010 samen met een ander of anderen valselijk opmaken van twee facturen van [bedrijf medeveroordeelde B] ten behoeve van [aan C gelieerd bedrijf 1].

Het onder 3 bewezen verklaarde feit ziet op het in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 samen met medeveroordeelde [B] verhullen van de herkomst van geldbedragen van in totaal $ 198.422,--, wetende dat deze uit misdrijf afkomstig waren.

Juridisch kader

In het kader van de beoordeling van de vraag of de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, stelt het Gerecht voorop dat de pleegperiodes van de bewezen verklaarde feiten, op één dag na, dateren van vóór de inwerkingtreding van het huidige Wetboek van Strafrecht. Op de laatste dag van de pleegperiode van het onder 3 bewezen verklaarde feit is het wetboek in werking is getreden; tot die tijd golden de teksten uit het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Dat is van belang, nu de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het feit. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt voor wijzigingen van algemene regels van het sanctierecht, indien en voor zover die wijziging in de voorliggende zaak ten gunste van de veroordeelde werkt (vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878). Dat betekent in dit geval dat het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) moet worden toegepast, tenzij de nieuwe bepaling – dat is artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht – gunstiger uitpakt voor de veroordeelde. Dat is niet het geval. Het openbaar miniserie en de verdediging zijn daarom ten onrechte uitgegaan van de toepasselijkheid van de nieuwe wetsbepaling. De oude wetsbepaling moet worden toegepast. Het Gerecht zal dan ook overeenkomstig artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) onderzoeken of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit of soortgelijke feiten of feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

Geen heropening van het onderzoek

Het verweer van de verdediging treft geen doel. De ontnemingsvordering zal niet worden afgewezen. De verdediging heeft het verzoek gedaan om in dat geval de behandeling van de ontnemingsvordering (alsnog) aan te houden totdat de Hoge Raad heeft beslist over het in de strafzaak ingestelde cassatieberoep. Dat verzoek wordt niet gehonoreerd.

De verdediging heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de weergave van een door medeveroordeelde [B] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, niet juist is en daarom ten onrechte is aangemerkt als een van de redengevende factoren van het bewezen verklaarde medeplegen van witwassen. De verdediging meent dat daarom een bovengemiddelde kans bestaat dat het cassatieberoep slaagt en dat het onder die omstandigheden afdoen van de zaak op gespannen voet staat met het recht van de veroordeelde op een eerlijk proces. In de visie van de verdediging kan het namelijk betekenen dat de veroordeelde daardoor mogelijk één (beroeps)instantie wordt ontnomen.

Het Gerecht kan de verdediging hierin niet volgen. De door de verdediging geschetste mogelijkheid is inherent aan de aard van de ontnemingsprocedure. Om die reden is in de wet ook een correctiemechanisme ingebouwd: de uitspraak in de ontnemingszaak vervalt ingevolge het bepaalde in artikel 503g van het Wetboek van Strafvordering van rechtswege, indien de Hoge Raad het vonnis van het Hof in de strafzaak casseert en daarna een onherroepelijke uitspraak volgt zonder veroordeling voor het feit of de feiten waarop de ontnemingsmaatregel is gebaseerd.

Daar komt bij dat het aangevoerde hoofdzakelijk ziet op het aandeel van medeveroordeelde [B] en daarmee in de zaak van de veroordeelde hooguit een deel van het vonnis wordt aangevochten, namelijk voor zover het hun samenwerking betreft bij het witwassen van de geldbedragen waarmee de veroordeelde is omgekocht. Het aangevoerde ziet derhalve niet op veroordeeldes eigen betrokkenheid bij de omkoping en het witwassen.

Het Gerecht ziet, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de ontnemingsvordering.

Vaststelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De ontnemingsvordering van het openbaar ministerie is te onderscheiden in voordeel uit bewezen verklaarde feiten en voordeel uit andere strafbare feiten. Het Gerecht zal deze twee onderdelen van de vordering afzonderlijk bespreken om vervolgens een eindconclusie te trekken.

Voordeel door middel van of uit de baten van bewezen verklaarde feiten

1. Een belangrijk uitgangspunt bij de beoordeling van een ontnemingsvordering is dat de rechter in beginsel is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Dat is slechts anders ingeval het betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat (HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370, HR 30 januari 2001, NJ 2001/219 en HR 8 juni 1999, NJ 1999/589). Dit betekent dat het Gerecht is gebonden aan hetgeen het Hof in de strafzaak heeft vastgesteld, behoudens voor zover het de vraag betreft of, en zo ja in hoeverre, sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Het Hof heeft in het vonnis in de strafzaak over de onder 1 bewezen verklaarde omkoping onder meer het volgende vastgesteld: “Uit de bewijsmiddelen volgt dat een bedrijf van [C] (het Gerecht: [aan C gelieerd bedrijf 1]) op 14 mei 2010 USD 140.000,00 en op 14 juni 2010 nog USD 73.422,00 heeft betaald op een bankrekening van de medeverdachte [B]. [C] wilde niet dat dit bekend werd.

Op 29 juni 2010 heeft [C] per e-mail twee documenten naar de verdachte gemaild. Het ene is een contract volgens welke hij zeggenschap zou krijgen in alle beslissingen betreffende de MFK, op straffe van het aanspraak kunnen maken op een betaling van USD 700.000,- op basis van een promissory note. Het andere is die promissory note zelf.

Op 19 juli 2010 heeft [C] per e-mail aan de verdachte bericht dat het van hem gevraagde bedrag heel groot is en dat [C] het op de een of andere manier moet terugkrijgen.

Op 12 september 2010 heeft [C] een e-mailbericht gestuurd, waarin hij vermeldt dat hij [D] geen goede kandidaat-minister vindt, en dat "wij" een nieuwe partij hebben.

Op 22 maart 2011 heeft de verdachte [C] bericht dat het voorstel voor de benoeming van [E], die voor [C] werkte en de Hotelschool als hoogste genoten opleiding had, als voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao zal worden aangenomen door de Raad van Ministers.

In de eerste helft van 2011 heeft de verdachte een brief aan een Italiaanse minister gestuurd, waarin hij vermeldt dat [C] binnenkort een prestigieuze en belangrijke functie zal krijgen en dat hij daarvoor absoluut geschikt wordt geacht.

De verdachte heeft een kritische brief over [C] ontvangen, die hij (via de secretaris-generaal) aan [C] heeft doorgezonden, en vervolgens heeft de verdachte een vertrouwelijke e-mail van [C] ontvangen met de inhoud van een andere brief die de verdachte volgens die mail zou krijgen.

