Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:221

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
CUR201500270, CUR201500271, CUR201500273 en CUR201500859
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepstermijn is overschreden. Maar omdat de Inspecteur geen bewijs kan leveren van het tijdstip van bekendmaking van de uitspraak op bezwaar, vangt de beroepstermijn op een later moment aan, zodat het beroep tijdig is ingediend.

Belanghebbende heeft de vereiste aangifte niet gedaan waardoor bewijslast wordt omgekeerd. Het Gerecht acht evenwel de schatting onredelijk en vermindert het inkomen naar een bedrag van NAf 10.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 10 augustus 2018

BBZ nrs. CUR201500270, CUR201500271, CUR201500273 en CUR201500859

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn op 21 november 2014 over het jaar 2013 aanslagen Inkomstenbelasting (IB), premies AOV/AWW, BVZ en AVBZ opgelegd naar een belastbaar inkomen en premie-inkomen van NAf 35.000.

1.2

Belanghebbende is op 11 december 2014 (AOV/AWW) en 16 december 2014 (IB, BVZ en AVBZ) tegen de aanslagen in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 10 juli 2015 uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen verminderd naar een belastbaar inkomen en premie-inkomen van NAf 19.336.

1.4

Belanghebbende is op 23 september 2015 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar.

1.5

De Inspecteur heeft op 23 augustus 2016 verweerschriften ingediend.

1.6

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen op 2 september 2016, 21 februari 2017 en 8 februari 2018 in Willemstad. Op 2 september 2016 is namens de Inspecteur verschenen [ A ]. Belanghebbende is niet verschenen. Op 21 februari 2017 en 8 februari 2018 is belanghebbende verschenen, bijgestaan door haar zus [ B ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ A ].

1.7

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende woont op het adres [KS] en heeft drie minderjarige kinderen.

2.2

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van nihil.

2.3

Bij het vaststellen van de aanslagen heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende in 2013 inkomen moet hebben genoten om in haar levensonderhoud en dat van haar drie kinderen te kunnen voorzien. Ook het feit dat belanghebbende in voorgaande jaren heeft gewerkt, is voor de Inspecteur reden om het inkomen niet op nihil vast te stellen. In dat verband heeft de Inspecteur gewezen op een verzamelloonstaat waaruit blijkt dat belanghebbende van 1 januari tot 31 december 2011 in dienst was bij [IMA] N.V. (IMA) en dat zij in die periode NAf 34.446 aan loon heeft genoten. Blijkens een nadien ingebracht stuk heeft van dit loon een bedrag van NAf 28.217,35 betrekking op ‘verrekening commissie & oninbare debiteuren’.

2.4

Op 18 augustus 2017 heeft belanghebbende een brief gestuurd waarin zij het volgende heeft geschreven:

(…)

Ik heb drie kinderen: 2 van hun vader is [ K ], (...)van hem krijg ik alimentatie voor de twee kinderen. Was een geheim relatie aangezien hij woonachtig is met een andere vrouw.

Die andere is kind [ L ] (vroeger eigenaar van IMA). En van hem kreeg ik ook alimentatie voor de kind. En helpt bij [IMA] met het innen van moeilijke debiteuren, dus de debiteuren die hun niet kan vinden. En dat was het geval ook met het bedrag van fl. 28.217,35.

Ik woon bij mijn moeder mevrouw [ M ] (…) werkzaam bij [PCW] als kok.

Van de commissies en alimenaties die ik ontvang samen met de hulp van mijn moeder, financieer ik mijn bekostigen. Wat [ IMA ] NV (IMA) had ingediend is helemaal niet zoals het werkelijk is. Verrekening commissie en oninbare debiteuren zijn helemaal niet van mijn. (…)

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of de aanslagen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2

Belanghebbende stelt dat de aanslagen moeten worden verminderd tot nihil omdat zij in het jaar 2013 geen inkomen heeft genoten en dat zij in haar levensonderhoud heeft voorzien met bijdragen van de vaders van haar drie minderjarige kinderen en haar moeder.

