Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:227

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
Lar: CUR201801725
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gelijkheidsbeginsel, feitelijk gezinsverband minderjarige en meerderjarige kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wondende te Haïti,

eiser,

gemachtigden: mr. O. D. Lodowica, advocaat en B. Martis,

en

DE MINISTER VAN JUSTITIE,

verweerder,

gemachtigde: mr. K.M. Leito-Rosario, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Op 18 juli 2017 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beschikking van verweerder van 30 juni 2017 waarbij zijn aanvraag om een vergunning tot tijdelijk verblijf is afgewezen (het bezwaar).

Op 4 juni 2018 heeft eiser het Gerecht verzocht om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar (het verzoek).

Bij beschikking van 11 juni 2018 heeft verweerder op het bezwaar beslist (de bestreden beschikking).

Op 19 juni en 23 juli 2018 heeft eiser het verzoek aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 23 juli 2018 plaatsgevonden. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, vergezeld door zijn vader [vader]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft eiser het Gerecht verzocht om de aanvulling op het verzoek van 19 juni 2018 als beroepschrift aan te merken en deze zaak als beroep tegen de bestreden beschikking te behandelen. Nadat de minister heeft verklaard geen bezwaren te hebben daartegen heeft het Gerecht dit verzoek ingewilligd.

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Curaçao toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

1.2

Volgens verweerders beleid, zoals neergelegd in paragraaf 4.8 van de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Landsverordening Toelating en Uitzetting en het Toelatingsbesluit van juni 2006 (de HIG), komen voor toelating in aanmerking uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, de niet uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin en de meerderjarige kinderen tot de leeftijd van 27 jaar zolang studerend en financieel afhankelijk.

Volgens paragraaf 4.10 van de HIG is het uitgangspunt dat op het moment dat de moeder of vader de kinderen achterlaat het feitelijke gezinsverband wordt geacht te zijn verbroken. Wordt de aanvraag ingediend indien de scheiding tussen ouders en kind korter is dan vijf jaar, dan wordt aangenomen dat het kind nog feitelijk tot het gezin behoort. Er is sprake van verbreking van het gezinsverband wanneer de scheiding tussen ouder en kind langer heeft geduurd dan vijf jaar.

Volgens paragraaf 4.11 van de HIG dienen meerderjarige kinderen tot de leeftijd van 27 jaar die feitelijk behoren tot het gezin toegelaten te worden, mits wordt aangetoond dat deze studerend en financieel afhankelijk zijn van hun ouders.

2. Eiser is geboren op 17 mei 1999 te Haïti. De vader van eiser, bij wie gezinshereniging wordt verzocht, verblijft sinds 12 juni 2010 op Curaçao. Op 10 mei 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend om een vergunning tot tijdelijk verblijf in voor gezinshereniging. Op 30 juni 2017 is de aanvraag afgewezen. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard, omdat de scheiding tussen eiser en zijn vader langer heeft geduurd dan vijf jaar en het gezinsverband volgens het beleid geacht is te zijn verbroken.

3. Eiser betoogt dat hij ten tijde van de aanvraag minderjarig was, hij nog steeds financieel afhankelijk is van zijn vader en dat de beslistermijn in de bezwaarprocedure ten onrechte met een jaar is overschreden. Voorts heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

4. Volgens paragraaf 4.8 en 4.11 van de HIG moet in ieder geval sprake zijn van een feitelijke gezinsband tussen een kind en zijn ouder(s) wil het kind voor een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinshereniging bij die ouder(s) in aanmerking komen. Hierbij is niet relevant of het kind minderjarig of meerderjarig is.

5. Eiser heeft bij de aanvulling van 23 juli 2018 de beslissingen op het bezwaar van zijn zussen overgelegd. De aanvraag van zijn zussen om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinshereniging bij hun vader is bij beslissingen van 6 juni en 21 december 2017 ingewilligd. Dit terwijl op grond van de HIG de scheiding tussen de zussen en hun vader langer dan vijf jaar heeft geduurd en een feitelijk gezinsverband geacht wordt niet meer te bestaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft echter geen doel. Reeds omdat eiser ten tijde van de bestreden beschikking meerderjarig was en zijn zussen minderjarig, maakt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Voor de toelating van meerderjarige kinderen gelden immers andere vereisten dan voor minderjarige kinderen. Vast is komen te staan dat eiser niet aan de vereisten voor toelating als meerderjarig kind voldoet. Dat eiser ten tijde van de aanvraag minderjarig was maakt dat niet anders nu in bezwaar conform vaste jurisprudentie beslist moet worden naar de feiten die zich voordeden en het recht dat gold op het moment dat de beslissing op het bezwaar werd genomen. Dat verweerder de beslistermijn met een jaar heeft overschreden kan eiser niet baten nu hij reeds zeven dagen na de aanvraag meerderjarig was geworden.

6. Reeds gelet op het voorgaande behoeft hetgeen eiser verder heeft aangevoerd geen bespreking.

7. Het beroep zal gezien het voorgaande ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez en uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2018 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.