Op 23 februari 2012 heeft [C] aan de verdachte een conceptbrief toegezonden met de bedoeling dat de verdachte een brief zou laten opstellen en tekenen om [C] te helpen een visum voor de Verenigde Staten te verkrijgen.

Voorts heeft [C] het Italiaanse bedrijf [bedrijf] in contact gebracht met de overheid in Curaçao ten tijde van het kabinet-[veroordeelde].

Uit deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen heeft aangenomen, wetende dat deze giften hem werden gedaan om hem ertoe te bewegen te handelen overeenkomstig hetgeen in de bewezenverklaring is gespecificeerd. Ook leidt het Hof eruit af dat de verdachte ten tijde van het aannemen van de geldbedragen wist dat dit handelen, zoals in de bewezenverklaring gespecificeerd, in strijd met zijn plicht als ambtenaar zou zijn. Dit is ook zo als de giften (deels) zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van de activiteiten van de MFK. Indien de gelden met dat doel zijn verstrekt, staat dat niet in de weg aan het oordeel dat die verstrekking dient te worden aangemerkt als een gift.”

3. Zowel het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen van valsheid in geschrift als het onder 3 bewezen verklaarde hangt nauw samen met deze ambtelijke omkoping. Ter adstructie daarvan wordt op het volgende gewezen.

De valsheid in geschrift bestaat uit twee valselijk opgemaakt facturen ten bedrage van de door het bedrijf van [C] – [aan C gelieerd bedrijf 1] in Rome, Italië – overgemaakte geldbedragen (een ten bedrage van $ 140.000,-- en een ten bedrage van $ 73.447,-- ). In de facturen was in strijd met de waarheid vermeld dat deze afkomstig waren van het bedrijf [bedrijf medeveroordeelde B] en dat deze waren uitgeschreven voor werkzaamheden en/of diensten die [bedrijf medeveroordeelde B] voor [aan C gelieerd bedrijf 1] zou hebben verricht. Deze facturen zijn in de administratie van [aan C gelieerd bedrijf 1] aangetroffen.

Het witwassen heeft eveneens betrekking op de geldbedragen die de veroordeelde via [aan C gelieerd bedrijf 1] heeft ontvangen. Het Hof heeft daarover in het vonnis onder meer het volgende vastgesteld: “Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de Amerikaanse Citibankrekening van de medeverdachte [B] op 14 mei 2010 USD 140.000,00 is ontvangen, afkomstig van [aan C gelieerd bedrijf 1]. Op 17 mei 2010 is USD 15.000,00 overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening van [bedrijf veroordeelde] (het Gerecht: [bedrijf veroordeelde]), een op de Marshall Islands gevestigde rechtspersoon, waarvan de verdachte de begunstigde is. De bankafschriften van deze bankrekening vermelden noch de naam, noch het adres van de verdachte.

Op 11 juni 2010 hebben de verdachte en de medeverdachte [B] USD 120.000,00 van de Citibankrekening contant opgenomen en cheques gekocht van het opgenomen bedrag.

Op 14 juni 2010 is op de Amerikaanse bankrekening nog USD 73.422,00 ontvangen, ook afkomstig van [aan C gelieerd bedrijf 1]. Op 14 juni 2010 is vanaf de Amerikaanse bankrekening nog USD 15.00,000 overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening en nog USD 53.422,00 contant opgenomen en van het opgenomen bedrag is een cheque gekocht.

Twee van de in totaal vier cheques zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank in Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [stichting veroordeelde]. De andere twee hebben op respectievelijk 15 juni 2010 en 16 juni 2010 geleid tot bijschrijvingen op een bankrekening van [bedrijf medeveroordeelde B] bij de MCB Bank in Curaçao.”

3. Hoewel dat in feite ook rechtstreeks uit de voorgaande volgt, stelt het Gerecht ter bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende vast.

Op 14 mei 2010 is op de Citibankrekening van medeveroordeelde [B] een geldbedrag van $ 140.000,-- binnengekomen van [aan C gelieerd bedrijf 1]. Een maand later, op 14 juni 2010, wordt op die rekening weer een geldbedrag van dat bedrijf ontvangen; die keer was het een geldbedrag van $ 73.422,--.1

Dit zijn donaties van [C] aan de veroordeelde. [C] wilde niet dat bekend werd dat hij die donaties heeft gedaan. Overeengekomen is dat het geld op de bankrekening van medeveroordeelde [B] zou worden gestort.2

4. De verdediging heeft aangevoerd dat deze ontvangen geldbedragen zijn gedoneerd in het kader van de voorfinanciering van de later door de veroordeelde opgerichte politieke partij, genaamd [politieke partij] ([afkorting politieke partij]). De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat feitelijk sprake was van sponsoring van die politieke partij door [C]. Dat standpunt mist echter feitelijke grondslag, nu het indruist tegen de vaststelling van het Hof dat het giften waren die aan de veroordeelde zelf zijn gedaan met de bedoeling hem om te kopen. Zowel de verdediging, als de door de verdediging ingeschakelde deskundige, de heer [F], gaat volstrekt aan die vaststelling voorbij. Dat betekent met andere woorden dat de veroordeelde met die giften persoonlijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het Gerecht wil wel geloven dat de veroordeelde een deel van dat voordeel via sociale projecten ten goede heeft laten komen aan de Curaçaose samenleving, maar dat kan hem in deze zaak niet baten. Datzelfde geldt voor het deel dat hij ten goede heeft laten komen aan medeveroordeelde [B], die eerder dat soort sociale projecten financieel heeft voorgefinancierd. Het is de keuze geweest van de veroordeelde op welke manier hij het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel heeft willen aanwenden. De wijze waarop dat is gebeurd, doet echter voor de te nemen ontnemingsbeslissing niet ter zake (vgl. HR. 9 januari 1996, NJ 1996/305, HR 26 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9695, NJ 2003/696, m.nt. Mevis), HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133, en HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9127, NJ 2006/163).

5. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde uit de onder 1 bewezen verklaarde omkoping heeft verkregen, is daarom een relatief eenvoudige opgave. Het gaat tenslotte om de op 14 mei 2010 en 14 juni 2010 ontvangen geldbedragen, respectievelijk van $ 140.000,-- en $ 73.422,--.