3.3

De Inspecteur verdedigt het standpunt dat belanghebbende inkomen heeft genoten in het jaar 2013.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ontvankelijkheid beroep

4.1

Het Gerecht zal eerst moeten oordelen of het beroep ontvankelijk is. In artikel 31, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is geregeld dat de belanghebbende die bezwaar heeft tegen een ingevolge de belastingverordening door de Inspecteur gedane uitspraak, binnen twee maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep kan komen bij het Gerecht. Het onderhavige beroep tegen de uitspraken op bezwaar is buiten de wettelijke termijn van twee maanden als bedoeld in artikel 31, lid 1, van de ALL ingediend.

4.2

Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat voor beoordeling van de beroepstermijn niet kan worden uitgegaan van de dagtekening van de uitspraken op bezwaar omdat zij deze pas op 24 augustus 2015 in een enveloppe heeft ontvangen. De Inspecteur op wie de bewijslast rust met betrekking tot het tijdstip van de bekendmaking van de uitspraken op bezwaar, heeft daarvoor geen bewijs geleverd. Het Gerecht gaat daarom ervan uit dat de uitspraken kort voor 24 augustus 2015 zijn verzonden. De beroepstermijn vangt eerst op dat moment aan, zodat het beroep van 23 september 2015 tijdig is ingediend.

Vereiste aangifte

4.3

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen en premie-inkomen van nihil.

4.4

Artikel 31, lid 3, ALL bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep van de belastingplichtige moet worden afgewezen indien geen aangifte is gedaan of de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.5

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/04578, ECLI:NL:HR:2012: BY2665).

4.6

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220 en HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

4.7

Belanghebbende moet op enigerlei wijze in haar levensonderhoud en dat van haar drie kinderen hebben voorzien. Belanghebbende heeft haar stelling dat zij in 2013 uitsluitend heeft geleefd van bijdragen van de vaders en haar moeder niet op enigerlei wijze onderbouwd, bijvoorbeeld met bankafschriften of verklaringen van de vaders of moeder over de bijdragen en de hoogte ervan. Gelet daarop acht het Gerecht aannemelijk dat belanghebbende in 2013 een zodanig inkomen heeft genoten dat daarmee voor een deel in het levensonderhoud kon worden voorzien. Door het niet aangeven van dit inkomen moet belanghebbende zich ervan bewust zijn geweest, dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven.

4.8

Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 31, lid 3, ALL (omkering en verzwaring van de bewijslast) toepassing vindt.

4.9

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de inkomenscorrectie gebaseerd op het inkomen dat volgens hem nodig is voor één persoon en drie minderjarige kinderen om in 2013 in het levensonderhoud te kunnen voorzien (NAf 19.336). Het Gerecht acht evenwel aannemelijk dat belanghebbende wel enige bijdragen van de vaders en haar moeder heeft ontvangen, zodat deze correctie onredelijk wordt geacht. Daarom vermindert het Gerecht het inkomen naar een bedrag van NAf 10.000.

4.10

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 31, lid 3, ALL bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

4.11

Belanghebbende heeft verklaard dat zij in 2013 geen enkele inkomen heeft genoten en dat zij uitsluitend in haar levensonderhoud voorzag door bijdragen van de vaders en van haar moeder. Met deze niet onderbouwde verklaring heeft belanghebbende geenszins op overtuigende wijze de onjuistheid aangetoond van de schatting of de voor de schatting gebruikte gegevens. De aanslagen zullen derhalve niet verder worden verminderd dan naar een inkomen van NAf 10.000.

5 PROCESKOSTEN

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is immers niet gebleken.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB naar een belastbaar inkomen van NAf 10.000;

  • -

    vermindert de aanslagen premie AOV/AWW, BVZ en AVBZ naar een premie-inkomen van NAf 10.000.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J. Sap en mr. M.E.B. de Haseth, en is uitgesproken op 10 augustus 2018 in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël van der Biezen BSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf. 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500