Aangezien een betalingsverplichting ex artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht

– gelijk het geval is ten aanzien van andere vermogenssancties, zoals een geldboete en een schadevergoedingsmaatregel – moet worden uitgedrukt in een wettig Curaçaos betaalmiddel, moet de tegenwaarde van het voordeel in Antilliaanse guldens (NAf) worden berekend. De tegenwaarde is uiteraard afhankelijk van de wisselkoers. Zowel op 14 mei 2010 als op 14 juni 2010 was de wisselkoers volgens de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten gesteld op NAf 1,78 (zie de wisselkoers nemen die de Centrale Bank: http://www.centralbank.cw/exchange-rates).

Het voordeel wordt daarom gesteld op een totaalbedrag van NAf 379.891,16 (een bedrag van $ 140.000,-- + een bedrag van $ 73.422,-- x de wisselkoers van NAf 1,78).

Daarop komen alleen kosten in mindering die in een directe relatie staan tot de bewezen verklaarde omkoping. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat die kosten zijn gemaakt.

Voordeel door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten

6. Het Gerecht heeft zich vervolgens moeten buigen over de vraag of de veroordeelde ook uit andere feiten dan bewezen verklaard wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

In dat verband is van belang dat, anders dan het openbaar ministerie en de verdediging meenden, toepassing moet worden gegeven aan artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud). Dat brengt met zich dat moet worden beoordeeld of de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van “soortgelijk feiten” of “feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen”, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

Onder soortgelijke feiten wordt verstaan feiten die, gelet op het belang dat de wetgever heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld (HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2004:AR1830, NJ 2006/410). Het gaat met andere woorden om feiten die hetzelfde rechtsbelang beschermen als het bewezen verklaarde gronddelict.

7. In het kader van de beoordeling van de vraag of de veroordeelde een of meer van zulke andere feiten heeft gepleegd, verdient opmerking dat het strafvorderlijke bewijsrecht daarop niet van toepassing is (HR 13 april 1999, NJ 1999/483, HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805, NJ 2002/545 m.nt. Reijntjes). Er kan worden volstaan met aanwijzingen. De term voldoende aanwijzingen betekent dat de rechter slechts aannemelijk hoeft te achten dat de betrokkene de andere feiten heeft begaan. Anders dan bij de schatting van het ontnemingsbedrag het geval is, schrijft geen wetsbepaling voor dat de rechter het bestaan van die aanwijzingen moet ontlenen aan dan wel dient te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

In de jurisprudentie is verder uitgemaakt dat een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat van de veroordeelde mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat vermogensbestanddelen op een legale wijze zijn verkregen (HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182, NJ 2003/96 m.nt. Mevis).

8. Aan de ontnemingsvorderingen ligt een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag. Voorafgaand aan de feitelijke behandeling ter terechtzitting hebben er regiezittingen plaatsgevonden en is er door het Gerecht een schriftelijke voorbereidingsronde gelast. Dit heeft ertoe geleid dat de verdediging uitgebreid heeft gereageerd op het ontnemingsrapport en dat het openbaar ministerie op zijn beurt daarop heeft geantwoord door middel van een schriftelijk standpunt.

Deze stukken bevinden zich in het ontnemingsdossier en op de openbare terechtzitting hebben verdediging en openbaar ministerie nogmaals op de gebruikelijke wijze hun standpunten nader toegelicht. Het is nu aan het Gerecht om vast te stellen of er voldoende aanwijzingen zijn van een of meer andere strafbare feiten als hiervoor bedoeld en/of de veroordeelde een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het vermogensbestanddeel dat tot wederechtelijk voordeel zou hebben geleid.

9. Het openbaar ministerie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten en dat hij zodoende wederrechtelijk een bedrag van $ 822.640,-- heeft verkregen. De verdediging meent daarentegen te hebben aangetoond dat aannemelijk is dat dit bedrag op een legale wijze is verkregen.

10. De rechtsstrijd ziet op een overboeking aan een bedrijf gelieerd aan de veroordeelde, genaamd [bedrijf veroordeelde]. Voor beslechting van deze rechtsstrijd acht het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden van belang.

10.1

De overboeking

Op 9 augustus 2010 is het bewuste bedrag van $ 822.640,-- binnengekomen op de Zwitserse UBS-bankrekening van [bedrijf veroordeelde] onder de volgende vermelding: “/RFB/ACQUISITION PLAYA BLOU PROP CU”. Het bedrag is afkomstig van de rekening van [aan C gelieerd bedrijf 2] uit Sint Maarten.3 De onderneming [aan C gelieerd bedrijf 2] is onderdeel van [de onderneming], waarvan Francesco [C] de Ultimate Benificial Owner (hierna: UBO) is.4

10.2 [

bedrijf veroordeelde]

De veroordeelde heeft over het oprichten van een Ltd. en het openen van een rekening gecommuniceerd met de UBS-Bank in Genève.5 Op 30 juli 2008 is [bedrijf veroordeelde] opgericht onder de wetgeving van de Marshalleilanden.6 De veroordeelde is daarvan de (enige) benificial owner.7 Op 4 augustus 2008 heeft de veroordeelde voor [bedrijf veroordeelde] een bankrekening bij de UBS-Bank geopend. Het daartoe door de veroordeelde ingevulde en ondertekende formulier houdt onder andere het volgende in:

“Accountholder: [BEDRIJF VEROORDEELDE]

Legal domicile: Marshall Islands

Business sector and activities: Investments and Real Estate Trading

Accountholder: [de veroordeelde]

Function: Director” 8

De veroordeelde is met betrekking tot deze bankrekening de enige die tekeningsbevoegd is en die tekeningsbevoegdheid is niet beperkt.9

10.3

Activiteiten op de bankrekening van [bedrijf veroordeelde]

Op de rekeningoverzichten die in het ontnemingsdossier zijn gevoegd, is te zien dat sinds de opening van deze bankrekening – buiten de hiervoor genoemde storting van [aan C gelieerd bedrijf 2] – vrijwel uitsluitend geld is binnengekomen van medeveroordeelde [B] (in de periode van 3 juli 2009 tot en met 14 juni 2010 in totaal $ 50.687,96) en van [trustmaatschappij in Curaçao] (over de periode tot 16 september 2009 in totaal $ 289.233,33). Op de overzichten is verder te zien dat met een creditcard behoorlijke uitgaven zijn gedaan (in totaal $ 181.255,73 in de periode van 21 april 2009 tot en met 21 juli 20011) en dat kennelijk eens paar jaar een vast bedrag van $ 450,-- wordt betaald aan een Trustmaatschappij op de Marshalleilanden (betalingen op 30 juni 2009, 24 juni 2010 en 23 juni 2011).10 De creditcardbetalingen omvatten ook privé-uitgaven en uitgaven in het kader van de campagne voor de verkiezingen in Curaçao van 2010.11

De veroordeelde heeft de UBS-Bank bij faxbericht van 5 oktober 2011 verzocht om de bankrekening van [bedrijf veroordeelde] te sluiten. Dit bericht houdt onder meer het volgende in: “Ref: A/C No 0250-00767872 [bedrijf veroordeelde]

I would like to ask you please to close my (onderstreping door het Gerecht) above mentioned account with your institution and transfer the balance to the following address:

Beneficiary Bank: [bank in Litouwen]

Name Beneficiary: [offshorebedrijf]” 12

Kort voorafgaand aan het sluiten van de bankrekening worden nog de volgende overboekingen gedaan:

Datum

Informatie

Debit

Credit

19 september 2011

[offshorebedrijf]

For services provided according to invoice C31609-2011 from 16/9/2011

$ 317.669,98

22 september 2011

[BANK IN CYPRUS]

[offshorebedrijf]

For service provided according to invoice 2011-51609 from 16/09/2011

$ 380.000,--

29 september 2011

[BANK IN CYPRUS]

[offshorebedrijf]

For service provided according to invoice 2011-51609 from 16/09/11

$ 19.986,66

6 oktober 2011

Refund of your payment in favour of [offshorebedrijf] Reason: as per agreement with client.

$ 317.669,98

6 oktober 2011

[bank in Litouwen]

[offshorebedrijf]

For services provided according to invoice C31609-2011 from 16/09/11

$ 317.669,9813

[Het offshorebedrijf] heeft op zijn beurt de geldbedragen weer overgemaakt naar andere bankrekeningen. Het geldbedrag van $ 317.669,98 werd eerst overgemaakt naar [bank] in Isle of Man en vervolgens – na conform afspraak te zijn teruggeboekt – naar [bank in Litouwen] in Litouwen. De bedragen van $ 380.000,-- en $ 19.986,66 werden overgemaakt naar de [bank in Cyprus] in Cyprus.14

De veroordeelde heeft hierover ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard: “De rekening van [bedrijf veroordeelde] werd gesloten. Het bedrijf heeft toen zijn gelden verder geïnvesteerd. U vraagt mij wie [offshorebedrijf] is. Dat is een ander bedrijf waarin we hebben geïnvesteerd. U vraagt mij opnieuw wie “we” is. U houdt mij voor dat ik dat bedrijf ben. U vraagt mij voor wie ik heb geïnvesteerd. Namens [bedrijf veroordeelde] is er geïnvesteerd. U houdt mij voor dat het dus namens mijzelf is gebeurd. Correct.”15

10.4

Werkzaamheden Knip

De omschrijving bij het bedrag van $ 822.640,--) dat op 9 augustus 2010 is binnengekomen bij [bedrijf veroordeelde] verwijst expliciet naar een aankoop in het gebied tussen de Grote Knip en de Kleine Knip in Curaçao: “Acquisition Playa Blou Prop Curaçao”.

Uit onderzoek is gebleken dat verschillende personen en rechtspersonen sinds

4 mei 2007 actief zijn met de verkrijging van het erfpachtrecht in het gebied tussen de Grote en de Kleine Knip in Curaçao. In chronologische volgorde heeft het volgende plaatsgevonden:

Datum

Omschrijving

4 mei 2007

Optieverlening ten behoeve van de erfpachtverkrijging door de heer [G] en de heer [H]

2 juli 2007

Afloop eerste optietermijn

14 augustus 2007

Verzoek optieverlening door SPF Playa Abou en SPF Playa Blou

15 augustus 2007

Oprichting SPF Playa Abou en SPF Playa Blou door de heer [G] en de heer [H]

15 augustus 2007

Verkrijging van 1/10e deel van de oprichtersbevoegdheid van SPF Playa Blou door [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde]

16 januari 2008

Optieverlening ten aanzien van de erfpachtverkrijging door SPF Playa Abou en SPF Playa Blou

27 februari 2008

Verkrijging 2/3e deel van de oprichtersbevoegdheid van SPF Playa Abou door [trustmaatschappij in Curaçao] (Curaçao)

28 februari 2008

Verkrijging 9/10e deel van de oprichtersbevoegdheid van SPF Playa Blou door [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde]

5 maart 2008

Overdracht van de oprichtersbevoegdheden van SPF Playa Blou door [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde] van SPF Playa Blou door [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde] aan [aan C gelieerd bedrijf 3] voor de somma ad NAf 1.000.000,--

10 maart 2008

Overdracht van de oprichtersbevoegdheden van SPF Playa Abou door [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde] aan [aan C gelieerd bedrijf 4] voor de somma ad NAf 4.000.000,--

12 maart 2008

Betaling van de optiegelden aan het Eilandgebied Curaçao

29 maart 2008

Vragen vanuit de Orco Bank ten aanzien van de betaling van de vergoeding voor de oprichtersbevoegdheden door [bedrijf]

18 september 2008

Positief advies van de Curaçao Tourist Board om de terreinen te Knip aan SPF Playa Abou en SPF Playa Blou uit te geven

21 oktober 2009

Positief advies van de Dienst Economische zaken om de terreinen te Knip in erfpacht aan de SPF Playa Abou en Playa Blou uit te geven

14 juli 2010

De terreinen te Knip (6 hectare en 2,3 hectare) worden in erfpacht aan de SPF Playa Abou en Playa Blou uitgegeven

[C] is uiteindelijk de gerechtigde achter de ondernemingen [aan C gelieerd bedrijf 4] en [aan C gelieerd bedrijf 3].16

De Stichting Particulier Fonds Nobrand (hierna: [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde]) is op 3 mei 2007 opgericht. Uit het uittreksel van het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid blijkt dat het bestuur bestaat uit [trustmaatschappij in Curaçao] (Curaçao).17 Dit trustbedrijf wordt op zijn beurt bestuurd door [I].18 De veroordeelde was tot 19 november 2008 de UBO van [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde].19

Vanaf de bankrekening van [aan C gelieerd bedrijf 5] (een onderneming die behoort tot de [onderneming] waarvan [C] de UBO is) zijn onder meer de volgende overboekingen gedaan:

Datum

Ontvangende partij

Bedrag

Omschrijving

Geboekt rekening-courant [C]

6 maart 2008

Stichting Derdengelden Notaris

[notaris]

$ 280.898,88

SPF Playa Blou

10 september 2008

[SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde]

NAf 500.000,--

Ja

21 oktober 2010

Stichting Derdengelden Notaris

[notaris]

NAf 469.920,--

[straatnaam] Curaçao

Ja

Met betrekking tot die laatste overboeking is te melden dat op de computer van [E] – uit het dossier blijkt dat dat een vertrouwenspersoon van [C] is – een pdf-bestand is aangetroffen onder de naam “[veroordeelde] appraisal report [straatnaam] property.pdf”. Het betreft een taxatierapport d.d. 1 juni 2010. Het doel van de taxatie is het verkrijgen van financiering en inzicht in de waarde van het onroerend goed. De onderhandse verkoopwaarde van het onroerend goed is gesteld op NAf 4.200.000,-- en de executiewaarde op NAf 3.500.000,--.20

De veroordeelde heeft ter terechtzitting over zijn rol bij het Knip-project onder meer het volgende verklaard: “De heer [H] en de heer [G] hadden de terreinen in 2007 al in optie verkregen. Die twee personen zochten investeerders voor het project. Toen zijn we (het Gerecht: later bleek dat de veroordeelde vaak in de we-vorm spreekt, waar hij het alleen over zichzelf heeft) ingeschakeld en op dat moment is in kaart gekomen dat een groep, een consortium van zakenmannen waaronder de heer [C], eventueel interesse had.

Een SPF – een Stichting Particulier Fonds – was een vehicle, dat op dat moment bestond. De bedoeling daarvan was om met zo’n vehicle investeerders binnen te trekken. Het was heel moeilijk om investeerders binnen te trekken wanneer de optie op naam was.

Daarom hebben deze twee personen een SPF opgericht. Vervolgens is [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde] opgericht. Ik was ook de UBO daarvan.

De groep heeft besloten een budget te plaatsen. Binnen dat bedrag moest worden getracht om iedereen zo ver te krijgen dat de bevoegdheden naar één plek toe te schuiven. Als alle oprichtersbevoegdheden op één plek waren, konden we zaken doen. Dat is uiteindelijk met de tijd ook bereikt.

Op 5 maart 2008 heeft [aan C gelieerd bedrijf 3] de oprichtingsbevoegdheden van Playa Blou en op 10 maart 2008 heeft [aan C gelieerd bedrijf 4] de oprichtingsbevoegdheden van Playa Abou gekregen.

U vraagt mij wat voor werk ik precies heb gedaan. Ik heb met mensen moeten onderhandelen, zodat de oprichtingsbevoegdheden op één plek waren.

Mijn rol was dat we eerst negatief hebben geadviseerd. We konden geen enkele investeerder voor de heer [H] en de heer [G] krijgen, als zij een optie op naam hadden. Dat was het eerste struikelblok voor hen. Dat telde voor iedereen. In de haalbaarheidsstudie na de tweede optie had ik geen rol, want ze hebben de opdracht voor de haalbaarheidsstudie aan andere bedrijven gegeven.” 21

10.5

Politicus [veroordeelde]

De veroordeelde was van 30 juni 2007 tot 8 oktober 2010 lid van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao.22 Volgens de LinkedIn-pagina van de veroordeelde was hij in de periode van februari 2006 tot en met december 2006 gedeputeerde van Economische zaken en Toerisme en van juli 2007 tot en met september 2010 was hij lid van de commissie Economie en Toerisme.23

11. Het Gerecht heeft zich aan de hand van deze feiten en omstandigheden allereerst voor de vraag gesteld of aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten als de ambtelijke omkoping, het (medeplegen van) valsheid in geschrift en/of het (medeplegen van) witwassen waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is veroordeeld.

Ten aanzien van de ambtelijke omkoping zijn de volgende gelijkenissen te trekken:

  • -

    het geldbedrag van $ 822.640,-- is, gelijk de in de strafzaak bedoelde geldbedragen, afkomstig van een aan [C] gelieerde onderneming;

  • -

    het geldbedrag is in dezelfde periode overgemaakt (op 9 augustus 2010, nog geen twee maanden nadat de in de strafzaak bedoelde geldbedragen zijn overgemaakt);

  • -

    de veroordeelde was in die gehele periode lid van de Eilandsraad en dus werkzaam als ambtenaar;

  • -

    waar ten aanzien van de in de strafzaak bedoelde geldbedragen werd voorgewend alsof daarmee werkzaamheden van [bedrijf medeveroordeelde B] zijn betaald, zijn vraagtekens te zetten bij de vraag of het geldbedrag van $ 822.640,-- inderdaad voortvloeit uit werkzaamheden in het kader van de erfpachtuitgifte van Playa Blou zoals in de omschrijving van de overboeking is opgenomen (de twijfels zullen hierna verder worden uitgewerkt, maar in de kern komt het neer op het moment waarop en de onderneming waaraan de betaling is gedaan);

  • -

    waar de veroordeelde in de strafzaak zijn invloed in de politiek ten gunste van [C] cum suis heeft aangewend of proberen aan te wenden, kan uit zijn positie worden afgeleid dat de veroordeelde dat in dit geval ook kon doen (hetzij in het kader van de erfpachtuitgifte, die kort daaraan voorafgaand heeft plaatsgevonden, hetzij in het kader het onroerend goed aan [straatnaam], hetzij op een geheel ander vlak).

Dat zijn aanwijzingen dat de veroordeelde zich ook met het aannemen van het geldbedrag van $ 822.640,-- opnieuw schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping.

Er bestaan ook aanwijzingen dat de veroordeelde zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen. Die aanwijzingen komen voort uit de volgende omstandigheden:

  • -

    er wordt een aanzienlijk geldbedrag ($ 822.640,--) overgemaakt door een aan [C] gelieerd bedrijf naar een afgeschermde Zwitserse bankrekening van een op de Marshalleilanden gevestigde onderneming van de veroordeelde;

  • -

    de omschrijving bij die overboeking verwijst naar werkzaamheden van de veroordeelde, die twee jaar eerder hebben plaatsgevonden op een moment dat de onderneming nog niet was opgericht en waarvoor al een betaling had plaatsgevonden aan een andere onderneming waarvan de veroordeelde de begunstigde was (ook dit zal later nog worden uiteengezet);

  • -

    nadat de Zwitserse bank de veroordeelde had laten weten dat de bankrekening in verband met zijn status als politicus moest worden gesloten, is het geld (voor zover het niet is besteed aan de aflossing van creditcardafrekeningen) met tussenkomst van een offshorebedrijf doorgestort naar afgeschermde bankrekeningen in Litouwen en Cyprus.

12. De veroordeelde heeft verklaard dat het geldbedrag van $ 822.640,-- aan [bedrijf veroordeelde] is overgemaakt vanwege de werkzaamheden die hij heeft verricht in het kader van het hiervoor beschreven Knip-project. Volgens zijn verklaring is met een consortium van zakenmannen, dat wilde investeren en waarvan [C] deel uitmaakte, afgesproken dat [bedrijf veroordeelde] het budgetsaldo – het verschil tussen het door dat consortium beschikbaar gestelde budget en het uiteindelijk bereikte onderhandelingsresultaat – mocht behouden.

Deze verklaring heeft de nodige vragen opgeroepen, bij het openbaar ministerie, maar ook bij het Gerecht. Uit de verklaring van de veroordeelde is af te leiden dat zijn werkzaamheden in maart 2008 waren afgerond. Toen waren de oprichtingsbevoegdheden aan [aan C gelieerd bedrijf 3] en [aan C gelieerd bedrijf 4] immers overgedragen. Op dat moment was [bedrijf veroordeelde] nog niet opgericht.

Het is daarom zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, moeilijk voorstelbaar dat de afspraak is gemaakt dat een budgetsaldo zou toekomen aan [bedrijf veroordeelde]. Dat geldt des te meer, nu de veroordeelde zijn werkzaamheden op dat moment had ondergebracht bij de [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde]. Van die SPF was hij op dat moment de enige begunstigde. Als er een afspraak is gemaakt, ligt het daarom in de rede dat die bestond uit het overmaken van een bedrag aan [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde].

Frappant genoeg is dit ook precies de situatie waarvan de verdediging in haar schriftelijke reactie is uitgegaan.24 Bij die situatie past ook dat op 10 september 2008 een aanzienlijk bedrag, een bedrag van NAf 500.000,--, door een aan [C] gelieerd bedrijf aan [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde] is overgemaakt. In dit licht wekt het bevreemding dat twee jaar later een ander aan [C] gelieerd bedrijf, dat de veroordeelde op dat moment niet kende25, een nog groter bedrag, maar liefst $ 822.640,--, heeft overgemaakt naar een afgeschermde bankrekening in Zwitserland van [bedrijf veroordeelde], dat ten tijde van de werkzaamheden van de veroordeelde nog niet in beeld was.

De antwoorden op de door het Gerecht gestelde vragen naar de onderliggende stukken over zijn werkzaamheden en de afspraak die over het budgetsaldo zou zijn gemaakt, moest de veroordeelde grotendeels schuldig blijven. Er is geen overeenkomst, geen offerte, geen factuur en geen correspondentie in het geding gebracht waarmee aannemelijk gemaakt zou kunnen worden dat de veroordeelde dit bedrag legaal heeft verkregen.

De veroordeelde wordt daarbij ook niet te hulp geschoten door [C]. Hij had op zijn minst kunnen beamen dat deze afspraak was gemaakt en dat daarom een aan hem gelieerd bedrijf het bedrag heeft overgemaakt. Dat heeft hij niet gedaan. Integendeel: hij heeft op 20 mei 2014 verklaard dat hij of de ondernemingen waarvan hij aandeelhouder is, bij zijn weten nog nooit geldbedragen hebben overgeboekt naar [bedrijf veroordeelde].26 De vraag dringt zich op waarom [C] hierover niet frank en vrij zou verklaren, als aan de overboeking een legale overeenkomst ten grondslag heeft gelegen.

Tegen deze achtergrond wordt de bevreemding alleen maar groter doordat [bedrijf veroordeelde] een in de Marshalleilanden gevestigde onderneming is, die (zo kan uit de bankafschriften worden afgeleid en wordt ook door de veroordeelde toegegeven) ook geen andere bedrijfsactiviteiten heeft verricht en waarvan de veroordeelde de enige begunstigde was.

Daar komt nog eens bij dat de veroordeelde, toen hij het bericht kreeg dat hij zijn Zwitserse bankrekening van [bedrijf veroordeelde] moest sluiten, het beschikbare saldo met tussenkomst van een offshorebedrijf heeft doorgestort naar afgeschermde bankrekeningen in Litouwen en Cyprus. Als het Gerecht de veroordeelde goed begrijpt, zijn dit reguliere investeringen, maar ook hiervan zijn geen onderliggende stukken in het geding gebracht.

Het Gerecht komt daarmee tot de slotsom dat de veroordeelde geen concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven die aannemelijk maakt dat het overgemaakte bedrag van $ 822.640,-- op legale wijze is verkregen.

Het Gerecht is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer soortgelijke feiten als die in de strafzaak bewezen zijn verklaard, namelijk wederom aan ambtelijke omkoping en/of witwassen.

13. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of de veroordeelde daaruit ook zelf wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan de verdediging meent, moet naar het oordeel van het Gerecht worden vastgesteld dat de veroordeelde vrijelijk kon beschikken over de bankrekening van [bedrijf veroordeelde], waaronder ook het daarheen overgemaakte bedrag van $ 822.640,--.

Het Gerecht leidt dat af uit de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de veroordeelde is degene die met medewerkers van de USB-Bank heeft gecorrespondeerd over het openen van een rekening en het oprichten van een Ltd.;

  • -

    de veroordeelde is directeur van [bedrijf veroordeelde];

  • -

    de veroordeelde heeft met betrekking tot de rekening van [bedrijf veroordeelde] bij de UBS-Bank een onbeperkte tekeningsbevoegdheid;

  • -

    de veroordeelde is de enige begunstigde van [bedrijf veroordeelde];

  • -

    de veroordeelde heeft de rekening gebruikt voor privé-uitgaven en uitgaven in het kader van zijn campagne voor de verkiezingen in Curaçao van 2010;

  • -

    de veroordeelde is degene die heeft verzocht ‘zijn’ rekening (de rekening van [bedrijf veroordeelde]) te sluiten en de balans daarvan over te maken naar [offshorebedrijf] om dat vervolgens naar afgeschermde bankrekeningen in Litouwen en Cyprus door te boeken.

De veroordeelde heeft benadrukt dat een Trustmaatschappij in de Marshalleilanden de directie heeft gevoerd en dat toestemming bestond voor het doen van privé-uitgaven en uitgaven in het kader van zijn campagne voor de verkiezingen van 2010. Enige stukken daarover heeft de verdediging echter niet kunnen overleggen. De vergoeding voor de Trustmaatschappij – een vast bedrag van $ 450,-- per jaar – wijst in elk geval niet op een continue en serieuze controle van de uitgaven van [bedrijf veroordeelde]. Het Gerecht acht dat ook anderszins niet aannemelijk geworden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de veroordeelde vrijelijk over de bankrekening kon beschikken en dat ook heeft gedaan.

Dit betekent ook dat het aan [bedrijf veroordeelde] overgemaakte bedrag van $ 822.640,-- strekte tot voordeel van de veroordeelde (vgl. HR 4 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2005:AT7294). Daarmee kan in het midden blijven of sprake was van een schijnconstructie c.q. vereenzelviging van de veroordeelde met [bedrijf veroordeelde] Het gaat niet zozeer om de schijnconstructie, als wel om de zeggenschap en beschikkingsmacht die de veroordeelde over het geld had (vgl. ook de noot van Buruma bij HR 5 mei 2001, NJ 2001/507). Die zeggenschap en beschikkingsmacht bestonden overduidelijk bij de veroordeelde.

14. De overige door de verdediging gevoerde verweren kunnen het voorgaande niet anders maken. De stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie het Gerecht onjuist en onvolledig heeft voorgelicht, deelt het Gerecht niet.

Het Gerecht wijst er in dat verband op dat het ambtshalve stukken heeft opgevraagd en de verdediging alle ruimte heeft gegeven om ook andere stukken in te brengen en eigen onderzoek te laten verrichten, wat de verdediging ook heeft gedaan. Het Gerecht wijst er voorts op dat het ook een schriftelijke voorbereidingsronde heeft gelast, waarbij de verdediging en het openbaar ministerie hun standpunten al konden uiteenzetten. De verdediging en het openbaar ministerie hebben dat gedaan. Het Gerecht heeft vervolgens ter terechtzitting toegestaan dat de door de verdediging meegebrachte deskundige, de heer [F], een presentatie kon geven van zijn bevindingen en heeft vervolgens uitgebreid de gelegenheid aan de veroordeelde gegeven om, al dan niet naar aanleiding van vragen, een verklaring af te leggen. Die verklaring is op verzoek van de verdediging opgenomen op een geluidsband en is aan de hand daarvan uitgewerkt. Het Gerecht acht zich daarmee meer dan voldoende voorgelicht.

De verdediging meent te hebben aangetoond dat niet aannemelijk is dat sprake is van enig strafbaar feit op grond waarvan het meergenoemde bedrag aan [bedrijf veroordeelde] is overgemaakt. De verdediging is in haar verweren echter te gemakkelijk voorbijgegaan aan de aanwijzingen die het onderzoek heeft opgeleverd. Zij lijkt daarbij de entiteit [bedrijf veroordeelde] naar eigen goeddunken te vereenzelvigen met de [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde].

De rapportages van eerdergenoemde [F] en zijn naar aanleiding daarvan afgelegde verklaringen leveren de onderbouwing voor het standpunt van de verdediging evenmin op. Het Gerecht heeft zich erover verbaasd dat de deskundige standpunten heeft verkondigd die louter gebaseerd zijn op gesprekken die hij heeft gehad met de veroordeelde. In zoverre zijn de verklaringen niet te beschouwen als een deskundig oordeel, maar als een verklaring als getuige. Illustratief daarvoor is zijn antwoord op de herhaalde vraag van het Gerecht op grond waarvan zijn stelling is gebaseerd dat “het feit dat [bedrijf veroordeelde] een rol heeft vervuld bij het aantrekken van investeerders in onroerend goed op Curaçao onomstotelijk is aangetoond (onderstreping door het Gerecht).” Het antwoord kwam niet veel verder dan dat volgens hem het Knip-project typeerde dat [bedrijf veroordeelde] een dergelijke rol heeft gehad en dat hij heeft begrepen dat het de bedoeling was dat meerdere projecten zouden volgen. De stelling is daarmee natuurlijk niet aangetoond, laat staan onomstotelijk. Het Gerecht begrijpt uit zijn verklaring dat hij zich in hoge mate heeft laten leiden door de uitleg van de veroordeelde.

Dat is ook op te maken uit het antwoord op een vraag over een andere stelling. Ten aanzien van zijn stelling dat de veroordeelde een feitelijke rol heeft vervuld als procesbegeleider van [bedrijf veroordeelde] verklaarde hij dat die (slechts) was gebaseerd op de gesprekken die hij met de veroordeelde heeft gevoerd.

De deskundige heeft nog verklaard dat hij noch onderzoek heeft gedaan naar de achterliggende geldstroom (het inzichtelijk maken van de betaling van het meergenoemde geldbedrag), noch naar de daaropvolgende geldstromen, die bij het onderzoek pontificaal in beeld zijn gekomen (de overboeking van geldbedragen naar [offshorebedrijf] en van daaruit naar afgeschermde bankrekeningen in Litouwen en Cyprus). Het onderzoeksobject was [bedrijf veroordeelde]. De [SPF met eenzelfde naam als bedrijf veroordeelde] was geen onderzoeksobject en over de overboekingen naar [offshorebedrijf] is niet eens met de veroordeelde gesproken.

Dat de betaling door [aan C gelieerd bedrijf 2] niet logisch was, klinkt overigens ook door in de volgende verklaring van de deskundige: “De context van wat er dan wel op papier staat, zijn de budgetten die ter beschikking zijn gesteld. Daar zie je ook de SPF Playa Abou en de SPF Playa Blou. Dan zou je dus verwachten dat heel de afwikkeling via de SPF heeft plaatsgevonden. Waarom een tweetrapsraket als het ook in één keer kan?”

De rapportages en de verklaringen van de deskundige ondergraven de eerder weergegeven oordelen en overwegingen van het Gerecht dan ook niet.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

14. Geconcludeerd wordt dat de veroordeelde uit soortgelijke feiten een bedrag van $ 822.640,-- aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De tegenwaarde daarvan in Antilliaanse guldens was op het moment van de overboeking, 9 augustus 2010, opnieuw gesteld op NAf 1,78. Het voordeel wordt daarom gesteld op een totaalbedrag van NAf 1.464.299,20. Daarop komen alleen kosten in mindering die in een directe relatie staan tot de aannemelijk geachte strafbare feiten. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat die kosten zijn gemaakt.

Eindconclusie

De eindconclusie van het Gerecht is dat de veroordeelde in totaal een bedrag van NAf 1.844.190,36 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het verschil tussen dit bedrag en het door het openbaar miniserie berekende bedrag, is gelegen in een koersverschil. Waar het openbaar ministerie de koers van www.wisselkoers.nl/calculator heeft gehanteerd, heeft het Gerecht de (voor de veroordeelde gunstigere) koers van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten aangehouden.

Op te leggen betalingsverplichting

Het Gerecht zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van het hiervoor vastgestelde bedrag aan het land Curaçao ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij heeft het Gerecht rekening gehouden met de draagkracht van de veroordeelde, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Er is geen situatie aannemelijk geworden waarin op voorhand kan worden uitgesloten dat de veroordeelde op enig moment in staat is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Bij dat oordeel is in aanmerking genomen de voor de tenuitvoerlegging van deze maatregel geldende verjaringstermijn en de mogelijkheid die het openbaar ministerie heeft om de veroordeelde gedurende die termijn uitstel van betaling dan wel betaling in termijnen toe te staan.

Anders ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting, moet voor de bepaling van de bijbehorende vervangende hechtenis wel worden uitgegaan van de bepaling in het huidige Wetboek van Strafrecht, nu deze voor de veroordeelde het meest gunstig is. Het maximum van de vervangende hechtenis is namelijk verlaagd van zes naar drie jaren. Bij deze betalingsverplichting past alleen de maximale vervangende hechtenis van drie jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) en artikel 1:59 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Gerecht:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op NAf 1.844.190,36 (een miljoen achthonderdvierenveertig duizend en honderdnegentig Antilliaanse gulden en zesendertig cent);

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van datzelfde bedrag aan het land Curaçao, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 3 (drie) jaren.

Dit vonnis is gewezen door de rechter, mr. T.E. van der Spoel, bijgestaan door mr. A.P. Verhaegh, zittingsgriffier, en op 30 augustus 2018 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

1 Vonnis van het Hof in de strafzaak, bewijsmiddel 4, pagina 111 van het ontnemingsdossier.

2 Vonnis van het Hof in de strafzaak, bewijsmiddel 1, pagina 108 en 109 van het ontnemingsdossier.

3 Geschrift, te weten een bankafschrift, d.d. 1 september 2010, gemarkeerd als B01.1-7 .01-0034, opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 januari 2016, pagina 342 en 348 van het ontnemingsdossier.

5 Proces-verbaal d.d. 17 februari 2014, pagina 189 tot en met 200 van het ontnemingsdossier.

6 Geschrift, te weten een ingevuld en ondertekend bankformulier, d.d. 4 augustus 2008, gemarkeerd als B01.1-7 .01-0008, opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

7 Geschrift, te weten een ingevuld en ondertekend bankformulier, d.d. 4 augustus 2008, gemarkeerd als B01.1-7 .01-0010, pagina 178 van het ontnemingsdossier; tevens opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

8 Geschrift, te weten een ingevuld en ondertekend bankformulier, d.d. 4 augustus 2008, gemarkeerd als B01.1-7.01-0001 en B01.1-7.01-0002, pagina 173 en 174 van het ontnemingsdossier; tevens opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

9 Geschrift, te weten een ingevuld en ondertekend bankformulier, d.d. 4 augustus 2008, pagina 175 en 176 van het ontnemingsdossier.

10 Geschriften, te weten bankafschriften, gemarkeerd als B01.1-7.01-0012 tot en met B01.1-7.01-0062, opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

11 Verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 1 augustus 2018, zoals weergegeven op pagina 34 van het proces-verbaal van de op 1 en 2 augustus 2018 gehouden terechtzitting.

12 Geschrift, te weten een faxbericht, d.d. 5 oktober 2011, gemarkeerd als B01.1-7-0205, opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

13 Geschrift, te weten een bankafschrift, gemarkeerd als B01.1-7.01-0050, opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

14 Geschriften, te weten bankbescheiden, gemarkeerd als B01.1-7.01-0196, B01.1-7.01-0197, B01.1-7.01-0199, B01.1-7.01-0201 en B01.1-7.01-0204 tot en met B01.1-7.01-0207, opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

15 Verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 1 augustus 2018, zoals weergegeven op pagina 34 van het proces-verbaal van de op 1 en 2 augustus 2018 gehouden terechtzitting.

16 Geschrift, te weten een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art. 1:77 Wetboek van Strafrecht, d.d. 19 januari 2018, pagina 7 van het ontnemingsdossier.

17 Geschrift, te weten een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 11 maart 2008, gemarkeerd als bijlage DD-108, pagina 536 van het ontnemingsdossier; tevens opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

18 Geschrift, te weten een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, d.d. 28 februari 2008, gemarkeerd als bijlage DD-107, pagina 538 van het ontnemingsdossier; tevens opgenomen in de ordner die ter terechtzitting van 15 maart 2018 is overgelegd.

19 Verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 1 augustus 2018, zoals weergegeven op pagina 27 en 28 van het proces-verbaal van de op 1 en 2 augustus 2018 gehouden terechtzitting; geschrift, te weten een brief, d.d. 10 maart 2008, gemarkeerd als bijlage D-102, pagina 552 van het ontnemingsdossier; geschrift, te weten een brief, d.d. 19 november 2008, gemarkeerd als bijlage D-111, pagina 552 van het ontnemingsdossier.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 januari 2016, pagina 342 en 348 van het ontnemingsdossier.

21 Verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 1 augustus 2018, zoals weergegeven op pagina 27, 34, 35 en 37 van het proces-verbaal van de op 1 en 2 augustus 2018 gehouden terechtzitting.

22 Geschrift, te weten een verklaring van de griffier van de Staten Curacao, d.d. 20 januari 2015, pagina 703 van het ontnemingsdossier.

23 Geschrift, te weten een uitdraai van de LinkedIn-pagina van de veroordeelde, d.d. 26 juni 2017, pagina 705 van het ontnemingsdossier.

24 Zie paragraaf 91 tot en met 94 van de schriftelijke reactie, waarin onder meer het volgende is vermeld: “Deze werkzaamheden zijn daadwerkelijk verricht door de heer [veroordeelde] middels de SPF [SPF met eenzelfde naam al bedrijf veroordeelde], welke entiteit de oprichtingsbevoegdheden ook uiteindelijk in handen kreeg. Dat de heer [veroordeelde] bij de overige activiteiten met betrekking tot het project (bijvoorbeeld het verkrijgen van de erfpachtrechten) betrokken is geweest, blijkt volstrekt niet en is dan ook niet aannemelijk. De oprichtersbevoegdheden van SPF Playa Abou en SPF Playa Blou zijn overgedragen aan [aan C gelieerd bedrijf 4] respectievelijk [aan C gelieerd bedrijf 3]. Wat daarna met de oprichtingsbevoegdheden is gebeurd, is buiten de heer [veroordeelde] omgegaan.”

25 Verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 1 augustus 2018, zoals weergegeven op pagina 31 van het proces-verbaal van de op 1 en 2 augustus 2018 gehouden terechtzitting.

26 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 20 mei 2014, pagina 715 van het ontnemingsdossier.